Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BP0622

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
200.028.068
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Slechts wanneer zwaarwegende belangen van het kind zich verzetten tegen een langer (hoofd) verblijf bij de ene ouder, kan er aanleiding zijn de (hoofd) verblijfplaats te wijzigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 23 november 2010

Zaaknummer 200.028.068

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[Naam vader],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. C. Wiggers, kantoorhoudende te Leek,

tegen

[naam moeder],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. W.Chr. de Roos, kantoorhoudende te Groningen.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 23 december 2008 heeft de rechtbank Groningen het hoofdverblijf van de minderjarigen [kind 1], geboren op [2004] in de gemeente [plaats], en [kind 2], geboren op [2005] in de gemeente [plaats], bij de moeder bepaald en een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen vastgesteld, inhoudende dat de vader gerechtigd is de minderjarigen één lang weekend per veertien dagen van donderdagmiddag na school tot zondagavond 19:00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, bij zich te ontvangen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 10 maart 2009, heeft de vader verzocht de beschikking van 23 december 2008 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem zal zijn, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie vermoge te behagen. Subsidiair heeft de vader verzocht te bepalen dat een omgangsregeling zal hebben te gelden tussen hem en de kinderen gedurende een weekend in de veertien dagen van donderdagmiddag na school tot zondagavond 19:00 uur, in het andere weekend van de vrijdagochtend 9:00 uur tot zaterdagmiddag 12:30 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie vermoge te behagen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 4 mei 2009, heeft de moeder het verzoek bestreden en verzocht het primaire en subsidiaire verzoek van de vader tegen de bestreden beschikking af te wijzen.

Tevens heeft de moeder bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikking van 23 december 2008 te vernietigen voor zover daarbij een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen is vastgesteld en opnieuw beslissende te bepalen dat een omgangsregeling zal hebben te gelden tussen de vader en de minderjarigen gedurende één weekend in de veertien dagen van vrijdagmiddag 16:00 uur (12:00 uur zolang nog geen der kinderen vrijdagmiddag naar school dient te gaan) tot zondagmiddag 17:00 uur, alsmede de helft van de vakanties, een en ander in nader overleg te verdelen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 20 november 2009, heeft de vader het verzoek in het incidenteel beroep bestreden.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van

26 maart 2009 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) en een brief van 29 april 2010 van Samen-Mediation.

Ter zitting van 27 september 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vader en de moeder, beiden bijgestaan door hun advocaat.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Uit het huwelijk tussen partijen zijn [kind 1] en [kind 2] geboren. Partijen hebben van rechtswege gezamenlijk het gezag over de minderjarigen. [kind 1] en [kind 2] hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.

2. Het huwelijk tussen partijen is op 10 november 2008 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 12 augustus 2008 in de registers van de burgerlijke stand.

3. Naar aanleiding van het inleidend verzoek van de moeder heeft de rechtbank beslist zoals hiervoor onder 'Het geding in eerste aanleg' is weergegeven. De vader heeft tegen die beschikking hoger beroep ingesteld. De moeder heeft incidenteel appel ingesteld.

De overwegingen

4. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW geldt, kort gezegd en voor zover hier van belang, dat een geschil tussen de ouders omtrent de uitoefening van het gezamenlijk gezag over een minderjarige aan de rechter kan worden voorgelegd en dat deze een zodanige beslissing neemt als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van het tweede lid kan zo'n verzoek onder meer betrekking hebben op het hoofdverblijf van het kind en de toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.

Ten aanzien van het hoofdverblijf

5. Tussen partijen is in geschil bij wie van hen de kinderen hun hoofdverblijf moeten hebben. Het hof overweegt hieromtrent dat het in beginsel in het belang van een kind is dat zijn hoofdverblijf niet wordt gewijzigd. Slechts wanneer zwaarwegende belangen van dat kind zich verzetten tegen een langer (hoofd)verblijf bij de betreffende ouder, kan er aanleiding zijn de gewone verblijfplaats te wijzigen. Van zodanige zwaarwegende belangen is met name sprake, wanneer blijkt dat de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft ernstig tekort schiet in de verzorging en opvoeding van dit kind.

