Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BP0746

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-10-2010
Datum publicatie
13-01-2011
Zaaknummer
200.033.090
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomensverandering van de man niet verwijtbaar, mede gelet op de hem toegekende WW-uitkering. Hof gaat ervan uit dat de man inkomen uit vermogen heeft. Behoefte ander kind lager door verblijf in Marokko, waar levensstandaard lager is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 19 oktober 2010

Zaaknummer 200.033.090

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[naam],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.A. Schütz, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[naam],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A. Szirmai, kantoorhoudende te Heerenveen.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 28 januari 2009 heeft de rechtbank Leeuwarden, voor zover van belang, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam kind] (hierna: [kind]), geboren op [2000] te [plaats], met ingang van 10 juli 2008 bepaald op € 181,-- per maand.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 28 april 2009, heeft de man verzocht de beschikking van 28 januari 2009 te vernietigen (naar het hof begrijpt voor zover het de beslissing omtrent de kinderalimentatie betreft) en in zoverre opnieuw beslissende het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage voor [kind] af te wijzen, althans een lagere onderhoudsbijdrage vast te stellen en te bepalen dat de vrouw aan de man dient terug te betalen al hetgeen hij ter uitvoering van de bestreden beschikking aan de vrouw diende te voldoen en heeft voldaan, althans te bepalen dat de vrouw aan de man zal dienen terug te betalen al hetgeen hij uit hoofde van de in hoger beroep te wijzen beschikking teveel aan de vrouw heeft voldaan.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 29 juni 2009, heeft de vrouw het verzoek bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van het verzoek.

Tevens heeft de vrouw bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikking van 28 januari 2009 te vernietigen voor zover daarbij de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] is bepaald op € 181,-- per maand en opnieuw beslissende te bepalen dat de man een bijdrage van € 650,-- per maand dient te voldoen, althans een in goede justitie vast te stellen bijdrage, met ingang van 10 juli 2008, althans een in goede justitie te bepalen datum.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2009, heeft de man het verzoek in het incidenteel beroep bestreden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring en afwijzing ervan.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief (met bijlagen) van mr. Szirmai gedateerd 28 januari 2010, een brief (met bijlagen) van mr. Schütz gedateerd 29 januari 2010 en een faxbericht van mr. Szirmai van

19 mei 2010, dat eveneens per gewone post namelijk bij brief van 25 mei 2010 is ingezonden.

De zaak is ter zitting op 11 februari 2010 aangehouden omdat de man door omstandigheden die hem niet kunnen worden toegerekend niet bij de mondelinge behandeling aanwezig kon zijn, en vervolgens behandeld ter zitting van het hof op

1 juni 2010. De man is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De vrouw is eveneens verschenen, bijgestaan door mr. J. Oosterhof, kantoorgenote van

mr. Szirmai. Mr. Oosterhof heeft een pleitnota overgelegd.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Partijen zijn op 2 juli 2004 te Leeuwarden met elkaar gehuwd. [kind] is derhalve geboren uit de voorhuwelijkse relatie van partijen. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind].

2. Sinds de ontbinding van het huwelijk van partijen op 10 juli 2008 heeft [kind] zijn gewone verblijfplaats bij de vrouw.

3. De man heeft voorts nog twee kinderen uit (een) eerdere relatie(s), [kind 2] en [kind 3], geboren op [1998] respectievelijk [1994]. [kind 3] maakte tijdens het huwelijk deel uit van het gezin van partijen en is kort na het uiteengaan van partijen bij de man komen wonen die het gezag over haar uitoefent. [kind 2] heeft sinds maart 2009 eveneens zijn hoofdverblijf bij de man.

4. Bij beschikking van 28 januari 2009 is - voor zover voor dit hoger beroep van belang - beslist zoals hiervoor onder 'Het geding in eerste aanleg' is weergegeven.

