Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BQ2348

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
200.059.825
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel. Beroepsmogelijkheden van de officier van justitie. De omstandigheden ter plaatse van de gedraging worden gewijzigd en dat brengt betrokkene ertoe na afloop van de beroepstermijn alsnog beroep in te stellen. Geen verschoonbare termijnoverschrijding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2011/54
VR 2011/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.059.825

16 november 2010

CJIB 125957691

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Roermond

van 17 februari 2010

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Roermond genomen beslissing gedeeltelijk gegrond verklaard en de inleidende beschikking gewijzigd in die zin dat de sanctie op € 0,- is gesteld. De kantonrechter heeft voorts bepaald dat de gestelde zekerheid geheel aan de betrokkene wordt terugbetaald. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep van de betrokkene gedeeltelijk gegrond verklaard. Daartoe heeft hij overwogen dat weliswaar vaststaat dat de gedraging is verricht, doch dat de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden, te weten de gewijzigde en voorheen onduidelijke situatie ter plaatse, aanleiding hebben gegeven de sanctie te matigen tot nihil.

2. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan € 70,-. De bij de inleidende beschikking aan de betrokkene opgelegde sanctie bedroeg € 150,-. Bij de bestreden beslissing is dat bedrag op € 0,- gesteld.

3. Het hof heeft eerder bij arrest van 20 juli 2010, LJN BN3632 (te raadplegen op rechtspraak.nl), ten aanzien van de vraag of het bepaalde in artikel 14 WAHV ook heeft te gelden voor de officier van justitie, op grond van de wetsgeschiedenis en de parallelle ontwikkeling van de appelmogelijkheden van strafrechtelijke overtredingen beslist dat in de hierna vermelde zin onderscheid dient te worden gemaakt tussen de beroepsmogelijkheden van de betrokkene en die van de officier van justitie.

4. Voor de officier van justitie staat, anders dan voor een betrokkene, hoger beroep open in de gevallen waarin de initiële sanctie meer dan € 70,- bedroeg en het oordeel van de kantonrechter heeft geleid tot vernietiging van de inleidende beschikking, of daartoe had moeten leiden op een van de gronden van artikel 9 WAHV. Van hoger beroep door de officier van justitie zijn uitgezonderd die gevallen waarin de sanctie op nihil is gesteld op grond van de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, als bedoeld in artikel 9, tweede lid onder b, WAHV.

5. Nu zich het onder 4. bedoelde uitzonderingsgeval niet voordoet is het beroep van de officier van justitie ontvankelijk.

6. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard aangezien het beroepschrift van de betrokkene na het einde van de beroepstermijn is opgesteld en ingekomen bij het CJIB en de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden op de voet van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet tot verschoonbaarheid van die termijnoverschrijding kunnen leiden.

7. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter vastgesteld dat het beroep van de betrokkene weliswaar niet tijdig is ingesteld, doch dat de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden, te weten de inmiddels gewijzigde omstandigheden ter plaatse van de gedraging, aanleiding geven om het beroep alsnog ontvankelijk te verklaren.

8. Ingevolge het bepaalde in artikel 9, eerste lid, WAHV in verbinding met de artikelen 6:7 en 6:8 Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de beslissing van de officier van justitie aan de betrokkene is toegezonden.

9. De beslissing van de officier van justitie is blijkens de stukken op 25 mei 2009 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 6 juli. Het beroepschrift is gedateerd 4 augustus 2009 en het is blijkens een daarop gesteld stempel op 10 augustus 2009 door het CJIB ontvangen. Het beroep is dus niet tijdig ingesteld.

10. Artikel 6:11 Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

11. De betrokkene heeft in zijn beroepschrift verklaard dat hij beseft dat de beroepstermijn is geëindigd. Het leek hem aanvankelijk niet zinvol om in beroep te gaan tegen de beslissing van de officier van justitie. Nu hem echter is gebleken dat de gemeente naar aanleiding van klachten over de kenbaarheid van de gehandicaptenparkeerplaats naast het bestaande teken een groter teken op het wegdek heeft aangebracht, acht hij zich bevestigd in zijn verweer op dat punt en is hem naar zijn opvatting onrecht aangedaan doordat zijn beroep ongegrond is verklaard. Hij vraagt daarom herziening van die beslissing.

12. De officier van justitie heeft voormeld verzoek tot herziening kennelijk opgevat als een beroepschrift gericht tegen de beslissing van de officier van justitie. In aanmerking genomen dat de brief van de betrokkene kennelijk niet heeft geleid tot het alsnog vernietigen van de inleidende beschikking door de officier van justitie en het hof reeds eerder heeft beslist dat de wet er niet in voorziet dat met voorbijgaan aan de bestreden beslissing opnieuw op het beroep wordt beslist, ook niet bij wege van herziening, is die opvatting in het belang van de betrokkene.

13. Het hof leidt uit voormeld beroepschrift af dat de betrokkene, hoewel hij in de gelegenheid was om tijdig een beroepschrift in te dienen, daarvan om hem moverende redenen heeft afgezien. Gesteld noch gebleken is echter dat sprake was van omstandigheden buiten de invloedssfeer van de betrokkene waardoor hem niet kan worden verweten dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. Dat de betrokkene na afloop van de beroepstermijn als gevolg van de door hem geschetste omstandigheden van gedachten is veranderd is niet aan te merken als een omstandigheid waardoor niet-ontvankelijkheid van het beroep achterwege kan blijven.

14. Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven en dat het hof zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Beswerda en Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.