Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO5092

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
200.053.096/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie: onder andere tussen partijen in geschil de ingangsdatum, de reeds betaalde kinderbijdragen en de behoefe van de kinderen. Voor behoefte wordt aangeknoopt aan systeem van NIBUD. Behoefte van de kinderen is gerelateerd aan het welstandsniveau van de ouders. Verlaging van inkomen na de (echt)scheiding behoort geen invloed te hebben op de kosten voor kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 11 november 2010

Zaaknummer 200.053.096

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.A.J. Verschuur-van der Voort, kantoorhoudende te Haarlem,

tegen

[verweerster]

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Mook, kantoorhoudende te Zwolle.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 1 oktober 2009 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, bepaald dat de man met ingang van 7 april 2009 € 495,- per kind per maand en met ingang van 1 oktober 2009 € 354,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen: [kind 1], geboren [in 1999] en [kind 2], geboren [in 2003] (hierna ook wel genoemd: [kind 1] en [kind 2] of de kinderen). Voorts is daarbij een contactregeling tussen de man en de kinderen vastgesteld als nader omschreven in die beschikking.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 30 december 2009, heeft de man verzocht de beschikking van 1 oktober 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat:

I. de man gerechtigd is omgang te hebben met de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] ieder weekend van vrijdag 16.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen brengt en de man de kinderen terug brengt naar de vrouw;

II. de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] te bepalen op € 350,- per kind per maand met ingang van 1 oktober 2009, althans met ingang van een in goede justitie te bepalen datum, met vaststelling van het bedrag dat de vrouw ten onrechte heeft ontvangen en de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van het ten onrechte ontvangen bedrag;

III. te bepalen dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) een beschermingsonderzoek zal verrichten, kosten rechtens.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 23 februari 2010, heeft de vrouw het verzoek van de man in het principaal appel bestreden en geconcludeerd tot afwijzing ervan.

Tevens heeft de vrouw bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikking van 1 oktober 2009 te vernietigen voor zover het de kinderalimentatie betreft en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man met ingang van 1 november 2008 € 630,- kinderalimentatie per maand voor [kind 1] aan de vrouw dient te voldoen en voor [kind 2] € 530,- per maand met veroordeling van de man in de kosten van het geding in eerste aanleg en hoger beroep.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 8 april 2010, heeft de man het verzoek van de vrouw in het incidenteel appel bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de vrouw dan wel afwijzing van het verzoek.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brieven van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) van 11 januari 2010 en en 18 augustus 2010 en de brief met bijlagen van mr. Verschuur-van der Voort van 23 augustus 2010.

Op verzoek van het hof heeft mr. Verschuur-van der Voort bij brief van 2 september 2010 voorts nog enige (ontbrekende) stukken uit het geding in eerste aanleg ingebracht.

Het hof heeft geen kennisgenomen van de brief met bijlagen van mr. Thoenes-van der Veen (namens mr. Mook) van 27 augustus 2010, binnengekomen bij het hof op 30 augustus 2010, nu deze niet op de in het procesreglement voorgeschreven wijze is ingediend.

Ter zitting van 8 september 2010 is de zaak behandeld. Partijen zijn daarbij verschenen bijgestaan door hun advocaat.

De beoordeling

De feiten

1. [kind 1] en [kind 2] zijn geboren uit de affectieve relatie die partijen met elkaar hebben gehad. De man heeft de kinderen erkend.

2. Partijen hebben de relatie in april 2008 verbroken. De kinderen verblijven sindsdien bij de vrouw, die van rechtswege is belast met het gezag over de kinderen.

3. De vrouw heeft op 10 maart 2009 een verzoekschrift ingediend tot het vaststellen van alimentatie. De man heeft zich daartegen verweerd en daarbij het zelfstandig verzoek gedaan tot het vaststellen van een contactregeling tussen hem en de kinderen.

4. Bij de bestreden beschikking van 1 oktober 2009 heeft de rechtbank besloten als hiervoor kort weergegeven onder het kopje "Het geding in eerste aanleg".

