Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BP3037

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
WAHV 200.018.514
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu de wetgever het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden heeft verboden, is niet relevant of de betrokkene al rijdend ook heeft getelefoneerd. Beroep tegen de inleidende beschikking tijdig ingesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 6
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.018.514

19 januari 2010

CJIB 105049684

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 23 september 2008

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”, welke gedraging zou zijn verricht op 31 maart 2007 om 19.50 uur op de Pleinweg te Rotterdam.

2. De betrokkene voert aan dat de verklaring van de verbalisant dat hij al bellend aan het rijden was niet correct is. De betrokkene merkt daarbij op aan dat hij wel van plan was om te gaan bellen, maar dat hij nog bezig was om daarvoor een veilige plek te zoeken. Het enkele feit dat hij daarbij een telefoon in zijn linkerhand hield is geen overtreding, aldus de betrokkene.

3. Alvorens aan een beoordeling van dit standpunt van de betrokkene toe te komen overweegt het hof als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, WAHV in verbinding met de artikelen 6:7 en 6:8 Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beschikking aan de betrokkene is toegezonden. Blijkens de gedingstukken is de inleidende beschikking op 24 april 2007 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 5 juni 2007. Het beroepschrift van betrokkene is gedateerd 16 mei 2007 en het is blijkens een daarop gesteld stempel op 1 juni 2007 bij de CVOM ingekomen. Het beroep is dus tijdig ingesteld. Desalniettemin heeft de officier van justitie, bij beslissing verzonden op 10 december 2007, het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het zou zijn ingesteld na het verstrijken van de wettelijke termijn van zes weken. Gelet op het voorgaande, is dit niet juist.

4. Tegen deze beslissing van de officier van justitie heeft de betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft echter, zonder een overweging te wijden aan de beslissing van de officier van justitie, het beroep van de betrokkene inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De kantonrechter had evenwel, alvorens het beroep inhoudelijk te behandelen, de beslissing van de officier van justitie dienen te vernietigen in verband met het onder 3. overwogene. Nu de kantonrechter dat heeft nagelaten, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en vervolgens - op de voet van artikel 13, eerste lid, WAHV - het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en deze beslissing eveneens vernietigen.

5. Vervolgens dient het hof de bezwaren tegen de sanctie - als onder 2 gesteld - te beoordelen. Het hof stelt daartoe voorop dat in WAHV-zaken de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag biedt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

6. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:

“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp met zijn linkerhand vasthield. Bij de staandehouding zag ik dat het een mobiele telefoon betrof van het merk Nokia 1100. (…) Had gsm in zijn linkerhand tegen oor reed gewoon door met de auto al bellend.”

7. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Nu de betrokkene, anders dan de ontkenning dat hij al rijdend aan het bellen was, geen voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, noch uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof merkt daarbij op dat de stelling van de betrokkene dat hij niet al bellend aan het rijden was hem niet kan baten, ook niet als zou blijken dat deze stelling juist is. De wetgever heeft namelijk het vasthouden van een mobiele telefoon strafbaar gesteld, zodat, anders dan de betrokkene kennelijk meent, niet relevant is of de betrokkene heeft getelefoneerd.

8. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep van de betrokkene tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 10 december 2007;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.