Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BP0583

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
200.054.772
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoewel niet wordt getwijfeld aan de wijze waarop grootmoeder de huidige omgang met haar kleindochter invult, wordt haar verzoek om die regeling uit te breiden afgewezen, omdat het belang van de kleindochter zich om andere redenen daartegen verzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 30 november 2010

Zaaknummer 200.054.772

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[naam grootmoeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de grootmoeder,

advocaat mr. I. Wagenaar,

kantoorhoudende te Groningen,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland,

gevestigd te Leeuwarden,

geïntimeerde,

hierna te noemen: BJZ.

Belanghebbenden:

1. [naam moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

2. [naam vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

3. [naam pleegouders],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 2 december 2009 heeft de rechtbank Leeuwarden tussen de grootmoeder en de minderjarige [kind 1], geboren op [2003] te [geboorteplaats], een omgangsregeling vastgesteld van één dag per twee maanden van 9.00 uur tot 17.00 uur.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 21 januari 2010, heeft de grootmoeder verzocht de beschikking van 2 december 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat een omgangsregeling zal gelden inhoudende dat de grootmoeder gerechtigd is [kind 1] één keer in de twee maanden van 9.00 uur tot de volgende dag 17.00 uur bij zich te ontvangen, alsmede een weekje in de grote vakantie.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 3 juni 2010, heeft BJZ het verzoek bestreden en verzocht het appel af te wijzen en de beschikking van

2 december 2009 te bekrachtigen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 5 januari 2010 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) en een brief van 7 oktober 2010 met bijlagen van BJZ.

Ter zitting van 19 oktober 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn:

- de grootmoeder, bijgestaan door mr. I. Wagenaar;

- [naam], namens BJZ;

- [de gezinsvoogd];

- de moeder;

- de pleegouders;

- [naam], namens de raad.

De beoordeling

De feiten

1. [kind 1] woont sinds 13 april 2006 bij de pleegouders. Sinds 7 maart 2007 staat zij onder toezicht van BJZ en geldt ten aanzien van haar een machtiging tot uithuisplaatsing.

2. De grootmoeder heeft zich op 24 september 2008 tot de rechtbank gewend met

het verzoek een uitgebreidere omgangsregeling tussen haar en [kind 1] vast te

stellen. Op dat moment zagen de grootmoeder en [kind 1] elkaar eens per drie

maanden gedurende 1,5 uur in aanwezigheid van de moeder.

3. Bij beschikking van 17 december 2008 is een voorlopige omgangsregeling tussen

[kind 1] en de grootmoeder vastgesteld in die zin dat [kind 1] gedurende twee keer

één middag per twee maanden en vervolgens één dag per twee maanden bij de

grootmoeder thuis zal komen.

4. Bij de beschikking waarvan beroep is beslist als hiervoor vermeld onder "Het

geding in eerste aanleg". Tegen deze beslissing is het appel van de grootmoeder

gericht.

De overwegingen

5. De omgang tussen een minderjarig kind en andere personen dan de ouders is sinds

de inwerkingtreding op 1 maart 2009 van de Wet bevordering voortgezet

ouderschap en zorgvuldige scheiding geregeld in artikel 1:377a BW.

6. Het belang van [kind 1] staat hier centraal. Het hof acht het niet in haar belang dat de thans van kracht zijnde omgangsregeling met de grootmoeder wordt uitgebreid. Gevreesd wordt dat uitbreiding van deze omgangsregeling ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [kind 1]. Niet omdat het hof twijfelt aan de capaciteiten van de grootmoeder om op een adequate en voor [kind 1] prettige wijze invulling te geven aan de omgang, maar omdat aanmerkelijke onrust en spanningen voortvloeien uit de thans reeds bestaande omgang met de grootmoeder.

7. Zowel uit de verklaringen van de grootmoeder als die van de gezinsvoogd komt naar voren dat [kind 1] het naar haar zin heeft tijdens de omgang met de grootmoeder. De pleegouders en de gezinsvoogd maken [kind 1] echter ook vóór en ná die tijd mee. Zij ervaren dat [kind 1] dan veel spanningsklachten laat zien. Dat uit zich in buikpijn, onrustig slapen, vaak plassen, vermoeidheid en zelfs overgeven. [kind 1] heeft vervolgens moeite weer in haar dagelijkse ritme te komen.

8. De rondom de omgang met de grootmoeder bij [kind 1] waargenomen problemen staan niet op zich. Uit een rapport van Accàre van 3 juni 2010 komt naar voren dat [kind 1] hechtingsproblemen heeft als gevolg van een belaste voorgeschiedenis. Zij is een kwetsbaar en angstig kind. Veranderingen hebben snel een nadelig effect op haar. Accàre concludeert dat een stabiele omgeving voor [kind 1] van zeer groot belang is voor haar dagelijkse functioneren en welzijn. Voor de toekomst geldt dat de ontwikkeling van [kind 1] goed moet worden blijven gevolgd, omdat zij meer risico loopt dan gemiddeld om psychische problemen te ontwikkelen.

9. De pleegmoeder heeft ter zitting aangegeven dat [kind 1] nu ook problemen op school laat zien. Zij heeft daar veel last van boze buien en vraagt op een negatieve manier aandacht. Met het oog op deze ontwikkeling heeft Accàre de pleegouders therapie aangeboden voor [kind 1]. Omdat de situatie rondom [kind 1] echter niet stabiel is kan deze therapie niet starten. Gedacht wordt nu aan systeemtherapie.

10. [kind 1] heeft niet alleen omgang met de grootmoeder, maar ook met de moeder en de vader afzonderlijk. Voor een zesjarig meisje met een beperkte draagkracht als [kind 1] is bij de huidige stand van zaken al sprake van een pittig programma voor wat betreft de verschillende vormen en momenten van omgang. Daarnaast gaat zij naar school. Een uitbreiding van de omgang met de grootmoeder is voor een kwetsbaar kind als [kind 1] op dit moment teveel van het goede. In combinatie met al het overige ligt het gevaar voor overbelasting op de loer.

11. Gelet op de ernst van de problematiek van [kind 1] en haar heftige reactie op de omgang met de grootmoeder in samenhang met de complexiteit van de totale situatie rondom [kind 1], bestaat thans reeds het risico dat zij wordt overvraagd. Bovendien maakt de onrust rondom de omgang met de grootmoeder dat geen aanvang kan worden gemaakt met de therapie bij Accàre. Het hof acht het thans het meest in het belang van [kind 1] dat de huidige situatie wordt gestabiliseerd en dat zoveel mogelijk rust voor haar wordt gecreëerd en bewaard. De door de grootmoeder gewenste uitbreiding van de omgangsregeling past daar niet in.

Slotsom

12. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, B.J.J. Melssen en

R. Feunekes, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van

30 november 2010 in het bijzijn van de griffier.