5. De man is op 4 december 2009 gehuwd met zijn nieuwe partner.

De contactregeling en het verzoek van de man om een raadsonderzoek

6. In eerste aanleg is een contactregeling vastgesteld tussen de man en de kinderen van eenmaal per veertien dagen, telkens van vrijdag 16.00 tot zondag 16.00 uur, waarbij de man de kinderen haalt en brengt.

7. De man heeft ter zitting van het hof zijn grief met betrekking tot de omgangsregeling, meer in bijzonder waar het gaat om het halen en brengen van [kind 1] en [kind 2], evenals zijn grief met betrekking tot het (nagelaten) raadsonderzoek, ingetrokken. Het hof zal deze grieven daarom onbesproken laten.

8. Partijen zijn in aanvulling op de in eerste aanleg vastgestelde omgangsregeling ter zitting van het hof overeengekomen dat de man [kind 1] en [kind 2] de helft van de schoolvakanties en de helft van de feestdagen bij zich zal hebben. Het hof acht de door partijen overeengekomen aanvulling op de omgangsregeling in het belang van de kinderen en zal deze opnemen in het dictum van deze beschikking.

De kinderalimentatie voor [kind 1] en [kind 2]

De nieuwe voorrangsregeling

9. Met de inwerkingtreding van de Wet Bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (Stb. 2008, 500) met ingang van 1 maart 2009, is in artikel 1:400 lid 1 BW een wettelijke voorrangsregeling voor kinderalimentatie opgenomen.

10. De nieuwe voorrangsregeling brengt onder meer met zich mee dat bij de bepaling van het zogenoemde draagkrachtloos inkomen de bijstandsnorm voor een alleenstaande wordt gehanteerd, ook indien sprake is van een nieuwe echtgeno(o)t(e) of partner, en dat alleen de noodzakelijke lasten in aanmerking worden genomen welke ten opzichte van het onderhoudsgerechtigde kind als redelijke uitgaven kunnen worden beschouwd. Een en ander wordt nader toegelicht in het rapport van de alimentatiewerkgroep. Bij het navolgende zal het hof het voorgaande in acht nemen.

Het geschil

11. De geschilpunten ten aanzien van de kinderalimentatie betreffen:

- de ingangsdatum;

- reeds betaalde kinderbijdragen;

- de behoefte van [kind 1] en [kind 2]; en

- de draagkracht van de man op de volgende punten:

• het inkomen

• de uitgaven inkomensvoorziening;

• kosten van de omgangsregeling;

• de woonlasten;

• kosten van herinrichting;

• advocaatkosten.

De ingangsdatum en reeds betaalde kinderbijdragen

12. Beide partijen kunnen zich niet vinden in de door de rechtbank in eerste aanleg bepaalde ingangsdatum van de kinderalimentatie, 7 april 2009. De man heeft betoogd dat de ingangsdatum ten onrechte is bepaald op een datum gelegen vóór de datum van de bestreden beschikking. De vrouw bepleit een eerdere ingangsdatum.

13. De man heeft in dit verband gesteld dat hij reeds vanaf april 2008, het moment waarop hij de gezamenlijke woning heeft verlaten, met instemming van de vrouw kinderbijdragen heeft betaald ter hoogte van in totaal € 655,- per maand voor beide kinderen, naast de lasten van de gezamenlijke woning die hij tot 15 oktober 2008 ook voor zijn rekening heeft genomen. In juli 2009 heeft de man genoemd bedrag verlaagd tot € 590,- per maand en vanaf augustus 2009 verder verlaagd tot € 400,- per maand in verband inkomensvermindering aan zijn zijde.

14. De vrouw bestrijdt dat zij heeft ingestemd met de (hoogte en frequentie van) reeds betaalde bedragen aan kinderalimentatie voor [kind 1] en [kind 2]. Een ingangsdatum later dan 1 november 2008 leidt volgens de vrouw tot onredelijke gevolgen nu zij heeft moeten interen op haar vermogen teneinde zelf de uitgaven voor de kinderen te kunnen dragen. Volgens de vrouw heeft de man eerst op 18 november 2008 een bedrag van € 350,- aan haar betaald onder de vermelding "voorschot november 2008". Op 2 december 2008 heeft de man eveneens € 350,- aan haar betaald onder vermelding van "voorschot december". De vrouw bevestigt dat de man in de maanden januari tot en met juni 2009 € 655,- (per maand) heeft betaald en dat hij dit bedrag in juli 2009 eenzijdig heeft verlaagd naar € 590,- en vanaf augustus 2009 naar € 400,- per maand.

