Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO6360

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
06-12-2010
Zaaknummer
24-000811-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van valsheid in geschrift veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren, te vervangen door 15 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Deze straf is mede ingegeven door het tijdsverloop sinds de datum waarop het feit is gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000811-10

Parketnummer eerste aanleg: 18-051458-04

Arrest van 23 november 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 8 mei 2006 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1960] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte

mr. E.A. Breetveld, advocaat te Den Haag.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het haar ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 juni 2001 tot en met 18 januari 2002, in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een geschrift, (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten (telkens) een formulier (Maandelijkse verklaring Abw 2001, en/of Inlichtingen heronderzoek) van of vanwege de gemeente [gemeente], waarop opgave moest worden gedaan (onder meer) van de werkzaamheden en/of de inkomsten uit arbeid dan wel overige inkomsten van verdachte en/of haar mededader(s) over de periode waarop dat formulier betrekking had - (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk vermeld of doen vermelden dat verdachte en/of haar mededader(s) niet had(den) gewerkt, geen inkomsten uit arbeid en/of geen overige inkomsten had(den) genoten en/of (telkens) dat formulier ondertekend, (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

In het procesdossier bevindt zich een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, inhoudende dat in de eerste regel van de tenlastelegging de datum '18 januari 2002' dient te worden vervangen door '31 januari 2002'. Volgens de (schriftelijke) vordering zou deze vordering ter terechtzitting (in eerste aanleg) van 23 augustus 2005 door de officier van justitie zijn gedaan. Noch uit het proces-verbaal van die zitting - noch uit het proces-verbaal van de (nadere) terechtzitting van 9 januari 2006 - blijkt echter dat voornoemde wijziging op enig moment door de politierechter is toegelaten. Nu zich van de (nadere) terechtzitting van 8 mei 2006 geen proces-verbaal in het dossier bevindt, houdt het hof het ervoor dat de tenlastelegging in eerste aanleg niet (dienovereenkomstig) is gewijzigd. Het hof zal uitgaan van de tenlastelegging zoals die is vermeld op de inleidende dagvaarding en hierboven is weergegeven.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Verdachte wordt - kort gezegd - verweten dat zij samen met haar echtgenoot uitkeringsfraude heeft gepleegd door inkomsten van hen beide te verzwijgen tegenover de uitkerende instantie.

In het procesdossier bevindt zich (onder meer) een aantal werkgeversverklaringen, waaruit blijkt dat verdachte gedurende de periode 1 juni 2001 tot 1 augustus 2001 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen en dat verdachtes echtgenoot - en medeverdachte - gedurende de periode van 1 juni 2001 tot 3 december 2001 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. Uit de met voornoemde perioden corresponderende formulieren 'Maandelijkse verklaring Awb 2001' blijkt echter dat op die formulieren telkens is ingevuld dat zowel verdachte als haar echtgenoot over de betreffende periode, of een voorgaande periode, geen inkomsten uit arbeid heeft genoten, hetgeen telkens is bekrachtigd met ondertekening van de formulieren door zowel verdachte als haar echtgenoot.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd - zo begrijpt het hof - dat voor zover het een opgave van de inkomsten uit arbeid van verdachtes echtgenoot betreft, verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde. Verdachte was bij de mede-ondertekening van de betreffende formulieren 'Maandelijkse verklaringen Awb 2001' niet op de hoogte van het feit dat haar echtgenoot daadwerkelijk inkomsten uit arbeid had genoten. Zij verkeerde derhalve in de veronderstelling dat zij wat dat betreft naar waarheid ingevulde formulieren ondertekende, zodat het opzet op het medeplegen van valsheid in geschrift niet kan worden bewezen.

Het hof volgt het verweer van de raadsman op dit punt. Het hof acht derhalve niet bewezen dat verdachte als medepleger van de valsheid in geschrift door haar echtgenoot gepleegd, kan worden aangemerkt. Verdachte zal in zoverre worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde.

Ten aanzien van de opgave van de inkomsten uit arbeid door verdachte zelf genoten, geldt vorenstaande niet. Verdachte heeft zich (mede) blijkens de hiervoor genoemde werkgeversverklaringen en formulieren 'Maandelijkse verklaringen Awb 2001' in de periode 1 juni 2001 tot en met 31 juli 2001 schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, door in strijd met de waarheid aan te geven dat zij gedurende die periode geen inkomsten uit arbeid had genoten en deze formulieren vervolgens bij de gemeente in te leveren.

De steller van de tenlastelegging heeft verdachte ook verweten - kort gezegd - dat zij het formulier 'Inlichtingen heronderzoek' valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst. Nu dit formulier volgens de dagtekening op 30 januari 2002 door verdachte is ingevuld, zal verdachte - gelet op de (niet gewijzigde) ten laste gelegde pleegperiode - ook in zoverre worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

zij in de periode van 1 juni 2001 tot en met 31 juli 2001, in de gemeente [gemeente], meermalen, een geschrift, dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten telkens een formulier (Maandelijkse verklaring Abw 2001) van of vanwege de gemeente [gemeente], waarop opgave moest worden gedaan van de inkomsten uit arbeid over de periode waarop dat formulier betrekking had - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk vermeld of doen vermelden dat verdachte geen inkomsten uit arbeid had genoten en telkens dat formulier ondertekend, telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van twee maanden maandelijkse verklaringen van de gemeente valselijk opgemaakt, door niet op die formulieren te vermelden dat zij gedurende die periode inkomsten uit arbeid had genoten. Verdachte heeft door het plegen van deze feiten het vertrouwen, dat moet kunnen worden gesteld in stukken die tot bewijs van enig feit dienen, geschonden en de gemeente benadeeld.

Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 25 augustus 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Gelet op het feit dat het hof tot een beperktere bewezenverklaring komt dan de advocaat-generaal, zal het hof een lagere werkstraf opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof zal, mede rekening houdend met het tijdsverloop sinds de datum waarop het feit is gepleegd, volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke werkstraf.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van dertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg en mr. H. Heins, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier, zijnde mr. Heins voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.