Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO7907

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
20-12-2010
Zaaknummer
24-001016-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie Al-Daraaj (24-001016-10)

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van diefstal en tweemaal aan het plegen van mishandeling.

Er lijkt sprake te zijn van een positieve wending in het leven van verdachte.

Verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van zestig uren.

Gelet op genoemde positieve verandering gelast het hof in plaats van het geven van een last tot tenuitvoerlegging van een gedeelte van zes maanden jeugddetentie die hem voorwaardelijk zijn opgelegd bij een vonnis van de rechtbank Leeuwarden, een werkstraf voor de duur van zestig uren en wijst het hof het overige gedeelte van de vordering af en verlengt de bij dit vonnis gestelde proeftijd met een jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001016-10

Parketnummer eerste aanleg: 17-682044-09

Parketnummer TUL: 17-676359-08

Arrest van 30 november 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van

6 april 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1994] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. S.O. Roosjen, advocaat te Drachten.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De rechtbank Leeuwarden heeft verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

Verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde zal vrijspreken en verdachte ter zake het onder

1 subsidiair (diefstal en mishandeling) en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van

60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging zal gelasten van een deel van de jeugddetentie, de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden d.d. 28 mei 2009, te weten 1 maand jeugddetentie, met dien verstande dat deze jeugddetentie zal worden omgezet in een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof voor het overige zal volstaan met verlenging van de proeftijd voor de duur van 1 jaar met als bijzondere voorwaarde een verplicht jeugdreclasseringstoezicht.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 22 oktober 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen patat, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

[slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, die [slachtoffer] (met kracht) tegen de kuit/het been heeft geschopt;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 22 oktober 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen patat, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en/of

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (met kracht) tegen de kuit/het been heeft geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 22 oktober 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [ slachtoffer 2]), (met kracht) tegen het (boven)been heeft geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Vrijspraak ter zake het onder 1 primair ten laste gelegde

Het hof acht met de advocaat-generaal en de raadsman niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 subsidiair.

hij op 22 oktober 2009 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen patat, toebehorende aan [slachtoffer] en opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], tegen het been heeft geschopt, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 22 oktober 2009 te [plaats], opzettelijk mishandelend een persoon, te weten

[ slachtoffer 2], met kracht tegen het bovenbeen heeft geschopt, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1 subsidiair.

diefstal

en

mishandeling;

2.

mishandeling.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 22 oktober 2009 op de kermis in [plaats] zonder aanleiding

een bezoeker van de kermis, [slachtoffer], tegen zijn been geschopt en een bakje patat van hem afgepakt. Voorts heeft hij, eveneens zonder dat hiertoe enige aanleiding bestond, ook een andere bezoeker van de kermis, [ slachtoffer 2], met kracht tegen zijn bovenbeen geschopt.

Verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke integriteit van die [slachtoffer] en [ slachtoffer 2] geschonden en hun pijn toegebracht en voorts een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [slachtoffer].

Het hof hanteert ter zake van dergelijke delicten een oriëntatiepunt voor straftoemeting dat in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf impliceert.

Uit het verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 september 2010 blijkt - ten nadele van verdachte - dat hij reeds eerder ter zake van mishandeling is veroordeeld.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan is gebleken uit de door de Raad voor de Kinderbescherming over verdachte opgemaakte rapporten van 23 oktober 2009, 12 januari 2010 en

12 oktober 2010, en ter terechtzitting van het hof door verdachte en zijn raadsman naar voren zijn gebracht.

Uit het meest recente rapport van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat verdachte onder toezicht is gesteld en wordt begeleid door de jeugdreclassering. Inmiddels is er sprake van positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte. Waar de Raad zich in een eerdere rapportage van 23 oktober 2009 nog zorgen maakte omtrent de persoonlijkheid van verdachte, zijn schoolgang en de ondersteuning door zijn ouders, geeft de Raad nu aan dat het goed gaat met verdachte. Hij gaat naar school, loopt stage, heeft in het weekend een bijbaantje en wordt door zijn vader nadrukkelijk begeleid. Vader geeft verdachte de begeleiding die hij nodig heeft, terwijl verdachte nu zelf ook geen problemen meer met de politie wil.

Ter terechtzitting van het hof heeft een medewerker van de jeugdreclassering, [persoonsnaam], de bevindingen van de Raad voor de Kinderbescherming bevestigd en verklaard dat ook de jeugdreclassering thans tevreden is over verdachte.

Genoemde ontwikkeling in het leven van verdachte lijkt ook te worden onderschreven door het uitblijven van hernieuwd contact tussen de verdachte en politie en justitie sinds de delicten die op 22 oktober 2009 zijn gepleegd.

Het hof is - evenals de advocaat-generaal - van oordeel dat de positieve ontwikkeling van verdachte ondersteuning verdient en zal derhalve het advies van de Raad voor de Kinderbescherming opvolgen en aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf opleggen van na te melden duur.

Tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Leeuwarden d.d. 28 mei 2009 is aan veroordeelde - voor zover van belang - 6 maanden jeugddetentie voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaren. Voormeld vonnis is onherroepelijk geworden op 12 juni 2009. De proeftijd is ingegaan op diezelfde datum.

De officier van justitie heeft d.d. 2 maart 2010 gevorderd dat last tot tenuitvoerlegging zal worden gegeven van voormelde jeugddetentie, omdat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de bewezen verklaarde feiten. Gebleken is dat veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de gestelde proeftijd.

Het hof ziet in de omtrent verdachte opgemaakte rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 12 januari 2010 en 12 oktober 2010 en in hetgeen overigens aangaande de persoonlijke omstandigheden van verdachte ter terechtzitting van het hof naar voren is gebracht, aanleiding slechts de gedeeltelijke tenuitvoerlegging te gelasten van voormelde straf en deze om te zetten in een werkstraf, zoals ook door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof zal een gedeelte van zes maanden jeugddetentie, te weten één maand jeugddetentie, omzetten in een werkstraf voor de duur van 60 uren.

Het hof zal voor het deel van de (voorwaardelijke) jeugddetentie dat niet ten uitvoer wordt gelegd, de proeftijd verlengen met één jaar. Dit heeft met name ten doel verdachte op het juiste pad te houden.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77cc, 77dd, 77gg, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van zestig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie voor de duur van dertig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

gelast (in plaats van het geven van een last tot tenuitvoerlegging van 1 maand van de

6 maanden jeugddetentie de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Leeuwarden van 28 mei 2009 met parketnummer 17-676359-08) een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van zestig uren met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie voor de duur van dertig dagen zal worden toegepast;

wijst voor het overige gedeelte af de vordering tot tenuitvoerlegging van de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Leeuwarden van 28 mei 2009;

verlengt de bij vonnis van de meervoudige kamer te Leeuwarden van 28 mei 2009 gestelde proeftijd met één jaar.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S.H. Wachter, voorzitter, mr. H.J. Deuring en

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen als griffier.