15. Het hof overweegt dat de rechter op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het bepalen van de ingangsdatum van een (gewijzigde) alimentatieverplichting. Doorgaans wordt de ingangsdatum, gebruik makend van deze vrijheid, door de rechter gesteld op de dag van indiening van het inleidend verzoekschrift omdat de onderhoudsplichtige in ieder geval vanaf dat moment serieus rekening dient te houden met de financiële gevolgen van de aanspraken van de onderhoudsgerechtigde. Van de bevoegdheid tot het vaststellen of wijzigen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud over een periode in het verleden, dient behoedzaam gebruik te worden gemaakt.

16. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd omtrent de ingangsdatum en reeds door de man aan de vrouw betaalde kinderbijdragen, heeft de man naar het oordeel van het hof terecht als grief voorgedragen dat in de bestreden beschikking ten onrechte als vaststaand is aangenomen dat hij (nog) geen kinderbijdrage betaalt voor [kind 1] en [kind 2]. Het hof ziet daarin echter geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat de ingangsdatum van de kinderalimentatie wordt bepaald op de dag van indiening van het verzoek, in dit geval 10 maart 2009. Ook overigens is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden die een andere ingangsdatum rechtvaardigen, zodat het hof bij het navolgende uit zal gaan van 10 maart 2009 als ingangsdatum.

De behoefte van de onderhoudsgerechtigden ([kind 1] en [kind 2])

17. Voor de vaststelling van de behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen is in samenwerking met het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (het NIBUD) een systeem ontwikkeld, gebaseerd op CBS-cijfers, dat is neergelegd in Trema-rapport en de daarbij behorende bijlage 'tabel eigen aandeel kosten van kinderen'.

18. Naast het aantal kinderen en de leeftijd van het kind of de kinderen, is het netto gezinsinkomen in de laatste periode van de relatie dan wel het huwelijk een bepalende factor bij de bepaling van de hoogte van de behoefte. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de behoefte van het kind gerelateerd is aan het welstandsniveau van de ouders.

19. Verlaging of wegvallen van een inkomen na de (echt)scheiding behoort, op grond van het hiervoor gekozen uitgangspunt dat het welvaartsniveau ten tijde van de (echt)scheiding in beginsel bepalend is voor de kosten van de kinderen, op die kosten geen invloed te hebben. Wel kan een dergelijke wijziging gevolgen hebben voor de draagkracht om een bijdrage in de kosten te betalen.

20. In de tabelbedragen (opgenomen als bijlage in het Trema-rapport) zijn alle normale kosten, zoals die voor voeding en kleding, begrepen. Bepaalde extra kosten zijn echter zo uitzonderlijk dat deze niet begrepen kunnen zijn in de standaardbedragen voor de kosten van kinderen. Correctieposten betreffen kosten die niet of onvoldoende in de gehanteerde kosten van kinderen zijn verdisconteerd en welke bovendien niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten.

21. In eerste aanleg is de rechtbank bij de bepaling van het hier bedoelde netto gezinsinkomen uitgegaan van een besteedbaar inkomen aan de zijde van de man van € 3.400,- per maand en aan de zijde van de vrouw € 810,- per maand. In totaal dus € 4.210,-. Op grond van de tabel heeft de rechtbank vervolgens de uitgaven voor de kinderen bepaald op € 980,- per maand. De rechtbank heeft daarbij een bedrag van € 80,- per maand opgeteld voor kosten van buitenschoolse kinderopvang en overblijfkosten. De behoefte van [kind 1] en [kind 2] is door de rechtbank aldus becijferd op € 530,- per kind per maand.