Het geschil

5. De geschilpunten tussen partijen in het principaal appel van de man en het incidenteel appel van de vrouw betreffen:

- de behoefte van [kind];

- de draagkracht van de man en wel op de volgende punten:

o de verwijtbaarheid van zijn inkomensverlies;

o de onkostenvergoeding;

o het inkomen uit vermogen;

o de heffingskortingen;

o de woonlasten;

o de premie levensverzekering;

o de ziektekosten;

o de kosten van de omgangsregeling met [kind];

o de behoefte van [kind 2];

o de herinrichtingskosten;

o de aflossing van de lening ten behoeve van de aanschaf van een auto;

* de draagkracht van de vrouw en wel op de volgende punten:

o de hoogte van het inkomen;

o de kosten kinderopvang;

o de advocaatkosten.

6. Het hof stelt vast dat geen grief is gericht tegen de in eerste aanleg vastgestelde ingangsdatum van de onderhavige alimentatieverplichting, 10 juli 2008, zodat het hof daar met partijen vanuit zal gaan.

7. In het navolgende zal het hof achtereenvolgens de behoefte van de onderhoudsgerechtigde [kind] bespreken, vervolgens de draagkracht van partijen als onderhoudsplichtigen en tenslotte het aandeel van partijen in de behoefte van de onderhoudsgerechtigde [kind].

De behoefte van [kind]

8. Het hof overweegt dat volgens vaste rechtspraak het netto gezinsinkomen in de laatste periode van het huwelijk een belangrijke factor is bij de bepaling van de behoefte aan alimentatie van een minderjarig kind.

9. De rechtbank is in dit verband blijkens de bestreden beschikking bij de bepaling van de behoefte van [kind] uitgegaan van een netto gezinsinkomen van € 4.200,- per maand. Op basis van de CBS-NIBUD-tabel, opgenomen als bijlage in het Trema-rapport, met betrekking tot het eigen aandeel in de kosten van kinderen, heeft de rechtbank vervolgens de behoefte van [kind] berekend op € 644,- per maand. De rechtbank heeft bij de berekening van het netto gezinsinkomen geen rekening gehouden met een vergoeding uit een Persoonsgebonden budget (PGB) onder de overweging dat de vrouw deze vergoeding onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt in het licht van de betwisting zijdens de man.

10. In haar incidenteel appel heeft de vrouw zich hierover beklaagd. Zij stelt dat de man een vergoeding uit PGB ontving ten behoeve van zorgverlening aan de [naam familie]. Het netto gezinsinkomen bedroeg volgens de vrouw dan ook geen € 4.200,- per maand maar € 5.300,- per maand. Volgens de vrouw is het niet juist dat de man na het overlijden van [kind 4], op 4 februari 2007, geen vergoeding meer heeft ontvangen uit het PGB van de [naam familie]. De man verleende volgens de vrouw niet alleen zorg voor [kind 4], maar ook voor een andere dochter uit die familie, namelijk [kind 5]. Ter onderbouwing daarvan heeft de vrouw bij haar verweerschrift/incidenteel appelschrift een aantal stukken gevoegd, waaronder een toekenningsbeschikking van het Zorgkantoor gedateerd 14 december 2007 en een bankafschrift van 7 mei 2007 waaruit een bijschrijving blijkt met vermelding 'begeleiding [kind 5]'.

11. Gelet op de thans gegeven onderbouwing van haar stelling dat de man ook na

4 februari 2007 nog inkomen heeft genoten uit het PGB van de [naam familie], is het hof van oordeel dat de man niet langer heeft kunnen volstaan met een niet (met relevante bescheiden) onderbouwde ontkenning. In dit verband ontbreken bijvoorbeeld de aangiften IB 2007 en 2008. Het hof zal daarom de vrouw volgen in haar standpunt dat bij de berekening van de behoefte van [kind] uitgegaan moet worden van een netto gezinsinkomen van € 5.300,- per maand. Op grond van de beschikbare gegevens acht het hof het door de vrouw genoemde bedrag van

€ 1.100,- per maand in dit verband geen onredelijke schatting.

12. Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat [kind 3] in de periode vóór het uiteengaan van partijen ook tot het gezin van partijen behoorde, zal het hof de CBS-NIBUD-tabel voor twee kinderen hanteren. Op grond van die tabel kan de behoefte van [kind] worden becijferd op € 624,- per maand (€ 1.248,- voor twee kinderen, 4 punten). Dit is lager dan de in eerste aanleg berekende behoefte, terwijl de vrouw met de betreffende incidentele grief een hogere behoefte heeft bepleit en de man niet heeft geappelleerd jegens de in eerste aanleg vastgestelde behoefte. Gelet op de grenzen van de rechtsstrijd zal het hof daarom uitgaan van de in eerste aanleg bepaalde behoefte van € 644,- per maand.

