Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BQ2335

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
200.066.212
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

De betrokkene is niet deugdelijk opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. De in het dossier aanwezige brief van de rechtbank bevat geen stempel waaruit blijkt dat deze is verzonden. De brief die de betrokkene heeft ontvangen is ongedateerd en vermeldt geen datum en tijd van de zitting.

Wetsverwijzingen
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 12
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20c
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.066.212

10 november 2010

CJIB 129021714

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage

van 4 mei 2010

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement ’s-Gravenhage genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is ter zitting van 22 september 2010, waar de betrokkene en als gemachtigde van de advocaat-generaal mr. A. Dijkstra zijn verschenen, aangehouden voor onbepaalde tijd.

Vervolgens is de behandeling van de zaak voortgezet op 27 oktober 2010. De betrokkene is verschenen. Tevens zijn verschenen [getuige 1] en verbalisant [verbalisant], die ter zitting als getuige zijn beëdigd en een verklaring hebben afgelegd. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. S.M. Meijer.

Ter zitting heeft de betrokkene verzocht om vergoeding van kosten.

Beoordeling

1. De betrokkene klaagt in hoger beroep dat hij niet is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. De aan hem verzonden oproepingsbrief bevatte geen datum en tijd. Ten bewijze hiervan heeft de betrokkene de door hem ontvangen oproeping bijgevoegd.

2. Het hof stelt vast dat het dossier een brief bevat van de griffier van de kantonrechter, gedateerd 27 januari 2010, gericht aan de betrokkene waarin is vermeld dat zijn beroep zal worden behandeld op dinsdag 4 mei 2010 te 10.15 uur. In tegenstelling tot de advocaat-generaal is het hof echter van oordeel dat uit de omstandigheid dat deze brief in het dossier aanwezig is, niet kan worden afgeleid dat deze brief ook aan de betrokkene is verzonden. Allereerst omdat op de in het dossier aanwezige brief geen stempel staat waaruit blijkt dat deze brief is verzonden, maar daarnaast ook omdat uit de door de betrokkene overgelegde oproepingsbrief blijkt dat de aan hem verzonden (ongedateerde) brief geen datum en tijd van de zitting bevat. Het hof houdt het er derhalve voor dat er bij de verzending van de oproepingen voor de zitting van de kantonrechter sprake is geweest van een administratieve misslag, waardoor de betrokkene een onjuiste oproepingsbrief heeft ontvangen. Nu het vereiste van een deugdelijke oproeping met zich brengt dat de opgeroepen persoon op de hoogte is van datum en tijd van de zitting, moet worden geconcludeerd dat de betrokkene niet deugdelijk is opgeroepen.

3. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter, wegens strijd met artikel 12, eerste lid, WAHV, vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen. De betrokkene is opgeroepen een zitting van het hof .

4. De advocaat-generaal heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het bij de kantonrechter ingestelde beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het niet tijdig is ingesteld.

5. De beslissing van de officier van justitie is, blijkens de stukken, op 25 juli 2009 aan de betrokkene toegezonden. De betrokkene heeft gesteld dat hij op 6 augustus 2009 -derhalve tijdig- beroep tegen deze beslissing heeft ingesteld. Toen hij de eerste aanmaning ontving, heeft hij, bij brief van 6 oktober 2009, nogmaals gereageerd. Daarbij heeft hij een afschrift van het beroepschrift van 6 augustus 2009 overgelegd.

6. Het origineel van de brief van 6 augustus 2009 bevindt zich weliswaar niet in het dossier, maar het hof is, gelet op het onderzoek in hoger beroep, van oordeel dat de betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij wel tijdig beroep heeft ingesteld. Daarom zal het hof -gelijk ook de kantonrechter heeft gedaan- uitgaan van de tijdigheid van het beroep.

7. Een en ander brengt mee dat de op 5 oktober 2009 toegepaste eerste verhoging ongedaan moet worden gemaakt en het hof zal overgaan tot de behandeling van de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie.

8. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 150,- opgelegd ter zake van “niet voldoen aan aanwijzing van bevoegde en als zodanig kenbare ambtenaar”, welke gedraging zou zijn verricht op 17 maart 2009 om 14.40 uur op de Beeklaan te Noordwijk.

9. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat verbalisanten ondanks de ambtsbelofte fouten kunnen maken. Er was geen sprake van een normale verkeerscontrole. De betrokkene reed op de rotonde en zag aan de zijkant een groep agenten. Het leek alsof er ter plaatse iets gebeurd was. Eén verbalisant maakte handgebaren terwijl de betrokkene hem reeds half gepasseerd was. De betrokkene schrok en had het idee dat er iets aan de hand was aan de andere kant van de rotonde en heeft niet doorgehad dat de verbalisant hem een stopteken heeft gegeven. Na het verlaten van de rotonde heeft de betrokkene - totdat hij werd staandegehouden - geen verbalisanten meer gezien. De betrokkene wil de verbalisant en de inzittende van de auto, zijn ex-vriendin [getuige 1], als getuige horen. Mede omdat een collega van de verbalisant aangaf dat de verbalisant zijn dag niet had, twijfelt de betrokkene namelijk sterk aan de verklaring van de verbalisant. Verder heeft de betrokkene tegelijk met de onderhavige sanctie ook een sanctie opgelegd gekregen wegens het niet dragen van een autogordel. In reactie op het hier door de betrokkene ingestelde beroep heeft de officier de zaak geseponeerd omdat de reactie van de verbalisant op het verweer van de betrokkene zoveel onduidelijkheden bevatte.

10. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

11. De ambtsedige verklaring van verbalisant [verbalisant], zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt, naast het in de inleidende beschikking genoemde, onder meer het volgende in:

“Verbalisant gaf de bestuurder op de voorgeschreven en gebruikelijke wijze een stopteken. Betrokkene keek verbalisant aan, gaf gas en reed weg. Betrokkene werd achterhaald door een collega motorrijder en gebracht naar verbalisant.

Verklaring betrokkene: ik zag je niet”

12. Voorts heeft verbalisant [verbalisant] ter zitting onder ede - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende verklaard. Op 17 maart 2009 was er op meerdere locaties een grootscheepse verkeerscontrole. Ik stond ten tijde van de gedraging ongeveer 200 meter na de rotonde op de Beeklaan. Mijn collega [agent 1] constateerde dat een bestuurder doorreed nadat zij had geconstateerd dat hij geen gordel droeg. Via de portofoon stelde ze mij hiervan op de hoogte. Vervolgens ben ik aan de zijkant van de weg gaan staan en het (enige) voertuig dat de rotonde passeerde heb ik een stopteken gegeven. Omdat het een vrije rechte weg is, had ik goed zicht op het voertuig. Ik stond voor de bestuurder rechts van de weg. Omdat het voertuig de rotonde net was gepasseerd had ik, vanwege de snelheid van het voertuig, tijd om mij te positioneren. Op het moment dat ik het stopteken gaf was het voertuig meer dan 100 meter van mij verwijderd. Het was geen abrupt stopteken. Bij het geven van een stopteken maakte ik mij breed, deed ik één hand omhoog en wees ik met mijn andere hand de bestuurder aan. Ik had oogcontact met de bestuurder en ik zag duidelijk dat hij druk bezig was met het omdoen van zijn gordel. De bestuurder stopte echter niet nadat ik het stopteken had gegeven.

13. [Getuige 1] heeft ter zitting onder ede - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende verklaard. Ten tijde van de gedraging was ik als passagier aanwezig in het voertuig van de betrokkene. Ik herinner me nog dat ter plaatse aan de rechterkant van de rotonde een aantal in uniform geklede agenten stond. Het leek alsof er tumult was. Ik hoorde wat geschreeuw over autogordels. Omdat wij beiden de autogordel droegen, had ik niet het idee dat het voor ons was. Er was geen sprake van een verkeerscontrole. Een stopteken heb ik niet gezien. Niet op de rotonde, maar ook niet daarna. Even na het verlaten van de rotonde zijn we door een motoragent staande gehouden.

14. Het hof overweegt dat onderhavige sanctie betrekking heeft op een stopteken dat de betrokkene na het verlaten van de rotonde is gegeven. In hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de duidelijke ambtsedige verklaring van de verbalisant. De verbalisant heeft verklaard dat hij tijdige een duidelijk stopteken heeft gegeven en dat hij daarbij oogcontact heeft gehad met de betrokkene. De betrokkene stelt daartegenover slechts dat hij de verbalisant en het door hem gegeven stopteken niet heeft waargenomen. Die ontkenning is naar het oordeel van het hof onvoldoende om te twijfelen aan de ambtsedige verklaring van de verbalisant. De andersluidende getuigenverklaring brengt het hof niet tot een ander oordeel. Nu uit het dossier evenmin blijkt van feiten en omstandigheden die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

15. Met betrekking tot de verwijzing door de betrokkene naar de door de CVOM ingetrokken beschikking inzake het niet dragen van de autogordel, merkt het hof op dat uit de door de betrokkene overgelegde brief van de CVOM niet blijkt dat de beschikking is ingetrokken omdat de reactie van de verbalisant op het verweer van de betrokkene zoveel onduidelijkheden bevatte, zoals de betrokkene stelt, maar omdat de door de verbalisant aan de CVOM verstrekte informatie onvolledig was, waardoor een zorgvuldige afweging van de door de betrokkene genoemde argumenten niet mogelijk was. Anders dan de betrokkene kennelijk meent, zegt dit niets over de onderhavige sanctie die - naar de betrokkene stelt - door dezelfde verbalisant en gelijktijdig is opgelegd. De onderhavige gedraging - het niet voldoen aan aanwijzing van bevoegde en als zodanig kenbare ambtenaar - is immers een andersoortige gedraging dan het niet dragen van de autogordel. De hiervoor weergegeven verklaring van de verbalisant is voldoende om te concluderen dat de betrokkene de gedraging heeft verricht.

16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep ongegrond verklaren.

17. Gegeven de vernietiging van de beslissing van de kantonrechter, ziet het hof aanleiding om te bepalen dat de door de betrokkene in hoger beroep gemaakte proceskosten worden vergoed. In aanmerking komen de reiskosten van de betrokkene in verband met het bijwonen van de zittingen van het hof. Deze worden ingevolge het toepasselijke artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. In dit geval wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 34,40, zijnde de kosten van twee keer een retour per trein van het treinstation te [woonplaats] (de woonplaats van de betrokkene) naar het treinstation te Leeuwarden.

18. Ingevolge artikel 2 van voornoemd Besluit wordt het bedrag van de verletkosten vastgesteld overeenkomstig een tarief dat afhankelijk van de omstandigheden tussen € 4,54 en € 53,09 bedraagt. Het hof acht het redelijk om aan de betrokkene ter zake van verletkosten voor het bijwonen van de zittingen van het hof een vergoeding voor 6 uren toe te kennen tegen een uurloon van € 20,-. Het hof zal ter zake derhalve een vergoeding toekennen van

€ 120,-.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep ongegrond;

bepaalt dat de aan de betrokkene opgelegde eerste verhoging van de sanctie ad € 37,50 door de advocaat-generaal ongedaan wordt gemaakt;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 154,40.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.