Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO6387

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
WAHV 200.056.895
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel. Behoort de verhoogde overrijdbare strook van het middeneiland van de rotonde tot de rijbaan en kan tegen een bestuurder van een motorvoertuig die daar overheen rijdt worden opgetreden op basis van artikel 10 RVV 1990?

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/118
VR 2011/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.056.895

2 november 2010

CJIB 126967750

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Dordrecht

van 14 oktober 2009

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht genomen beslissing gegrond verklaard en de inleidende beschikking vernietigd. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “als bestuurder van een rijdend motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken”, welke gedraging zou zijn verricht op 1 december 2008 om 12.00 uur op de Provincialweg (het hof leest: Provinciale weg) N482 te Sliedrecht.

2. Deze gedraging betreft een overtreding van het bepaalde in artikel 10 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Zakelijk weergegeven houdt dit artikel in - voor zover hier van belang - dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan dienen te gebruiken.

3. De betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de sanctie ten onrechte aan hem is opgelegd. Hij ontkent niet op de plaats en het tijdstip als voormeld te hebben gereden. Echter, hij reed slechts met zijn linkerwielen een stukje over het overrijdbare middengedeelte van een rotonde. Hij ziet niet in waarom dit niet zou mogen. Dat middengedeelte van de rotonde maakt in zijn ogen deel uit van de rijbaan. Het is immers ontworpen voor gebruik door motorvoertuigen. Daarnaast is het niet fysiek afgescheiden van de rest van de rijbaan.

Ook overigens heeft hij niets verkeerd gedaan: bij het passeren van de rotonde bleef hij binnen de wegmarkering, hij gaf netjes richting aan en reed niet te snel.

De betrokkene meent dat artikel 10 RVV 1990 niet bedoeld is voor een manoeuvre als de onderhavige. De aan hem opgelegde sanctie is dan ook buiten elke proportie.

Verder voert de betrokkene aan dat de verkeerssituatie onduidelijk is. Niet duidelijk is wanneer hij precies in overtreding was. Was dat pas bij het berijden van de klinkers op het middengedeelte, of al eerder, bij het berijden van de schuine beplating? Indien het een en ander met wegmarkering was aangegeven, was het duidelijk geweest, maar nu niet. De betrokkene heeft een foto van de betreffende rotonde in het geding gebracht.

4. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene gegrond verklaard. Daartoe heeft hij, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Uit de door de betrokkene overgelegde foto's is duidelijk geworden dat het in casu een rotonde betreft met een berijdbaar gedeelte, dat enigszins verhoogd is ten opzichte van de rijbaan, maar niet nader is gemarkeerd. De CVOM-vertegenwoordiger heeft ter zitting niet kunnen aangeven waarop de stelling dat het gedeelte van de rotonde niet tot de rijbaan behoort berust, behoudens dat het een verhoging betreft, zonder dat die verhoging onder een voorschrift te rangschikken is. Het is de kantonrechter dan ook voorshands niet gebleken dat dit gedeelte van de rotonde niet tot de rijbaan behoort. De kantonrechter is van oordeel dat de sanctie niet terecht is opgelegd en verklaart derhalve het beroep gegrond.”

5. In hoger beroep voert de officier van justitie aan dat de vraag of rijbanen, gescheiden door een (verhoogde) middenberm, gazon of iets dergelijks al dan niet één weg vormen, afhangt van de concrete situatie. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat het weggedeelte dat de betrokkene gebruikt heeft - gelet op de foto's daarvan - niet kan worden getypeerd als onderdeel van de rijbaan. Naar de mening van de officier van justitie is er duidelijk sprake van een afgescheiden gedeelte, gelet op de verhoging en de afwijkende bestrating. Dat dit gedeelte niet nader is gemarkeerd maakt dit niet anders, aldus de officier van justitie.

6. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt - naast de gedragingsgegevens die in de beschikking zijn vermeld - onder meer het volgende in:

“Opmerkingen ambtenaar 1:

Met vier wielen over verhoogde gedeelte van rotonde rijden om deze "rechtdoor" over te steken.