De draagkracht van de man

* het in aanmerking te nemen inkomen en de verwijtbaarheid van het

inkomenverlies

13. Uit de stukken blijkt onder meer dat de man als directeur werkzaam is geweest voor de Stichting Jessour. Deze stichting is op 4 juli 2005 mede opgericht door de vrouw en heeft blijkens haar statuten als doel, kort gezegd, het bevorderen en stimuleren van integratie en participatie van allochtonen in de Nederlandse samenleving. Het dienstverband van de man bij De Stichting Jessour is per

1 januari 2009 beëindigd, waarna een WW-uitkering aan de man is toegekend op basis van een gemiddelde urenomvang van 31,88 per week en een dagloon van

€ 155,65. Blijkens de betreffende brief van het UWV bedraagt de uitkering van de man de eerste twee maanden 75 % van het dagloon en met ingang van

1 maart 2009 70 % van het dagloon oftewel € 108,96 bruto per dag. Als gevolg van het einde van het dienstverband van de man bij Stichting Jessour is de man dus in inkomen achteruit gegaan.

14. Bezien zal moeten worden of grond bestaat om aan te nemen dat de man zich als onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid. De vrouw is in dit verband van mening dat het inkomensverlies van de man verwijtbaar is, zodat aan de inkomensvermindering voorbij moet worden gegaan. Zij merkt onder meer op dat de Stichting Jessour succesvol was in het binnenhalen van subsidies en dat het niet aan haar vertrek in april 2006 ligt dat de stichting niet meer in staat was voldoende subsidies binnen te halen. De man heeft er zelf voor gekozen het zakgeldproject onder te brengen bij de Stichting Welzijn Leeuwarden, waardoor de subsidieverlening met ingang van 31 december 2008 is stopgezet. De man heeft regelmatig stichtingsgelden opgenomen via zijn privérekening en via de bankrekening van [kind 3]. De vrouw betwist dat het geen zin zou hebben gehad om te protesteren tegen het ontslag. Het ontslag is voorts verleend door een stroman, aldus de vrouw.

15. Volgens de man is zijn inkomensverlies niet verwijtbaar. De subsidies, waarvan Stichting Jessour afhankelijk was, werden volgens de man voornamelijk verkregen dankzij de inspanningen van de vrouw en door haar vertrek was de stichting niet meer in staat de voor het voortbestaan noodzakelijke subsidies te verkrijgen. Aan de subsidies waren daarnaast voorwaarden verbonden die niet in verhouding stonden tot de hoogte van de beschikbaar gestelde subsidie. Vanaf

1 januari 2009 waren er niet voldoende middelen meer in de stichting. De man is thans niet meer verbonden aan de stichting. Wel hoopt hij weer in dienst te kunnen worden genomen, indien het de stichting lukt het project nieuw leven in te blazen in zijn nieuwe woonplaats [woonplaats]. De man wijst erop dat het einde van zijn dienstverband bij Stichting Jessour is getoetst door het UWV in het kader van de WW-uitkering en dat geen onregelmatigheden zijn geconstateerd. De man acht de beschuldiging van de vrouw dat hij gelden van de stichting heeft verduisterd en dat sprake zou zijn van en stroman die hem ontslag heeft verleend, grievend en ongegrond.

16. Het hof ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen grond om af te wijken van het oordeel van het UWV omtrent het einde van het dienstverband van de man - het UWV heeft kennelijk geen maatregel zoals een weigering of korting van de uitkering geïndiceerd geacht - en zal bij de berekening van de draagkracht van de man derhalve met ingang van 1 januari 2009 uitgaan van het nieuwe inkomen van de man ofwel de aan hem toegekende WW-uitkering. Uit de beschikbare gegevens blijkt weliswaar dat het (gebrekkige) functioneren van de man heeft bijgedragen aan de verslechtering van de financiële situatie van Stichting Jessour en dus ook aan het einde van het dienstverband van de man bij Stichting Jessour, maar dit gebrekkige functioneren is op zichzelf niet voldoende om de inkomensvermindering in het kader van de alimentatie verwijtbaar te achten.

