Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO7492

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
16-12-2010
Zaaknummer
24-001146-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Hij heeft aanmerkelijk onvoorzichtig aan het verkeer deelgenomen door met hoge snelheid te fietsen op een fiets waarvan hij wist dat de remmen niet goed werkten en bij een kruising geen voorrang te verlenen aan een fietser die van rechts kwam. Hierdoor heeft deze fietser zwaar lichamelijk letsel (heupfractuur) opgelopen.

Verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor veertig uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001146-10

Parketnummer eerste aanleg: 17-675036-10

Arrest van 30 november 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Leeuwarden van 22 april 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1993] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.A. Schütz, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De kinderrechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake het primair ten laste gelegde, met dien verstande dat bewezen wordt verklaard dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden, zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen jeugddetentie.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 14 december 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een fiets, daarmede rijdende over de weg, de [straat 1] en/of (de kruising met) het [straat 2], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met een (veel) te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of met een fiets zonder (deugdelijke) remmen, althans waarmee (totaal) geen remkracht kon worden teweeg gebracht, te rijden en/of (daarmee) de fiets/het voertuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en/of (vervolgens) aan een van rechts komende bestuurder van een fiets geen voorrang te verlenen, ten gevolge waarvan hij, verdachte, met de door hem bestuurde fiets tegen de van rechts komende fiets(er), is gebotst en/of aangereden, dan wel een botsing/aanrijding met de van rechts komende fiets(er) heeft veroorzaakt en/of (daarmee) de van rechts komende fietser naar de grond/tegen het wegdek heeft doen belanden, waardoor een ander/die fietser (genaamd [slachtoffer] (geboren op [1924])) zwaar lichamelijk letsel, te weten een heupfractuur, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 14 december 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een fiets met een (veel) te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of met een fiets zonder (deugdelijke) remmen, althans waarmee (totaal) geen remkracht kon worden teweeg gebracht, te rijden en/of (daarmee) de fiets/het voertuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en/of (vervolgens) aan een van rechts komende bestuurder van een fiets geen voorrang te verlenen, ten gevolge waarvan hij, verdachte, met de door hem bestuurde fiets tegen de van rechts komende fiets(er), is gebotst en/of aangereden, dan wel een botsing/aanrijding met de van rechts komende fiets(er) heeft veroorzaakt en/of (daarmee) de van rechts komende fietser naar de grond/tegen het wegdek heeft doen belanden, door welke gedraging(en) van verdachte op de weg, de [straat 1] en/of (de kruising met) het [straat 2], (aldus) gevaar werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Overweging ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de raadsman zich met betrekking tot het rijgedrag van verdachte op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte roekeloos heeft gereden.

De advocaat-generaal stelt zich eveneens op het standpunt dat het rijgedrag van verdachte niet aangemerkt kan worden als roekeloos. Wel acht de advocaat-generaal het rijgedrag van verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, nu verdachte ondanks dat hij wist dat de remmen van zijn fiets niet goed functioneerden, is blijven doorfietsen, met hoge snelheid de kruising [straat 1] [straat 2] is genaderd en daar een fietser die van rechts kwam, geen voorrang heeft verleend waardoor een botsing plaatsvond waarbij de fietser zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Het hof overweegt het volgende.

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld heeft gehad aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, dient acht te worden geslagen op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van die gedragingen alsmede de overige omstandigheden van het geval. Met de term roekeloosheid in de zin van artikel 175 van de Wegenverkeerswet wordt gedoeld op de zwaarste vorm van schuld. De Memorie van Toelichting spreekt over roekeloosheid als 'zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's worden genomen' (Kamerstukken II, 2001-2002, 28 484, nr. 3, p. 10). Het gaat om het zwaarste verwijt dat binnen het culpabereik kan worden gemaakt. In het algemeen zal bij roekeloosheid sprake moeten zijn van bewustheid van het risico van ernstige gevolgen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico's zich niet zullen realiseren.

In de onderhavige zaak leidt het hof uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken af.

Op 14 december 2009 fietsen verdachte en een vriend in [plaats]. Uit de verklaring die verdachte ter terechtzitting van het hof heeft afgelegd blijkt dat verdachte gedurende het fietsen er achter is gekomen dat zijn remmen niet goed werken. Verdachte fietst desondanks door.