22. De man heeft gesteld dat de rechtbank voor wat betreft zijn aandeel in het netto gezinsinkomen is uitgegaan van een te hoog inkomen, omdat ten onrechte niet de premie lijfrenteverzekering in mindering is gebracht. In dit verband stelt de man, onder verwijzing naar een bij het beroepschrift gevoegde brief van de SVB van

20 maart 2009, dat hij een pensioengat heeft doordat hij een periode in het buitenland heeft gewerkt. Om die reden is het volgens de man niet juist om de lijfrente, die bedoeld is om het pensioengat op te vullen, als vermogensvorming aan te merken.

23. De vrouw bestrijdt het gestelde pensioengat en heeft in dat verband onder meer opgemerkt dat de man tijdens zijn verblijf in België van (1989-1997) ook pensioenrechten heeft opgebouwd, namelijk Wettelijk Rustpensioen, een met de Nederlandse AOW vergelijkbare regeling.

24. Het hof overweegt dat de man, geconfronteerd met het voormelde gemotiveerde verweer van de vrouw, ter zitting en ook anderszins geen duidelijkheid heeft kunnen scheppen omtrent de hoogte van het in België opgebouwde pensioen en de omvang van het gestelde pensioengat. De betreffende grief van de man faalt om die reden nu deze onvoldoende is onderbouwd. Aangezien voor het overige niets is aangevoerd jegens het in eerste aanleg berekende netto gezinsinkomen zal het hof de berekening in eerste aanleg volgen en uitgaan van een netto gezinsinkomen van € 4.210,- per maand.

25. Nu partijen in 2008 uit elkaar zijn gegaan zal het hof de tabel 'eigen aandeel kosten van kinderen' behorend bij het Trema-rapport versie 2008 hanteren. Op grond van die tabel kunnen de uitgaven voor [kind 1] en [kind 2] worden berekend op € 985,- per maand (8 punten, tabel 2 kinderen) oftewel afgerond € 492,- per kind per maand. Dit is iets hoger dan in eerste aanleg is becijferd (€ 490,- per kind). Met betrekking tot de correctie voor bijzondere kosten overweegt het hof als volgt.

26. In eerste aanleg heeft de rechtbank bij de behoeftebepaling rekening gehouden met in totaal (voor beide kindren) € 80,- per maand extra kosten voor buitenschoolse kinderopvang en overblijfkosten. Ter zitting van het hof heeft de man zijn grief jegens deze extra kosten van kinderopvang aldus toegelicht dat hij niet de hoogte van de kosten bestrijdt maar wel dat deze als extra kosten dienen te worden beschouwd die niet zijn verdisconteerd in de algemene uitgaven voor de kinderen (tabel). Het hof volgt de man daarin niet en acht van belang dat op grond van de geldende Trema-normen de hier bedoelde kosten in het geval van een alleenstaande ouder wel als bijzondere kosten worden beschouwd. In dit verband heeft de man weliswaar betwist dat de vrouw alleenstaand is, maar het hof is van oordeel dat de man die stelling onvoldoende heeft onderbouwd en dat daarom geen aanleiding bestaat aan te nemen dat de vrouw samenwoont.

27. Met betrekking tot de door de vrouw bepleite correctie voor de koemelk- en tarweallergie overweegt het hof dat de man het bestaan van deze allergie heeft betwist en geen medische verklaring van een deskundige voorhanden is waaruit het bestaan van deze allergie, dan wel intolerantie, bij [kind 1] blijkt. Het hof volgt de vrouw daarom niet in haar voorgestelde correctie van € 100,- per maand voor deze beweerdelijke bijzondere kosten.

28. Het voorgaande betekent dat het hof de behoefte van [kind 1] en [kind 2] zal bepalen op afgerond € 533,- per kind per maand (€ 985,- + € 80,- / 2). Dit is dus nagenoeg gelijk aan de uitkomst van de behoefteberekening in eerste aanleg.