17. Het voorgaande betekent dat het hof met ingang van 1 januari 2009 de draagkracht van de man zal berekenen op basis van de WW-uitkering, meer in bijzonder op grond van de enig beschikbare betaalspecificatie, en over de voorafgaande periode, vanaf 10 juli 2008, op basis van het oude inkomen dat de man had uit hoofde van zijn functie bij Stichting Jessour. Voor zover de man heeft geklaagd dat in eerste aanleg ten onrechte de onkostenvergoeding van

€ 200,- netto per maand in aanmerking is genomen die hij van Stichting Jessour ontving volgt het hof dat niet. De man heeft ook in hoger beroep niet aangetoond dat tegenover de onkostenvergoeding reële kosten staan. Onbestreden is voorts dat de man als directeur en voorzitter van het bestuur zelf een belangrijke, zo niet doorslaggevende, stem had bij het bepalen van de onkostenvergoeding.

* het inkomen uit vermogen

18. De vrouw heeft voorts aangevoerd dat de man de beschikking heeft over een aanzienlijk vermogen dat rendeert. Toen partijen uit elkaar gingen, stond er een positief saldo van € 147.446,96 op de Marokkaanse bankrekening van de man. Dit vermogen behoort tot de gemeenschap van partijen, maar nu de man het vermogen niet heeft willen verdelen, trekt hij daarvan met uitsluiting van de vrouw de rente. Volgens de vrouw moet hiermee rekening worden gehouden bij de berekening van de draagkracht van de man.

19. De man betwist de stellingen van de vrouw. Hij heeft sinds 2007 aanzienlijk moeten interen op zijn vermogen in Marokko. In juli 2009 bedroeg zijn vermogen ongeveer € 30.000,-. Nu het niet mogelijk is geld giraal te laten overmaken vanuit Marokko naar het buitenland, kan de man ook niet beschikken over dat vermogen. Het is volgens hem dan ook niet reëel om met de rente uit dat vermogen rekening te houden. De man zag zich genoodzaakt contanten op te nemen in Marokko.

20. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende gestructureerd inzicht heeft gegeven in de mutaties ten aanzien van het hiervoor vermelde saldo ten tijde van het uit elkaar gaan van partijen en de besteding ervan. Om die reden zal het hof de vrouw volgen in haar standpunt dat ervan uit moet worden gegaan dat de man inkomsten uit vermogen heeft. In de draagkrachtberekeningen zal het hof daarom voormeld bedrag van (afgerond) € 147.446,- in aanmerking nemen.

* de heffingskortingen

21. Volgens de vrouw dient bij de berekening van de draagkracht van de man rekening te worden gehouden met de diverse heffingskortingen waarop de man recht heeft in verband met de twee bij hem wonende minderjarige kinderen. De man heeft er op gewezen dat zijn zoon [kind 2] pas in maart 2009 bij hem is komen wonen.

22. Het hof zal bij de draagkrachtberekeningen rekening houden met de heffingskortingen nu vast staat dat [kind 2] sinds maart 2009 bij de man verblijft en [kind 3] al eerder bij de man verbleef. Het hof verwijst in dit verband naar de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekeningen.

* de woonlasten

23. Overeenkomstig de Trema-normen wordt in beginsel rekening gehouden met de volledige woonlasten, evenwel voor zover redelijk. De beoordeling of de woonlasten redelijk zijn geldt het totaal van de netto woonlasten (dus bij een eigen woning ook de aflossing / premie levensverzekering en het forfait overige eigenaarslasten). Is dit totaal onredelijk hoog dan wordt een korting toegepast.

24. De man stelt dat hij naar [woonplaats] is verhuisd, omdat daar de mogelijkheden voor hem voor ander werk veel gunstiger zouden zijn dan in Leeuwarden. Bovendien heeft hij daar familie en kennissen wonen. Volgens hem is de verhuizing daarom een redelijke keuze. Omdat er voor huurwoningen lange wachtlijsten bestaan in [woonplaats], kon hij slechts op korte termijn woonruimte vinden door een woning te kopen. Met ingang van 4 februari 2009 zijn de woonlasten daarom gewijzigd.