Verdachte en zijn vriend fietsen met hoge snelheid. Zij rijden op een gegeven moment over de [straat 1] en naderen de kruising met het [straat 2]. Op de [straat 1] remt verdachte met zijn voeten bij om vaart te minderen, aangezien de rijrichting van de [straat 1] in de richting van het [straat 2] naar beneden loopt. Op het moment waarop verdachte en zijn vriend ter hoogte van de kruising fietsen, komt uit de richting van de [straat 3] van rechts een fietser, de heer [slachtoffer], gaande in de richting van het [straat 2]. Verdachte verleent [slachtoffer] op de gelijkwaardige kruising geen voorrang en slaagt er niet in [slachtoffer] te ontwijken. Er ontstaat een botsing waarbij [slachtoffer] een heupfractuur oploopt.

De hiervoor vastgestelde gedragingen en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, leveren naar het oordeel van het hof onvoldoende grond op om het rijgedrag van verdachte als roekeloos aan te merken.

Niet gebleken is dat verdachte - ondanks de wetenschap dat zijn remmen niet deugdelijk waren - op zeer lichtzinnige wijze ervan uit is gegaan dat het risico van ernstige gevolgen door het niet (tijdig) kunnen remmen zich niet zou realiseren. Uit verdachtes handelen blijkt dat hij het risico van ernstige gevolgen, verbonden aan het rijden zonder deugdelijke remmen, besefte omdat hij reeds voordat [slachtoffer] in zijn gezichtsveld kwam, met zijn voeten heeft bijgeremd om vaart te minderen toen hij de kruising naderde.

Gelet hierop zal het hof verdachte vrijspreken van het onderdeel "roekeloos" als vermeld in de tenlastelegging.

Het hof is van oordeel dat uit de hiervoor vastgestelde gedragingen en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, wel kan worden afgeleid dat het rijgedrag van verdachte "aanmerkelijk onvoorzichtig" is geweest. Het hof zal derhalve het aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag bewezen verklaren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 december 2009 te [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een fiets, daarmede rijdende over de weg, de [straat 1] en de kruising met het [straat 2], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en met een fiets zonder deugdelijke remmen te rijden en daarmee de fiets niet voordurend onder controle heeft gehad, en vervolgens aan een van rechts komende bestuurder van een fiets geen voorrang te verlenen, ten gevolge waarvan hij, verdachte, een botsing met de van rechts komende fietser heeft veroorzaakt en daarmee de van rechts komende fietser tegen het wegdek heeft doen belanden, waardoor die fietser, genaamd [slachtoffer] (geboren op [1924]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een heupfractuur, werd toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 14 december 2009 aanmerkelijk onvoorzichtig aan het verkeer deelgenomen door met hoge snelheid te fietsen op een fiets waarvan hij wist dat de remmen niet goed werkten en door bij een kruising geen voorrang te verlenen aan een fietser die van rechts kwam. Hierdoor heeft deze fietser, de heer [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel (een heupfractuur) opgelopen.

Het hof neemt aan dat de verdachte dit verkeersongeval niet heeft gewild, maar dat neemt niet weg dat verdachte hiervoor wel strafrechtelijk verantwoordelijk is te houden.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met het verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 7 september 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit de door de Raad voor de Kinderbescherming over de verdachte opgemaakte rapporten van 28 januari 2010 en 1 november 2010, en uit hetgeen ter terechtzitting van het hof door de verdachte, zijn ouders en raadsman naar voren is gebracht.

Uit de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat verdachte op verschillende levensterreinen goed functioneert. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert daarom bij bewezenverklaring van het ten laste gelegde, de oplegging van een werkstraf.

Uit het rapport d.d. 1 november 2010 van de Raad voor de Kinderbescherming en uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, blijkt dat verdachte zich schuldbewust heeft betoond ten opzichte van het slachtoffer. Hij heeft het slachtoffer na de botsing geholpen, zijn excuses aangeboden en heeft zich bereid verklaard bepaalde diensten, zoals het doen van boodschappen, te verrichten.

Gelet op het vorenstaande en mede gelet op de omstandigheid dat het hof tot een andere, lichtere bewezenverklaring dan de kinderrechter komt, acht het hof de door de

advocaat-generaal gevorderde en door de raadsman bepleite werkstraf voor de duur van veertig uren, een passende bestraffing.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77m en 77n van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van veertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. S.H. Wachter, in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen als griffier.