Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO6376

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
06-12-2010
Zaaknummer
24-002530-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van vernieling veroordeeld tot een geldboete van € 150,-, subsidiair drie dagen hechtenis. Het hof heeft tevens beslist omtrent de vordering van een benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002530-09

Parketnummer eerste aanleg: 18-650116-09

Arrest van 23 november 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 24 september 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1983] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het hem ten laste gelegde tot een geldboete van € 150,-, te vervangen door drie dagen hechtenis. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 158,60, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot hetzelfde bedrag.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - met inachtneming van de wijziging die in hoger beroep is toegelaten - ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 29 oktober 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een perceel aan de [straat], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij omstreeks 29 oktober 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een perceel aan de [straat], toebehorende aan [benadeelde], heeft vernield.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft omstreeks 29 oktober 2008 een ruit van een shoarmazaak vernield. Nadat verdachte en een door hem meegebrachte persoon door de eigenaar van de shoarmazaak de toegang werd geweigerd, heeft verdachte uit woede hierover een fiets tegen de ruit van de betreffende horecagelegenheid gegooid.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit het justitie documentatieregister

d.d. 25 augustus 2010 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Gelet op vorenstaande acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde geldboete passend en geboden. Het hof zal die straf aan verdachte opleggen.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij,

[benadeelde], wonende te [plaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd wegens materiële schade. De volgende schadeposten zijn opgevoerd:

1. kosten noodruit en nieuwe ruit € 188,73 (incl. 19% btw)

2. omzetverlies € 75,-

3. derving aangebrand eten € 50,-

4. schoonmaakkosten € 75,-

Het hof is van oordeel dat een deel van de gestelde materiële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het bewezen verklaarde feit, dat deze aan verdachte als gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Dit deel betreft schadepost 1., te weten de kosten voor een noodruit en een nieuwe ruit.

Gebleken is echter dat de benadeelde partij ondernemer is en dat de door hem onder 1. gevorderde schade betrekking heeft op zijn onderneming en dat deze gevorderde schade voortvloeit uit een door verdachte ten opzichte van genoemde onderneming gepleegde onrechtmatige daad, te weten - kort gezegd - vernieling. Btw-heffing is in een dergelijk geval niet aan de orde. Het btw-bedrag bij de hiervoor vermelde schadepost heeft dan ook geen betrekking op schade, die rechtstreeks is toegebracht door het bewezen verklaarde feit. Het hof zal derhalve de vordering ter zake van schadepost 1. toewijzen tot een bedrag van € 158,60, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij - gelet op vorenstaande in verband met het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering - in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het hof acht de vordering voor het overige (de schadeposten 2. tot en met 4.) niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet hierop dient de benadeelde partij ook in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling dat de benadeelde partij zijn vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij en verdachte, als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding en dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 36f en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van honderdvijftig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van drie dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [plaats], tot een bedrag van honderdachtenvijftig euro en zestig cent;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen van het geding;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van honderdachtenvijftig euro en zestig cent ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [plaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van drie dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg en mr. H. Heins, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier, zijnde mr. Heins voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.