Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO6378

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
06-12-2010
Zaaknummer
24-000683-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In eerste aanleg veroordeling wegens mishandelingen.

Met betrekking tot de tenlastegelegde mishandeling van de ex-levensgezel is naar het oordeel van het hof onvoldoende overtuigend bewijs voorhanden en met betrekking tot de tenlastegelegde mishandeling van een buurman is naar het oordeel van het hof onvoldoende wettig bewijs voorhanden. Volgt in hoger beroep vrijspraak van beide feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000683-09

Parketnummer eerste aanleg: 19-606401-07

Arrest van 23 november 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 13 maart 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen en maatregelen, en heeft voorts op de vorderingen van de benadeelde partijen beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal vrijspreken van feit 2 en dat het hof verdachte zal veroordelen wegens feit 1 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van vijftig uren. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van vijfhonderd euro, met niet-ontvankelijkverklaring voor het overige, en dat het hof de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zal verklaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2006 in de gemeente [gemeente], althans in Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend zijn levensgezel [benadeelde 1], heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of met een voorwerp heeft geslagen en/of met een voorwerp heeft gegooid, waardoor die [benadeelde 1] (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 24 september 2007 te [plaats] opzettelijk mishandelend [benadeelde 2] heeft gestompt en/of geslagen, waardoor die [benadeelde 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Overweging ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde overweegt het hof als volgt. Op grond van de bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat, buiten aangeefster, in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2006 iemand daadwerkelijk heeft gezien dat verdachte zich gewelddadig heeft gedragen jegens haar. Evenmin kan worden vastgesteld dat iemand in die periode letsel of andere onmiskenbare sporen van geweld bij aangeefster heeft waargenomen. Daar komt bij dat de door aangeefster gestelde gebeurtenissen niet goed in de tijd zijn te plaatsen. Waar aangeefster bijvoorbeeld verklaart over een vakantie in [provincie] in de zomer van 2003, plaatst de getuige [getuige] deze gebeurtenis in de zomer van 2005. Voor de door aangeefster gestelde incidenten kan naar het oordeel van het hof geen dan wel onvoldoende steun worden gevonden in de overige bewijsmiddelen in het dossier. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof maakt dit niet anders.

Met betrekking tot de kneuzing van het heiligbeen/staartbotje bevindt zich weliswaar een medische verklaring in het dossier, maar het hof heeft op dit punt niet de overtuiging bekomen dat dit letsel onmiskenbaar door verdachte is toegebracht. Nu aangeefster tegenover haar arts heeft verklaard dat dit letsel is ontstaan doordat zij twee maanden eerder van de trap was gevallen, kan dit stuk niet meewerken aan het bewijs van mishandeling door verdachte jegens aangeefster.

Ten aanzien van het bewijs van het onder 2 ten laste gelegde overweegt het hof als volgt. Maar het oordeel van het hof is er niet voldoende wettig bewijs om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen. De verklaring van verdachte, naast de verklaring van aangever, dat hij op enig moment in de tuin van aangever is geweest is daartoe onvoldoende. Het voorhanden steunbewijs houdt in onvoldoende mate verband met de verklaring van aangever. Er bevindt zich weliswaar een foto in het dossier waarop de buik van een persoon met mogelijk letsel te zien is, maar niet duidelijk is wanneer deze foto is gemaakt, en wiens buik is afgebeeld.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen onder 1 en onder 2 aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Benadeelde partijen

Nu verdachte wordt vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, zullen de benadeelde partijen, gelet op het bepaalde in artikel 361, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering, in hun vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering;

bepaalt dat de benadeelde partijen hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P.J.M. van den Bergh, voorzitter, mr. K. Lahuis en mr. G.J. Niezink, in tegenwoordigheid van mr. A. Meester als griffier, zijnde mrs. Van den Bergh en Niezink voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

- 4 - 24-000683-09