29. Vervolgens dient het aandeel van partijen als onderhoudsplichtigen te worden bepaald.

De draagkracht van de man

* het inkomen

30. Uit de stukken is het hof gebleken dat de man tot 1 maart 2010 werkzaam is geweest in dienst van de gemeente Steenwijkerland. Het hof zal voor wat betreft het inkomen van de man tot 1 oktober 2009 de berekening I van de rechtbank volgen en voor wat betreft de periode van 1 oktober 2009 tot 1 maart 2010 de berekening II, nu deze gegevens als zodanig niet zijn betwist in hoger beroep.

31. De man heeft zijn recente inkomenssituatie ter zitting aldus toegelicht dat hij bij

I-Sence voor 80 % per 1 maart 2010 in dienst is getreden tegen een bruto loon bij een fulltime dienstverband van € 5.145,- per maand exclusief vakantietoeslag. Over de maand maart 2010 heeft de man, naast zijn loon van I-Sence, een Ziektewetuitkering genoten vanuit zijn functie bij de gemeente Steenwijkerland. Toegelicht is door de man dat hij wegens gezondheidsproblemen de overstap heeft gemaakt naar I-Sence. De man werkt voor I-Sence op basis van een detavast-constructie, oftewel een detachering met uitzicht op een vast dienstverband bij de opdrachtgever. Vanaf 1 juli 2010 heeft de man zijn dienstverband bij I-Sence teruggebracht tot 60 %, teneinde te voorkomen dat hij een vast dienstverband misloopt doordat hij van de Ziektewet gebruik moet maken.

32. Het hof zal over de maand maart 2010 uitgaan van het door de man gestelde inkomen vanuit I-Sence, naast de Ziektewetuitkering die hij heeft genoten ter hoogte van 70 % van het loon dat hij had bij de gemeente Steenwijkerland. Het hof overweegt voorts dat de vrouw de medische noodzaak van de overstap heeft betwist en de man de gestelde gezondheidsklachten niet, althans onvoldoende, met relevante bescheiden heeft onderbouwd. Het hof zal daarom voor wat betreft de periode na 1 april 2010 uitgaan van het door de man gestelde nieuwe inkomen vanuit I-Sence, evenwel voor zover dat hoger is dan het oude inkomen van de man vanuit zijn functie bij de gemeente Steenwijkerland. Doorgerekend betekent dit dat het hof vanaf 1 juli 2010 uit zal gaan van het inkomen vermeld in draagkrachtberekening II van de rechtbank omdat dat hoger is dan het inkomen behorend bij het 60 % dienstverband bij I-Sence. In zaken als de onderhavige is immers niet alleen het feitelijk inkomen van belang maar ook het redelijkerwijs te verwerven inkomen. Het inkomen over de periode van 1 april 2010 tot 1 juli 2010 vanuit het (80 %) dienstverband bij I-Sence is hoger dan het oude inkomen van de man zodat het hof in de draagkrachtberekening over deze periode uit zal gaan van het loon dat de man verdiende bij I-Sence, te weten 80 % van € 5.145,- exclusief vakantietoeslag.

* de uitgaven inkomensvoorziening: premie lijfrente

33. De man heeft aangevoerd dat, net als bij de berekening van de behoefte, ook bij de berekening van zijn draagkracht ten onrechte geen rekening is gehouden met de premie lijfrenteverzekering die hij heeft afgesloten met het oog op zijn pensioengat.

34. Het hof heeft hiervóór in het kader van de behoefte overwogen dat de man geen duidelijkheid heeft kunnen scheppen omtrent de hoogte van het in België opgebouwde pensioen en de omvang van het gestelde pensioengat. Deze onduidelijkheid geldt bij de draagkracht van de man evenzeer. In het licht van hetgeen de vrouw ter zake heeft aangevoerd heeft de man de noodzaak van deze uitgave derhalve niet aannemelijk gemaakt, zodat daarmee ook bij de vaststelling van de draagkracht van de man geen rekening zal worden gehouden. Reeds wegens de nog bestaande onduidelijkheid valt immers niet in te zien waarom deze uitgave voorrang op de kinderalimentatie zou moeten hebben.

