Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO5269

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-11-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
24-001125-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van eenvoudige belediging, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001125-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-656042-07

Parketnummer tul: 18-651151-06

Arrest van 22 november 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 18 april 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1962] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verdachte ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren en de vordering van benadeelde partij [benadeelde] zal toewijzen tot een bedrag van € 400,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De advocaat-generaal heeft daarnaast de tenuitvoerlegging van een geldboete van € 150,- gevorderd, verdachte voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 4 mei 2006.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij in of omstreeks de periode van 28 september 2004 tot en met 1 maart 2007, te [plaats], in elk geval in de gemeente [gemeente], meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk beledigend een persoon, te weten [benadeelde], in diens/dier tegenwoordigheid telefonisch heeft toegevoegd de woorden "kinderverkrachter en/of "kinderneuker", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Bewezenverklaring

Het hof acht ten aanzien van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

hij in de periode van 28 september 2004 tot en met 1 maart 2007, te [plaats], meermalen, opzettelijk beledigend een persoon, te weten [benadeelde], in diens tegenwoordigheid telefonisch heeft toegevoegd de woorden "kinderverkrachter".

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

eenvoudige belediging, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

In de periode van 28 september 2004 tot en met 1 maart 2007 heeft verdachte aangever [benadeelde] meermalen beledigd door hem uit te maken voor kinderverkrachter. Verdachte heeft met het uiten van deze woorden aangever in zijn eer en goede naam aangetast.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 augustus 2010. Daaruit is gebleken dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Gelet op het voorgaande acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden. Daarom zal het hof aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur opleggen. Het hof beoogt met de voorwaardelijke strafoplegging onder meer te bereiken dat verdachte niet wederom (soortgelijke) strafbare feiten zal plegen.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter zitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat de vordering in eerste aanleg niet is toegewezen en dat de benadeelde partij zich binnen de grenzen van de eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 4 mei 2006, parketnummer 18-651151-06, is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 150,- met een proeftijd van twee jaren. Uit het onderzoek ter zitting van het hof is gebleken dat dit vonnis onherroepelijk is geworden op 19 mei 2006. De proeftijd is eveneens op deze datum ingegaan. De officier van justitie heeft op 25 februari 2008 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van de geldboete, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Nu gebleken is dat veroordeelde het hiervoor bewezenverklaarde heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal het hof op grond van het vorenstaande de tenuitvoerlegging van die straf gelasten.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 57, 63 en 266 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twee weken;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

verklaart de benadeelde partij, [benadeelde], niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

gelast de tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde bij vonnis van de politierechter te Groningen van 4 mei 2006 (parketnummer 18-651151-06) voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

een geldboete van honderdvijftig euro, met bevel voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van drie dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en mr. J.A.A.M. van Veen, in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers als griffier, zijnde mr. Van Dijk voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.