Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO7534

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
16-12-2010
Zaaknummer
24-002928-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake meer subsidiaire tenlastegelegde mishandeling. Beroep op noodweer(exces). Geen sprake van een in objectieve zin (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich diende te verdedigen. Oplegging van een voorwaardelijke geldboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002928-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-652081-07

Arrest van 30 november 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 28 november 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1964] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte subsidiair is tenlastegelegd en hem zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,-, bij niet betaling of verhaal te vervangen door 10 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 22 maart 2007, in de gemeente [gemeente], aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (gebroken neustussenschot), heeft toegebracht, door deze opzettelijk in het gezicht te stompen en/of te slaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat:

hij op of omstreeks 22 maart 2007, in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet in het gezicht heeft gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat:

hij op of omstreeks 22 maart 2007, in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), in het gezicht heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen primair en subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

meer subsidiair:

hij op 22 maart 2007, in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), in het gezicht heeft gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

meer subsidiair: mishandeling.

Strafbaarheid

Verdachte heeft erkend dat hij [slachtoffer] in zijn gezicht heeft gestompt. Verdachte en zijn raadsman hebben ter terechtzitting van het hof echter een beroep gedaan op noodweer danwel noodweerexces, met als conclusie dat verdachte daarom zou dienen te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Gelet op de verklaringen in het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof, gaat het hof uit van de volgende feitelijke gang van zaken.

Verdachte treedt op 22 maart 2007 op als bestuurder van een bus. Als hij bij de laatste bushalte vóór het busstation in [plaats] wegrijdt, meent de achter hem (in een personenauto) rijdende [slachtoffer] dat verdachte hem bij deze manoeuvre afsnijdt. [slachtoffer] besluit verhaal te halen bij verdachte, op het moment dat verdachte met zijn bus bij de volgende bushalte op het busstation in [plaats] staat en passagiers laat instappen. [slachtoffer] dringt scheldend tussen de passagiers door naar het chauffeurshokje in de bus, waarin verdachte zit. Verdachte voelt zich door het slachtoffer bedreigd en staat op. Verdachte zet [slachtoffer] daarop zijn bus uit en stapt ook zelf uit. Buiten de bus komt [slachtoffer] meermalen in de richting van verdachte. Verdachte drukt hem telkens weg. Als [slachtoffer] nogmaals in zijn richting komt, stompt de verdachte [slachtoffer] in het gezicht. [slachtoffer] begint hierop te bloeden en gaat weg. In het ziekenhuis blijkt dat [slachtoffer] als gevolg van de stomp van verdachte een gebroken neus heeft opgelopen en dat een tand is afgebroken.

Uit deze gang van zaken blijkt niet dat voor verdachte op dat moment in objectieve zin sprake was van een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich diende te verdedigen. De verdachte heeft weliswaar ter terechtzitting van het hof gesteld dat hij meende dat het slachtoffer hem wilde gaan slaan, maar uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof kan geen objectief aanknopingspunt worden gevonden dat die veronderstelling rechtvaardigt. Weliswaar zocht aangever op een vijandige manier de confrontatie met verdachte, maar aangever was al twee keer eerder door verdachte weggeduwd en daarna bij verdachte teruggekomen zonder geweld te gebruiken of daarmee te dreigen. Niet aannemelijk is geworden dat dit anders was op het moment dat verdachte aangever een stomp gaf.

Gelet op het vorenstaande verwerpt het hof het beroep op noodweer. Nu er geen sprake is geweest van een noodweersituatie, wordt ook het beroep op noodweerexces te worden verworpen.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. De toedracht van het incident is hiervoor reeds uiteengezet. Door zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en heeft hem pijn en letsel toegebracht.

Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 26 augustus 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde voorwaardelijke geldboete passend en geboden is. Hierbij wordt onder meer in aanmerking genomen dat het feit is begaan in reactie op maatschappelijk onaanvaardbaar en vijandig gedrag van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van vijfhonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

beveelt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. A. Dijkstra en mr. G. Dam, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Kuiper als griffier.