25. De vrouw vindt het onbegrijpelijk dat de man in staat was om op 4 februari 2009 een woning te kopen, terwijl hij op 10 oktober 2008 al wist dat zijn dienstbetrekking bij de stichting zou eindigen. Het had op de weg van de man gelegen om een woning te betrekken met een lagere woonlast. De huidige woonlasten zijn volgens de vrouw onevenredig hoog en dus niet acceptabel. Zij verzoekt het hof daarom de woonlasten te matigen.

26. Het hof is van oordeel dat het de man vrij stond om na de echtscheiding een nieuw leven op te bouwen en ook om dat in [woonplaats] te doen in plaats van in Leeuwarden. Dat de man de financiering voor zijn woning rond heeft kunnen krijgen ondanks het baanverlies bij Jessour doet niet af aan het uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met volledige woonlasten voor zover redelijk. Het hof zal met ingang van 1 maart 2009 rekening houden met de gewijzigde woonlasten van de man, hetgeen betekent dat een derde periode wordt onderscheiden, namelijk die na 1 maart 2009, evenwel tot de norm voor een redelijke woonlast.

* de premie levensverzekering

27. De vrouw is van mening dat de premie levensverzekering van € 150,- per maand buiten beschouwing moet worden gelaten. De man heeft hiervan geen bewijsstuk overgelegd en de premie is volgens de vrouw voorts bovenmatig.

28. Gelet op het door de man bij zijn verweerschrift ter zake van het incidenteel appel overgelegde betalingsbewijs met betrekking tot een premie van € 159,55 voor een ABN Amro Startzeker verzekering, is naar het oordeel van het hof voldoende aangetoond dat de man daadwerkelijk deze premie betaalt. Voorts acht het hof aannemelijk dat deze premie gekoppeld is aan de hypotheek van de man zodat deze tot de woonlasten van de man gerekend moet worden. Zoals het hof hiervóór heeft overwogen, zal in beginsel (over de periode vanaf 1 maart 2009) rekening worden gehouden met de totale woonlasten betreffende de nieuwe woning van de man, echter tot de norm voor een redelijke woonlast.

29. Uit de door de man verstrekte hypotheekgegevens blijkt in dit verband een totale maandelijkse rentelast van € 854,- per maand betreffende de nieuwe woning van de man. Bij het eigenwoninforfait is het hof uitgegaan van de uit de koopovereenkomst blijkende aanschafwaarde van de woning van € 178.000,- .

* de ziektekosten

30. De vrouw merkt op dat, indien de man niet verwijtbaar werkloos is, hij in aanmerking komt voor zorgtoeslag. Deze toeslag dient in de draagkracht- berekening te worden opgenomen, zo stelt de vrouw. De vrouw wijst er voorts op dat de man geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat het eigen risico is gerealiseerd, zodat dit niet in de berekening betrokken dient te worden.

31. Aangezien de man geen stukken omtrent de Zorgtoeslag heeft overgelegd, heeft het hof een proefberekening gemaakt op basis van de laatste WW-specificatie van de man over 2009. Daaruit blijkt dat de man recht heeft op € 57,- zorgtoeslag per maand. Dit bedrag zal het hof in de draagkrachtberekening met betrekking tot de periode na 1 januari 2009 opnemen. Het eigen risico is door de man niet aangetoond en zal buiten beschouwing worden gelaten.

32. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de de door de man bij het beroepschrift overgelegde premiespecifactie van zijn ziektekostenverzekering, waaruit een totale premie blijkt van afgerond € 109,- per maand vanaf 1 januari 2009.

* de kosten van de omgangsregeling met [kind]

33. Uitgangspunt op grond van de Trema-normen is dat bij kinderalimentatie alleen rekening wordt gehouden met de aan de omgangsregeling verbonden verblijfskosten, tenzij bijzondere omstandigheden worden gesteld en aannemelijk gemaakt op grond waarvan het redelijk is om tevens rekening te houden met een bedrag aan reiskosten.

