Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO5137

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
26-11-2010
Zaaknummer
200.064.273/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 23 november 2010

Zaaknummer 200.064.273/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante]

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna te noemen: [appellante]

advocaat: mr. F.P. van Dalen, kantoorhoudende te [Leeuwarden],

die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te Leeuwarden,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.J. Jongsma, kantoorhoudende te Joure,

die ook heeft gepleit.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 24 maart 2010 van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 20 april 2010 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van voormeld vonnis van 24 maart 2010 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 4 mei 2010.

Het petitum van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

“I. het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank te Leeuwarden d.d. 24 maart 2010, gewezen onder het nummer 103114 KG ZA 10-64 tussen partijen (…) waarvan beroep, te vernietigen;

II. opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de man, geïntimeerde, zoals gedaan in het exploit van de dagvaarding af te wijzen, althans de man in deze vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren;

III. te bepalen dat de omgangsregeling tussen de man en de kinderen zoals vastgelegd in de beschikking d.d. 25 maart 2009 wordt geschorst totdat de kinderpsycholoog drs. H.A. Klooster danwel iemand die als (kinder)psycholoog verbonden is aan de psychologenpraktijk Klooster danwel een andere (kinder)psycholoog schriftelijke duidelijkheid heeft gegeven aan de vrouw en het Hof Leeuwarden of er ruimte is aan de kant van de kinderen van partijen dat er omgang is tussen de kinderen en de man, althans de omgangsregeling tussen de man en de kinderen te schorsen totdat het Hof Leeuwarden voldoende informatie heeft gekregen van een door het Hof Leeuwarden in te schakelen derde dat de omgangsregeling tussen de man en de kinderen van partijen in het belang van de kinderen is;

IV. De man te veroordelen om zijn medewerking te geven aan het onderzoek van beide kinderen van partijen door kinderpsychologenpraktijk Klooster te Leeuwarden danwel een andere door het Hof aan te wijzen (kinder)psycholoog en wel binnen zeven dagen na afgifte van het arrest, zulks onder verbeurte van een direct opeisbare en niet voor compensatie vatbare dwangsom van € 200,- per dag, voor elke dag dat de man daarmee in gebreke blijft;

V. De man te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank en de hoger beroep procedure;

VI. het af te geven arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.”

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

“(…) uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw (…) niet-ontvankelijk te verklaren in haar appèl, althans de vorderingen van de vrouw in appél af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen en het vonnis, gewezen door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Leeuwarden d.d. 24 maart 2010, gewezen onder nummer 103114 KG ZA 10-64, waarvan appèl, te bekrachtigen en de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedures in beide instanties.”

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's en nadere producties door hun advocaten. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft negen grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 van genoemd vonnis van 24 maart 2010 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Aangevuld met hetgeen in hoger beroep verder gesteld is en onbestreden is gebleven, staat nu het volgende vast.

1.1. Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn de minderjarigen [kind 1 en kind 2] geboren (hierna de kinderen te noemen). De rechtbank heeft bij beschikking van 26 november 2008 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Bij beschikking van 25 maart 20009 heeft de rechtbank een omgangsregeling tussen [geïntimeerde] en de kinderen vastgesteld.

1.2. [geïntimeerde] woont nu samen met [nieuwe partner man]. [appellante] woont samen met [nieuwe partner vrouw]. [nieuwe partner man] en [nieuwe partner vrouw] zijn ex-echtgenoten.

1.3. [appellante] heeft bij verzoekschrift van 12 april 2010 de Rechtbank Leeuwarden verzocht de omgangsregeling tussen [geïntimeerde] en de kinderen gedurende twee jaar te schorsen, dan wel stop te zetten en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) op te dragen daaromtrent een onderzoek te verrichten. Ten slotte heeft [appellante] verzocht [geïntimeerde] te veroordelen om aan een psychologisch onderzoek van de kinderen mee te werken.

1.4. De kinderen zijn op 15 april 2010 door de politie gehoord naar aanleiding van een aangifte van [appellante] betreffende vermeend ontuchtige handelingen door [geïntimeerde]. Tegen hem is geen strafvervolging ingesteld.

1.5. Bij tussenbeschikking van 4 augustus 2010 heeft de Rechtbank Leeuwarden een onderzoek door de raad gelast met betrekking tot de omgangsregeling.

Het geschil

2. [geïntimeerde] heeft in conventie gevorderd dat [appellante] onder verbeurte van dwangsommen wordt veroordeeld de omgangsregeling na te komen die de rechtbank heeft vastgesteld.

3. In reconventie heeft [appellante] gevorderd dat de omgangsregeling wordt geschorst totdat daarover na onderzoek duidelijkheid is gegeven. Ook heeft zij gevorderd dat [geïntimeerde] onder verbeurde van dwangsommen wordt veroordeeld aan het psychologisch onderzoek van de kinderen mee te werken. De vordering van [geïntimeerde] is met enige restricties toegewezen, die van [appellante] is afgewezen.

De beoordeling van de grieven

4. [appellante] heeft met haar grieven het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voorgelegd, zodat het hof de grieven niet afzonderlijk zal behandelen.

5. Het hof stelt voorop dat de door de bodemrechter in de beschikking van 25 maart 2009 vastgestelde omgangsregeling in beginsel moet worden nagekomen. Dit beginsel leidt slechts uitzondering indien zwaarwegende belangen van het kind zich tegen onverkorte nakoming van die regeling verzetten.