Verklaring betrokkene:

Wist niet dat dit niet mocht.”

7. De betrokkene heeft een foto van de betreffende rotonde in het geding gebracht. Op deze foto is te zien dat de rotonde langs het middeneiland een - ten opzichte van de weg - verhoogd middengedeelte heeft. Deze strook bestaat, anders dan de weg, uit klinkers en is afgezet met een schuine stenen rand. Het middengedeelte is niet door middel van enige wegmarkering afgescheiden van de rest van de weg.

8. Niet in het geding is dat de betrokkene (in ieder geval) met zijn linkerwielen over de verhoogde middenstrook van de rotonde is gereden. Het hof dient te beoordelen of dat gedeelte van de rotonde tot de rijbaan behoort.

9. In artikel 1, aanhef en onder ad, RVV 1990 is bepaald wat in dit verband onder het begrip 'rijbaan' moet worden verstaan:

“rijbaan: elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/brompaden.”

10. Het hof stelt voorop dat voor de vraag of een weggedeelte bestemd is voor rijdende voertuigen bepalend zijn de bedoelingen van de wegbeheerder en hoe het betreffende weggedeelte zich aan de gemiddelde weggebruiker voordoet.

11. Voor het vaststellen van de bedoelingen van de wegbeheerder baseert het hof zich op de aanbevelingen aan de wegbeheerder in de publicatie "Eenheid in rotondes" (publicatie 126, maart 1998, ISBN 9066282665) van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW). Uit de door de betrokkene overgelegde foto van de rotonde waar de gedraging zou zijn verricht blijkt namelijk dat deze is aangelegd conform die aanbevelingen.

12. Allereerst wijst het hof op de in de genoemde publicatie gehanteerde begrippenlijst waarin de rijbaanbreedte wordt geduid als "breedte van de rijbaan waarover in principe alle voertuigen onder alle omstandigheden de rotonde moeten kunnen passeren. De rijbaanbreedte is het verschil tussen buiten- en binnenstraal". De binnenstraal is de "afstand van het middelpunt van de rotonde tot aan de buitenkant van het middeneiland, inclusief de verhoogde overrijdbare strook".

De verhoogde overrijdbare strook wordt geduid als "buitenste deel van het middeneiland, dat in incidentele gevallen bereden kan worden".

In de aanbevelingen wordt onder meer benadrukt dat het vooral voor rechtdoorgaand verkeer van belang is dat er voldoende moet worden uitgebogen om de rijsnelheid op de rotonde te beperken, hetgeen is te realiseren door de rijbaan niet te breed uit te voeren, waarbij voor uitzonderlijk vrachtverkeer een extra overrijdbaar gedeelte rond het middeneiland wordt aangebracht.

13. De opvatting dat de overrijdbare strook tot de rijbaan zou behoren en daarmee voor alle rijdende voertuigen bestemd zou zijn, staat haaks op de bedoeling van de wegbeheerder, zoals deze blijkt uit de genoemde publicatie van het CROW. Een dergelijke opvatting zou immers elke bestuurder de mogelijkheid bieden om met een hogere snelheid dan door de wegbeheerder verantwoord wordt geacht over de rotonde te rijden, omdat het snelheidsbeperkende uitbuigen eenvoudig kan worden voorkomen door gebruik te maken van de overrijdbare strook.

14. Naar het oordeel van het hof doet de verhoogde en in afwijkende bestrating uitgevoerde overrijdbare strook zich ondanks het ontbreken van een kantstreep aan de gemiddelde weggebruiker niet voor als een weggedeelte dat voor hem bestemd is om te berijden. Gelet op het afwijkende karakter van de overrijdbare strook, mocht van de betrokkene worden verwacht dat hij zou begrijpen dat op de rotonde slechts de geasfalteerde rijstrook bestemd is om over heen te rijden.

15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Dat brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd en dat het tegen de beslissing van de officier van justitie ingestelde beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard. Het hof acht geen termen aanwezig om tot vergoeding van proceskosten over te gaan.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Beswerda en Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.