34. De man heeft aangevoerd dat door zijn verhuizing naar [woonplaats] de kosten van de omgangsregeling met [kind] zijn gestegen. De man wijst erop dat de afstand van een enkele reis 216 kilometer bedraagt en dat die afstand per omgangsweekeinde vier keer gereden moet worden. De man begroot de totale kosten verbonden aan de omgangsregeling op € 118,- per vier weken.

35. De vrouw betwist de verhoogde omgangskosten, aangezien de man er zelf voor heeft gekozen naar [woonplaats] te verhuizen, terwijl de noodzaak voor die verhuizing ontbrak. Bovendien wordt volgens de vrouw geen uitvoering gegeven aan de omgangsregeling met [kind].

36. Het hof stelt vast dat bij partijen geen overeenstemming bestaat omtrent de frequentie waarop in de praktijk uitvoering wordt gegeven aan de omgangsregeling, terwijl geen van partijen voorts zijn stellingen dienaangaande heeft aangetoond. Het hof zal daarom, nu op dit punt onduidelijkheid is blijven bestaan, de omgangskosten naar redelijkheid vaststellen op € 35,- per maand. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat, zoals hiervoor reeds bij de woonlasten van de man is overwogen, de economische en sociale redenen die de man heeft opgegeven voor zijn verhuizing niet onredelijk zijn ten opzichte van zijn onderhoudsverplichtingen. Ook de onderhoudsgerechtigden hebben er immers belang bij dat de man in gunstige (economische) omstandigheden vertoeft. Aan de andere kant is het geheel ten laste brengen van de reiskosten van de omgang op de draagkracht van de man in het kader van kinderalimentatie, onredelijk. [kind] en de vrouw dragen dan een te groot gedeelte van deze door de man veroorzaakte last.

* de behoefte van [kind 2]

37. In eerste aanleg heeft de rechtbank het betoog van de man verworpen dat de meerkosten die de man heeft voor zijn onderhoudsverplichting ten aanzien van [kind 2] in de draagkrachtberekening moeten worden betrokken. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de man alleen het gezag heeft over [kind 2] en het zijn keuze is geweest om [kind 2] in Marokko te laten zijn, waar een lagere levenstandaard heerst en waar, zoals de man stelt, voor vergelijkbaar onderwijs als in Nederland, meer kosten nodig zijn. De rechtbank heeft om die reden (naar het hof begrijpt uit de bestreden beschikking) geen aanleiding gezien om af te wijken van het uitgangspunt dat de voor alimentatie beschikbare draagkrachtruimte gelijkelijk over de kinderen waarvoor de man onderhoudsplichtig is wordt verdeeld. Het hof onderschrijft dat oordeel van de rechtbank en maakt dit tot de zijne. Hetgeen de man heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

* de herinrichtingskosten

38. Tussen partijen is voorts in geschil of en in hoeverre rekening moet worden gehouden met kosten van herinrichting.

39. Met de kosten van herinrichting van degene die aan zijn ex-partner de inboedel heeft gelaten kan in het algemeen, afhankelijk van de omstandigheden geheel of ten dele rekening worden gehouden. Indien het echter zoals hier gaat om kinderalimentatie, wordt alleen met noodzakelijke lasten rekening gehouden welke ten opzichte van het kind als redelijke uitgaven kunnen worden beschouwd.

40. De man stelt dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de kosten van de lening voor herinrichtingskosten, nu hij daarop heeft afgelost. De man heeft bij zijn brief van 29 januari 2010 kopieën van bonnen overgelegd. Daaruit blijkt volgens de man dat hij herinrichtingskosten heeft gemaakt en derhalve de lening nodig had.

41. De vrouw betwist onder meer de noodzaak van het aangaan van de lening, aangezien de man in het kader van de verdeling al enkele grote inboedelgoederen heeft ontvangen. Volgens de vrouw had de man de door hem gestelde kosten kunnen voldoen uit het vermogen dat hij in Marokko op een bankrekening heeft staan.

42. Het hof volgt de vrouw in haar standpunt dat de noodzaak van de lening voor kosten van herinrichting niet door de man is aangetoond, mede gelet op het vermogen dat de man tot zijn beschikking had op de rekening in Marokko. Het hof zal op deze post derhalve geen last in aanmerking nemen bij de berekening van de draagkracht van de man.