6. De vader stelt zorgen te hebben ten aanzien van de opvoedkwaliteiten van de moeder. Volgens hem is met name [kind 1] stiller en meer teruggetrokken geworden. De moeder betwist dit. Het hof overweegt dat de vader zijn stelling met betrekking tot de opvoedkwaliteiten van de moeder niet heeft onderbouwd. Hij heeft geen stukken overgelegd waaruit kan blijken dat de moeder de kinderen geen goede opvoeding kan bieden en dat de kinderen als gevolg daarvan problemen ondervinden. De vader wijst erop dat hij meldingen heeft gedaan bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK) en dat hij zich heeft gemeld bij Bureau Jeugdzorg (hierna: BJZ). Daarvan heeft hij geen stukken overgelegd. Bovendien heeft noch het AMK noch BJZ in de door de vader gestelde meldingen aanleiding gezien in het belang van de kinderen een onderzoek in te stellen dan wel maatregelen te treffen. Voorts is niet gebleken dat het op school met de kinderen niet goed gaat. Daar komt bij dat de kinderen onder behandeling zijn bij Lentis. Ook vanuit Lentis zijn geen zorgen gemeld omtrent de kinderen, terwijl eventuele problemen in de opvoeding juist bij Lentis aan het licht zouden komen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat de moeder ernstig tekort schiet in de verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2].

7. Naar het oordeel van het hof zijn er ook geen andere belangen die zo zwaarwegend zijn dat zij aan een langer (hoofd)verblijf van [kind 1] en [kind 2] bij de moeder in de weg staan. De vader wijst er in dit kader op dat hij tijdens de samenwoning van partijen een grote rol heeft gehad in de verzorging en opvoeding van de kinderen en voorts dat hij in de voormalige echtelijke woning is blijven wonen. Volgens hem zal wijziging van het hoofdverblijf rust en stabiliteit creëren voor de kinderen. Het hof volgt de man niet in deze stelling. Partijen zijn ruim twee jaar geleden uit elkaar gegaan en sindsdien verblijven de kinderen bij de moeder. Daardoor is inmiddels de woonplaats van de moeder voor hen een vertrouwde omgeving geworden. Wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen zal derhalve de rust, stabiliteit en continuïteit juist doorbreken. Daarnaast overweegt het hof dat de vader weliswaar momenteel geen baan heeft, waardoor hij de kinderen de hele dag kan opvangen, maar deze situatie is naar verwachting slechts van tijdelijke aard. Bovendien heeft de moeder een baan waarbij zij slechts tijdens de ochtenden werkt, terwijl [kind 1] en [kind 2] beiden naar school gaan.

8. Daar komt bij dat is gebleken dat de situatie bij de vader gevaarlijk is door het gedrag van de ex-vriend van de huidige partner van de vader jegens het gezin van de vader. Vanwege die omstandigheid zijn de drie kinderen van de partner in pleeggezinnen geplaatst. Het hof acht het daarom niet in het belang van de kinderen om hen uit de stabiele situatie bij de moeder te halen en hen te plaatsen in de gevaarlijke gezinssituatie van de vader.

9. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet in het belang van [kind 1] en [kind 2] is om te bepalen dat zij hun hoofdverblijf voortaan bij de vader zullen hebben.

Ten aanzien van de omgangsregeling

10. Ter zitting hebben partijen het hof verzocht een omgangsregeling tussen de niet-verzorgende ouder en de kinderen vast te stellen overeenkomstig hetgeen tussen partijen in het kader van mediation is overeengekomen.

11. Gelet op de bereikte overeenstemming zal de behandeling van de grieven van partijen met betrekking tot de omgangsregeling achterwege worden gelaten, nu het belang daaraan is komen te ontvallen. Nu het hof het hoofdverblijf van de kinderen niet zal wijzigen, zal het hof tussen de vader en de kinderen vaststellen de omgangsregeling vaststellen zoals partijen die in onderling overleg zijn overeengekomen.

Slotsom

12. De beschikking waarvan beroep dient gedeeltelijk te worden vernietigd en er zal opnieuw worden beslist zoals hieronder aangegeven.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen is vastgesteld;

en in zoverre opnieuw beslissende:

stelt tussen de vader en de minderjarigen [kind 1], geboren op

[2004], en [kind 2], geboren op [2005],

een omgangsregeling vast overeenkomstig hetgeen partijen in onderling overleg zijn overeengekomen en zoals dit is opgenomen in de brief van 29 april 2010, waarvan een kopie aan deze beschikking is gehecht;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G. Jonkman, voorzitter, J.D.S.L. Bosch en

R. Feunekes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 november 2010 in bijzijn van de griffier.