* de kosten van de omgangsregeling

35. In eerste aanleg heeft de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man over de periode tot 1 oktober 2009 op de post "kosten omgangsregeling" een bedrag van € 10,- per maand in aanmerking genomen, daartoe overwegende dat de man in die periode één dag omgang heeft gehad met de kinderen. Voor wat betreft de periode vanaf 1 oktober 2009 heeft de rechtbank een bedrag van € 222,- per maand op post kosten van omgang in aanmerking genomen.

36. In zijn beroepschrift betwist de man dat hij in de periode tot oktober 2009 op één dag omgang heeft gehad met de kinderen. De man geeft een opsomming van de dagen waarop hij omgang met de kinderen heeft gehad en berekent de kosten van de omgang in die periode op € 96,- per maand, bestaande uit reis- en verblijfskosten. De vrouw heeft zich daartegen verweerd en onder meer aangevoerd, onder verwijzing naar de Trema-normen, dat met reiskosten geen rekening meer wordt gehouden.

37. Het hof ziet in het onderhavige geval aanleiding om de kosten van omgang naar redelijkheid vast te stellen op € 90,- per maand, waarbij het hof in aanmerking neemt dat de man ter zitting het halen en brengen van de kinderen voor zijn rekening heeft genomen onder intrekking van de betreffende grief tegen de regeling, zoals die in eerste aanleg is vastgesteld. Voorts neemt het hof in aanmerking dat partijen het op hoofdlijnen eens zijn over de frequentie van de omgang tussen de man en de kinderen zoals die heeft plaatsgevonden en dat in beginsel geen rekening meer wordt gehouden met de aan de omgangsregeling verbonden reiskosten.

* de woonlasten

38. Tussen partijen is voorts de hoogte van de woonlasten van de man in geschil. De vrouw heeft in dit verband aangevoerd dat ten onrechte de volledige woonlasten in aanmerking zijn genomen bij de berekening van de draagkracht van de man. De man is inmiddels getrouwd en volgens de vrouw woont de man al heel lang samen met zijn echtgenote. De echtgenote van de man kan volgens de vrouw in eigen onderhoud voorzien nu zij een goede baan heeft als coach van managers, zodat gerekend moet worden met de helft van de woonlasten.

39. De man betwist dat hij vóór 1 november 2009 al samenwoonde en heeft ter onderbouwing daarvan een aantal GBA-uittreksels overgelegd. Ter zitting heeft de man voorts toegelicht dat hij op 1 november 2009 is gaan samenwonen met zijn echtgenote en op 4 december 2009 met haar is getrouwd.

40. Het hof overweegt dat in beginsel rekening wordt gehouden met de volledige, voor zover redelijke, woonlast. In het geval de onderhoudsplichtige samenwoont of getrouwd is wordt er in beginsel vanuit gegaan dat de nieuwe partner dan wel echtgeno(o)t(e) in eigen onderhoud kan voorzien en dus de helft van de woonlasten kan dragen. Het hof ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de stelling van de man dat hij eerst op 1 november 2009 is gaan samenwonen met zijn latere echtgenote. Nu de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn echtgenote niet in eigen onderhoud kan voorzien zal het hof met ingang van 1 november 2009 ervan uitgaan dat de helft van de woonlasten voor rekening van de man komen.

* de kosten van herinrichting en advocaatkosten

41. De rechtbank heeft bij de berekening van de draagkracht van de man in eerste aanleg rekening gehouden met een maandelijkse last van € 125,- voor kosten van herinrichting en daarnaast met een maandelijkse last van € 114,- op de post "overige kosten" ziende op advocaatkosten, naar de vrouw klaagt ten onrechte.