6. De voorzieningenrechter heeft blijkens de bestreden uitspraak geen zwaarwegende belangen in de hiervoor bedoelde zin aanwezig geacht. Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands niet is gebleken van misbruik van de kinderen door [geïntimeerde] of een anderszins door [geïntimeerde] veroorzaakte onveilige situatie. De door [appellante] overgelegde stukken van de huisarts hebben uitsluitend betrekking op mededelingen van [appellante]. Uit de rapportage van 2 juni 2009 van psycholoog drs. Thybaut blijkt evenmin, anders dan [appellante] heeft betoogd, dat [kind 1] zelf aan de psycholoog te kennen heeft gegeven dat [geïntimeerde] ontuchtige handelingen bij haar heeft verricht. Ook de nadien gehouden verhoren geven onvoldoende steun aan het door [appellante] gestelde misbruik door [geïntimeerde] of aan een door hem veroorzaakte onveilige situatie.

7. Uit het bovenstaande volgt dat [appellante] onvoldoende zwaarwegende belangen aannemelijk heeft gemaakt die, vooruitlopend op een beslissing van de bodemrechter, aan een omgangsregeling in de weg staan. Hierbij moet evenwel worden bedacht dat er inmiddels gedurende bijna een jaar geen contact meer heeft plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en de kinderen. Hun belangen brengen mee dat de omgang nu voorzichtig en zeer geleidelijk moet worden hervat, zodat de kinderen aan een voor hen nieuwe situatie kunnen wennen. De hierna op te leggen regeling wordt in het belang van de kinderen geacht.

8. Omtrent het gevraagde psychologische onderzoek overweegt het hof als volgt.

De kinderen zijn in 2009 psychologisch onderzocht. Daarbij is aandacht besteed aan de vraag of [geïntimeerde] zich schuldig heeft gemaakt aan ontuchtige handelingen met de kinderen. In dat verband zijn de kinderen gehoord door de politie wegens een aangifte door [appellante] tegen [geïntimeerde], hetgeen niet heeft geleid tot strafrechtelijke vervolging van [geïntimeerde]. Thans heeft de rechtbank bij beschikking van 4 augustus 2010 een onderzoek bevolen door de raad aangaande de omgangsregeling. Redelijkerwijs mag worden verwacht dat dit onderzoek binnen afzienbare termijn zal plaatsvinden. In het licht van deze omstandigheden ligt het niet voor de hand om [geïntimeerde] nu, vooruitlopend op het onderzoek door de raad, te bevelen mee te werken aan een nieuw (psychologisch) onderzoek van de kinderen. Dit wordt niet anders door de hervatting van de omgangsregeling die het hof in dit arrest zal bevelen. De ontstane situatie, die wordt gekenmerkt door een langdurige onderbreking van het contact tussen de kinderen en hun vader, alsmede door een diep wantrouwen van [appellante] jegens [geïntimeerde], maken juist dat het hof een zeer geleidelijke hervatting van de omgangsregeling aangewezen acht. De kinderen kunnen dan wennen aan het contact met hun vader, terwijl gewaakt kan worden voor hun belangen. Bezien vanuit het belang van die kinderen is het minder wenselijk om [geïntimeerde] gelijktijdig te verplichten aan een psychologisch onderzoek mee te werken. Die constatering neemt overigens niet weg dat een dergelijk onderzoek op zichzelf genomen aan de oplossing van het geschil tussen partijen zou kunnen bijdragen. [geïntimeerde] heeft zich daartoe ter zitting ook bereid verklaard.

9. Het hof zal gezien het voorgaande het vonnis waarvan beroep vernietigen voor zover [appellante] daarin onder verbeurte van dwangsommen tot nakoming van de omgangsregeling is veroordeeld en als volgt beslissen.

10. Partijen zijn gehuwd geweest, zodat de kosten van dit appel zullen worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het bestreden vonnis van 24 maart 2010 voor zover [appellante] daarin in conventie is veroordeeld om onder verbeurte van dwangsommen de omgangsregeling na te komen zoals door de Rechtbank Leeuwarden bij beschikking van 25 maart 2009 is vastgesteld na te komen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellante] tot nakoming van de volgende omgangsregeling tussen [geïntimeerde] en de minderjarige kinderen van partijen [kind 1], geboren [in 2002] en [kind 2], geboren [in 2004]:

de minderjarigen zullen in de eerste vier oneven weken na betekening van dit arrest, elke zondag van 10.00-14.00 uur en vervolgens in alle oneven weken, elke zondag van 10.00-17.00 uur, bij [geïntimeerde] verblijven, waarbij [appellante] de kinderen naar [geïntimeerde] brengt en [geïntimeerde] de kinderen terug naar [appellante] brengt, een en ander totdat de bodemrechter met betrekking tot de omgangsregeling een eindbeslissing heeft gegeven;

bepaalt dat [appellante] een dwangsom zal verbeuren van € 500,-- voor iedere dag en/of gedeelte van een dag dat zij in gebreke blijft aan dit arrest te voldoen, met een maximum van € 10.000,-- aan te verbeuren dwangsommen;

verklaart deze uitspraak in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

bekrachtigt het vonnis van 24 maart 2010 voor het overige;

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, voorzitter, G. van Rijssen en I.van Dorp, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 23 november 2010 in het bijzijn van de griffier.