Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO7566

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
16-12-2010
Zaaknummer
24-002802-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Mishandeling. 2. Wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Hogere straf dan door de politierechter opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd. Oplegging van voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, en oplegging van een werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002802-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-650209-08

Arrest van 30 november 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 7 november 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1960] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. J. van Dijk, advocaat te Winschoten.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 3 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd onder 1 en 2 en hem zal veroordelen tot 80 uur werkstraf, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 650,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 12 oktober 2007, te [plaats], in ieder geval in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), meermalen heeft geschopt, geslagen, vastgepakt en/of vastgepakt heeft houden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 12 oktober 2007, te [plaats], in ieder geval in de gemeente [gemeente], opzettelijk een vrouw, te weten [benadeelde] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met dat opzet die [benadeelde] een of meer uren tegen haar wil in een woning gelegen aan of nabij de [straat] heeft gehouden en/of meermalen die [benadeelde] (tegen haar wil) heeft vastgepakt, vastgehouden, tegengehouden en/of heeft belemmerd om weg te gaan en/of meermalen die [benadeelde] de doorgang heeft versperd.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1.

hij op 12 oktober 2007 te [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), meermalen heeft geslagen en vastgepakt, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

2.

hij op 12 oktober 2007 te [plaats] opzettelijk een vrouw, te weten [benadeelde] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met dat opzet die [benadeelde] een of meer uren tegen haar wil in een woning gelegen aan de [straat] heeft gehouden en die [benadeelde] tegen haar wil heeft vastgepakt, tegengehouden en heeft belemmerd om weg te gaan en meermalen die [benadeelde] de doorgang heeft versperd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1. mishandeling;

2. opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 12 oktober 2007 schuldig gemaakt aan mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn toenmalige vriendin, [benadeelde]. Hierdoor heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van die [benadeelde]. Blijkens haar slachtofferverklaring heeft die [benadeelde] de situatie als zeer ingrijpend in haar leven ervaren.

Anders dan de advocaat-generaal en de politierechter, ziet het hof - met name in de ernst van een feit als wederrechtelijke vrijheidsberoving - reden om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van na te melden duur. In aanmerking genomen dat - zoals blijkt uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van

26 augustus 2010 - verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, zal het hof de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 2 jaren. Het hof zal daarbij als bijzondere voorwaarde opnemen dat verdachte zich zal stellen onder toezicht van de Reclassering, zoals door de Reclassering is geadviseerd in het voorlichtingsrapport d.d. 15 juli 2008.

Daarnaast acht het hof het passend en geboden om een werkstraf op te leggen van na te melden duur.

De benadeelde partij [benadeelde]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg deels wel en deels niet is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

Uit het door de benadeelde partij ingediende voegingsformulier blijkt dat de benadeelde partij een vergoeding vordert van € 650,- in verband met immateriële schade.

Het hof acht de vordering van de benadeelde partij tot het bedrag van € 200,- toewijsbaar, nu naar het oordeel van het hof voldoende is komen vast te staan dat door de bewezen verklaarde feiten aan de benadeelde partij tot dat bedrag schade is berokkend en dat de schade aan verdachte kan worden toegerekend.

Het hof is van oordeel, dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard is, dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in haar vordering in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aan verdachte zal daarnaast de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 3 ten laste gelegde

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover voor hoger beroep vatbaar, en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van één maand;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen door of namens die instelling gegeven;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

bepaalt dat dit toezicht door genoemde instelling reeds tijdens de proeftijd kan worden beëindigd;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tachtig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van veertig dagen zal worden toegepast;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van tweehonderd euro;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van tweehonderd euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vier dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. A. Dijkstra en mr. G. Dam, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Kuiper als griffier.