Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BQ2319

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
WAHV 200.059.307
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zekerheidstelling. Draagkrachtverweer. Bij verwerping van dat verweer dient de betrokkene een nadere termijn te worden gegund om alsnog zekerheid te stellen. De verwerping van het verweer is op onbegrijpelijke wijze gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.059.307

20 oktober 2010

CJIB 131616019

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Almelo

van 19 februari 2010

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Almelo genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in artikel 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.

2. De betrokkene stelt - kort gezegd - dat hij de rechtbank op de hoogte heeft gesteld van zijn onvermogen om zekerheid te stellen, dat hij vervolgens door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld bescheiden omtrent zijn financiële situatie in te dienen, dat hij hierna de zitting van de kantonrechter heeft bezocht en dat hij de door de kantonrechter gebruikte motivering om de zekerheidstelling te handhaven en daarmee de niet-ontvankelijkheid van zijn beroep uit te spreken, bestrijdt.

3. Aan de betrokkene zijn twee brieven toegezonden omtrent de verplichting om zekerheid te stellen (op 5 november 2009 en 20 november 2009). Het is het hof ambtshalve bekend dat de betrokkene bij brief, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 5 oktober 2009, in de zaak met CJIB-nummer 131616018 en waarin het hof in hoger beroep gelijk met de onderhavige zaak uitspraak zal doen, heeft aangegeven wegens zijn financiële situatie geen zekerheid te kunnen stellen. Deze brief heeft, gelet op het daarin genoemde bedrag dat aan zekerheid moet worden gesteld, ook betrekking op de onderhavige zaak. In verband daarmee heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene bij brief van 22 december 2009 in de gelegenheid gesteld binnen drie weken na de verzending zodanige financiële bescheiden over te leggen dat hieruit blijkt dat hij niet kan voldoen aan de wettelijk verplichte zekerheidstelling. Op 5 januari 2010 zijn financiële bescheiden van de betrokkene binnen gekomen.

4. Het beroep van de betrokkene is behandeld ter zitting van de kantonrechter op 5 februari 2010. In de oproeping voor deze zitting d.d. 7 januari 2010 is niet aangegeven dat de betrokkene ter zitting zal worden gehoord over het door hem naar voren gebrachte draagkrachtverweer. De kantonrechter heeft vervolgens ter zitting van 19 februari 2010 het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.

5. Uitgangspunt is dat, indien een betrokkene in de procedure bij de kantonrechter met redenen omkleed aanvoert dat hij niet (terstond) in staat is zekerheid te stellen tot het totale van hem verlangde bedrag, de kantonrechter, tenzij hij het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid zal moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht.

Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht gegrond, dan zal hij het bepaalde in artikel 11, derde lid, WAHV in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zonodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen hij alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen.

Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht ongegrond, dan dient de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn te gunnen om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen.

6. De kantonrechter heeft overwogen dat de door de betrokkene aangevoerde betalingsonmacht geen omstandigheid oplevert die maakt dat het beroep ontvankelijk verklaard moet worden, omdat de betrokkene nog altijd de eigenaar is van de personenauto en indien de betrokkene auto wil rijden, hij alle daaraan verbonden kosten inclusief zekerheidstelling zal moeten voldoen. Het beroep is vervolgens niet-ontvankelijk verklaard.

7. Er is niet gehandeld overeenkomstig het bepaalde in overweging 5. De kantonrechter, die het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht ongegrond achtte, had de betrokkene een nadere termijn dienen te gunnen om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen. Bovendien is de door de kantonrechter gebezigde motivering ter verwerping van het draagkrachtverweer onbegrijpelijk. Op hetgeen de betrokkene in concreto heeft aangevoerd is de kantonrechter niet ingegaan. Voorts kan uit het enkele feit dat een betrokkene eigenaar zou zijn van een auto -uit het dossier blijkt niet meer dan dat de betrokkene kentekenhouder is van een auto- niet worden afgeleid dat een beroep op het ontbreken van financiële draagkracht moet falen. Tenslotte kan het hof de kantonrechter niet volgen in zijn overweging dat het betalen van zekerheid hoort tot de kosten verbonden aan het auto rijden. Daarom kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven en dient de zaak te worden teruggewezen naar de rechtbank.

8. Niet is gebleken dat de betrokkene proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Almelo ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.