43. Hierbij wijst het hof erop dat de man zijn financiële keuzes mede zal dienen te laten leiden door zijn onderhoudsverplichtingen, omdat volgens geldend recht telkens zal dienen te worden beoordeeld of de lasten dermate noodzakelijk zijn dat zij ten laste van de kinderalimentatie kunnen komen hetgeen doorgaans, in ieder geval voor kosten van herinrichting, niet spoedig het geval zal zijn.

* de aflossing van de lening ten behoeve van de aanschaf van een auto

44. Tussen partijen is voorts in geschil of de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man al dan niet terecht rekening heeft gehouden met een last van € 250,- per maand op de post 'aflossing van schulden'.

45. Het hof stelt voorop dat in beginsel alle schulden van invloed zijn op de draagkracht van de onderhoudsplichtige en dat hieraan niet af doet dat een schuld is aangegaan na het verbreken van de samenwoning of echtscheiding dan wel is aangegaan om schulden die stammen uit de periode van samenwoning dan wel huwelijkse periode af te lossen. Evenmin is vereist dat op de schulden wordt afgelost (HR 11 juli 2008, NJ 2008/402). Betaling van rente en aflossing op schulden, aangegaan ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding vóór de samenwoning van de echtgenoten werd verbroken, en andere uit die tijd stammende verplichtingen worden altijd in aanmerking genomen. Voor schulden aangegaan na een relatiebreuk of ontbinding van het huwelijk zal echter beoordeeld moeten worden of het aangaan van de schuld dermate noodzakelijk is dat deze dient te prevaleren boven de onderhoudsverplichting.

46. Volgens de vrouw moet de aflossing van de lening ten behoeve van de aanschaf van een auto buiten beschouwing worden gelaten. De man heeft de auto tijdens het huwelijk aangeschaft. De lening die daarvoor was afgesloten, is op 3 januari 2007 geheel afgelost. De vrouw plaatst haar vraagtekens bij de overgelegde verklaringen van [naam] en [naam]. Ook het bestaan van de lening bij de stichting wordt door de vrouw betwist.

47. De man wijst erop dat het feit, dat er op 18 oktober 2007 een verklaring is opgesteld met betrekking tot de lening van € 7.000,--, niet betekent dat het geld pas op die dag zou zijn verstrekt. Omdat er vanuit de stichting een lening werd verstrekt, kon de man in januari 2008 de lening voor de auto terugbetalen. De lening is pas in februari 2008 verstrekt, zodat een nabetaling van het salaris in december 2007 niet met de verstrekte lening kon worden verrekend.

48. Het hof is van oordeel, gelet op de sterk uiteenlopende visies van partijen op deze schuld en gelet op hetgeen hiervóór omtrent het vermogen van de man is overwogen, dat de noodzakelijkheid van deze last ten opzichte van het belang van de onderhoudsgerechtigde onvoldoende is aangetoond en dat wegens de onduidelijkheid die is blijven bestaan omtrent het moment waarop de schuld is ontstaan evenmin is aangetoond dat deze schuld moet worden aangemerkt als een huwelijkse schuld. Het hof zal, anders dan in eerste aanleg, deze post daarom buiten beschouwing laten bij de berekening van de draagkracht van de man.

* de draagkrachtberekeningen

49. Al hetgeen hiervóór is overwogen omtrent de draagkracht van de man en mede in aanmerking genomen de niet betwiste posten in de draagkrachtberekening in eerste aanleg, leidt tot de door de griffier gewaarmerkte en aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekeningen.

50. Uit de draagkrachtberekening met betrekking tot de eerste periode vanaf de ingangsdatum 10 juli 2008 - de dag van ontbinding van het huwelijk van partijen -

tot 1 januari 2009 (tarieven 2008/2), blijkt dat de man € 836,- beschikbaar heeft voor alimentatie, uitgaande van de 60 % norm. Evenals in eerste aanleg is het hof bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Voor de correcties op de draagkrachtberekening in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen hiervóór omtrent de geschilpunten is overwogen. De beschikbare draagkracht van € 836,- per maand dient te worden aangewend voor drie kinderen, hetgeen betekent dat per kind een bedrag van

€ 279,- per maand beschikbaar is (exclusief fiscaal voordeel). Inclusief fiscaal voordeel buitengewone uitgaven kinderen van € 48,- is dat € 327,- per maand. De onderhoudsplicht van de man wordt echter mede begrensd door de behoefte dan wel het aandeel van de man als mede-onderhoudsplichtige in de behoefte, waarover hierna meer.

