Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BQ2353

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
200.063.415
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Sanctie ter zake van “niet stoppen voor rood knipperlicht bij overweglichten”. Uitleg van artikel 71 RVV 1990. Sanctie ten onrechte opgelegd nu niet aannemelijk is dat de betrokkene redelijkerwijs had kunnen stoppen.

Wetsverwijzingen
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Wegenverkeerswet 1994 5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.063.415

16 november 2010

CJIB 125295927

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch

van 17 februari 2010

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 150,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood knipperlicht bij overweglichten”, welke gedraging zou zijn verricht op 31 oktober 2008 om 07.09 uur op de Heihoeksingel te Oss met het voertuig met het kenteken [AB-00-AB]

2. De betrokkene ontkent niet dat hij de gedraging heeft verricht, maar stelt zich op het standpunt dat de gedraging is verricht onder omstandigheden die het opleggen van een sanctie niet billijken. Hiertoe voert hij aan dat hij niet tijdig heeft kunnen stoppen voor de overweglichten, aangezien die lichten nog maar twee seconden knipperden op het moment dat de betrokkene de overweglichten passeerde. Rekening houdende met een reactietijd van één seconde, had de betrokkene maar één seconde om tijdig tot stilstand te komen. Bij een geldende maximumsnelheid van 50 km/h is dat onmogelijk.

3. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 71, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Artikel 71 RVV 1990 luidt:

“Bij overweglichten betekent:

a. wit knipperlicht: er nadert geen trein;

b. rood knipperlicht: stop.”

4. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

5. In het aanvullend proces-verbaal d.d. 6 maart 2009 verklaart de verbalisant onder meer het volgende:

“Verzocht wordt aan te geven hoeveel pardontijd hierin is aangehouden. Ik kan hierin aangeven dat inzake het negeren van rood knipperende overweglichten door mij geen pardontijd wordt gehanteerd. Dit omdat er in het verleden in dergelijke situaties veelvuldig dodelijke ongevallen hebben plaats gevonden. Voorts wordt verzocht om aan te geven hoeveel seconden het rode licht is genegeerd. Dit betrof 2 seconden.”

6. Gelet op de aanvullende verklaring van de verbalisant en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet bestrijdt, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de betrokkene de gedraging heeft verricht. Derhalve dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn om een sanctie achterwege te laten.

7. Het hof stelt voorop dat een bestuurder bij overweglichten in geval van rood knipperlicht zijn voertuig tot stilstand dient te brengen voor het rode knipperlicht en, indien er een stopstreep is aangebracht, voor die stopstreep. De betrokkene wijst er terecht op dat bij overweglichten niet is voorzien in een (geel) licht dat aankondigt dat het rode knipperlicht zal gaan werken. Mede gelet op het bepaalde in artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 dient artikel 71 RVV 1990 daarom aldus te worden verstaan, dat er geen plicht tot stoppen bestaat voor bestuurders die het rode knipperlicht - dan wel bij aanwezigheid van een stopstreep: de stopstreep - zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is.

8. Voor de beoordeling van de vraag of de betrokkene het rood knipperende overweglicht zo dicht was genaderd dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk was, zal het hof - anders dan de advocaat-generaal - geen berekening van de stopafstand maken. Die berekeningsmethode leent zich slechts voor gevallen waarin door meetapparatuur de exacte tijd is vastgesteld dat een verkeerslicht rood licht uitstraalde. Hetgeen de advocaat-generaal in dit verband naar voren heeft gebracht, zal het hof derhalve onbesproken laten.

9. In het onderhavige geval heeft de verbalisant aangegeven dat het overweglicht twee seconden rood licht uitstraalde, waarbij het hof er vanuit gaat dat die tijdsduur een schatting betreft. Uitgaande van de geldende maximumsnelheid van 50 km/h en een reactietijd van één seconde, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat de betrokkene redelijkerwijs had kunnen stoppen voor de overweglichten. Het hof neemt hierbij nadrukkelijk in aanmerking dat de verbalisant verklaart dat hij geen pardontijd in acht heeft genomen, zodat uit die verklaring van de verbalisant niet volgt dat hij meende dat de betrokkene redelijkerwijs had kunnen stoppen voor het rode licht.

10. Het hof ziet in het voorgaande aanleiding om de beslissing van de kantonrechter te vernietigen, alsmede de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking. Het bedrag van de zekerheidstelling dient aan de betrokkene te worden gerestitueerd.

11. Het hof acht termen aanwezig om de door de betrokkene gemaakte reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting van de kantonrechter te vergoeden. Ingevolge artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge dat artikel wordt in gevallen als de onderhavige een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Aan de betrokkene komt derhalve toe een reiskostenvergoeding ter hoogte van € 7,10 ([woonplaats] - 's-Hertogenbosch v.v.).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 4 april 2009, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 125295927 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van € 150,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 7,10.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.