51. Uit de draagkrachtberekening met betrekking tot de periode van 1 januari 2009 tot 1 maart 2009 (tarieven 2009/1) blijkt dat de man € 346,- per maand beschikbaar heeft voor alimentatie. Verdeeld over drie kinderen is dat afgerond € 115,- per kind. Met toerekening van het fiscaal voordeel voor de man van € 49,- voor buitengewone uitgaven kosten kinderen is dat € 164,- per maand. Het hof zal de kinderbijdrage in deze periode daarom bepalen op € 164,- per maand.

52. Uit de draagkrachtberekening met betrekking tot de periode vanaf 1 maart 2009 (tarieven 2009/2) blijkt dat de man € 323,- per maand beschikbaar heeft voor kinderalimentatie, oftewel (per kind) draagkracht voor een bijdrage van afgerond € 108,- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind]. Met toerekening van het fiscaal voordeel van € 49,- per maand is dat € 157,- per maand.

De draagkracht van de vrouw en de verdeling van de behoefte van [kind]

53. De rechtbank heeft in eerste aanleg de draagkracht van de vrouw berekend op de wijze als neergelegd in de aan de bestreden beschikking gehechte draagkrachtberekening, toegelicht in de bestreden beschikking, en vervolgens een draagkrachtvergelijking gemaakt ter beantwoording van de vraag hoe groot het aandeel van partijen in de behoefte van [kind] is.

54. De vrouw heeft in dit verband in haar incidenteel appel aangevoerd dat haar draagkracht aanmerkelijk lager is dan door de rechtbank is vastgesteld (en dus het aandeel van de man in de behoefte groter is). Daartoe heeft zij onder meer gewezen op de kosten van kinderopvang, die volgens haar dienen te worden verhoogd met een bedrag van € 20,- per maand ter zake van kosten die de vrouw dient te betalen voor het bemiddelingsbureau gastouders en voorts op advocaatkosten die volgens haar nog dienen te worden meegenomen.

55. Het hof is van oordeel dat onvoldoende recente gegevens omtrent de financiële situatie van de vrouw beschikbaar zijn om een adequate draagkrachtvergelijking te kunnen maken. Ook na het betreffende verweer van de man is de vrouw, in tegenstelling tot de man die wel recente gegevens heeft ingebracht, in gebreke gebleven recente gegevens en bescheiden in het geding te brengen omtrent haar huidige inkomen en lasten. Het hof ziet daarin aanleiding om de hiervóór vastgestelde behoefte van [kind] van € 644,- gelijkelijk, dat wil zeggen ieder de helft, over partijen te verdelen. Hieruit volgt dat de man in de eerstgenoemde periode (tot 1 januari 2009) niet meer dan € 322,- per maand hoeft bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind].

Slotoverwegingen

56. Al hetgeen hiervóór is overwogen leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en dat opnieuw zal worden beslist als na te melden.

57. Eventueel teveel door de man betaalde kinderalimentatie als gevolg van deze beslissing behoeft door de vrouw niet te worden terugbetaald aan de man gelet op het consumptieve karakter ervan, alsmede gelet op het feit dat de man geen bijdrage heeft betaald die hoger is dan de behoefte van [kind].

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 28 januari 2009 voor zover aangevochten;

en in zoverre opnieuw beslissende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam kind], geboren op [2000]:

- met ingang van 10 juli 2008 tot 1 januari 2009 op € 322,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2009 tot 1 maart 2009 op € 164,- per maand en

- met ingang van 1 maart 2009 op € 157,- per maand;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Aldus gegeven door mrs. Garos, voorzitter, Dijkstra en Zandbergen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 19 oktober 2010 in bijzijn van de griffier.