42. Onder verwijzing naar de Trema-normen overweegt het hof dat in geval van kinderalimentatie alleen rekening wordt gehouden met noodzakelijke lasten, waartoe slechts die lasten worden gerekend welke ten opzichte van de onderhoudsgerechtigde kinderen als redelijke uitgaven kunnen worden beschouwd. Advocaatkosten en kosten van herinrichting worden in beginsel niet beschouwd als een noodzakelijke last die voorrang heeft op kinderalimentatie. Ook in het onderhavige geval is naar het oordeel van het hof niet aangetoond dat het gaat om noodzakelijke kosten die voorrang op de kinderalimentatie moeten hebben. Het hof neemt in aanmerking dat de man uit de boedelverdeling een bedrag van ten minste € 30.000,- ter beschikking heeft gekregen. Voor zover de man zich erop heeft beroepen dat hij de vrouw tegemoet is gekomen bij de boedelverdeling overweegt het hof dat zulks niet op de kinderalimentatie kan worden afgewenteld. De man zal zijn financiële keuzes dienen af te stemmen op zijn onderhoudsverplichtingen jegens de kinderen.

De draagkrachtberekeningen betreffende de man

43. Al hetgeen hiervóór is overwogen, en mede in aanmerking genomen de niet betwiste posten in de draagkrachtberekingen van de rechtbank in eerste aanleg, leidt tot de aan deze beschikking gehechte en door de griffier gewaarmerkte draagkrachtberekeningen.

44. Uit de draagkrachtberekening met betrekking tot de periode vanaf de ingangsdatum 10 maart 2009 tot 1 oktober 2009 blijkt dat de man € 965,- per maand beschikbaar heeft voor kinderalimentatie (uitgaande van de 60 % norm en exclusief het fiscaal voordeel van in totaal € 110,- per maand). Het hof memoreert dat in deze periode is uitgegaan van het inkomen, zoals vermeld in de draagkrachtberekening I van de rechtbank in eerste aanleg.

45. Uit de draagkrachtberekening met betrekking tot de tweede periode, van 1 oktober 2009 tot 1 november 2009 blijkt dat de man € 870,- per maand beschikbaar heeft voor alimentatie (uitgaande van de 70 % norm zoals die per 1 juli 2009 geldt op grond van de gewijzigde Trema-normen). Inclusief fiscaal voordeel heeft de man in deze periode € 959,- per maand beschikbaar voor beide kinderen. Het hof memoreert dat in deze periode is uitgegaan van het inkomen als vermeld in de draagkrachtberekening II van de rechtbank.

46. Uit de draagkrachtberekening met betrekking tot de periode van 1 november 2009 tot 1 maart 2010 (de man kan per 1 november 2009 de woonlasten delen) blijkt dat de man € 1.058,- per maand beschikbaar heeft voor alimentatie. Inclusief het fiscaal voordeel buitengewone uitgaven kinderen is dat € 1.147,- per maand.

47. Uit de draagkrachtberekening met betrekking tot de maand maart 2010, waarin de man zowel een Ziektewetuitkering heeft genoten als loon vanuit zijn dienstbetrekking bij I-Sence blijkt dat de man, inclusief fiscaal voordeel,

€ 2.540,- per maand beschikbaar heeft voor alimentatie. Over de maanden april tot juli 2010 heeft de man alleen het inkomen vanuit zijn (80 %) dienstverband bij I-Sence genoten. Onder verwijzing naar de betreffende draagkrachtberekening zoals gehecht aan deze beschikking, overweegt het hof dat de man in deze periode ook voldoende draagkracht heeft voor het voldoen van zijn aandeel als navermeld in de uitgaven voor de kinderen.

48. Ten slotte blijkt uit de draagkrachtberekening met betrekking tot de periode vanaf 1 juli 2010 (tarieven 2010/2) dat de man € 1.053,- per maand beschikbaar heeft voor kinderalimentatie. Inclusief fiscaal voordeel is dat € 1.144,- per maand. Het hof memoreert, onder verwijzing naar hetgeen hiervóór in de beschikking is overwogen omtrent het inkomen van de man, dat in deze periode is uitgegaan van het inkomen dat de man laatstelijk verdiende in zijn functie bij de gemeente Steenwijkerland.

De draagkracht van de vrouw en de verdeling van de behoefte

49. Nu beide partijen als ouders onderhoudsplichtig zijn ten opzichte van de kinderen en uit de stukken blijkt dat de vrouw eigen inkomsten heeft, dient in beginsel de behoefte van de kinderen over partijen verdeeld te worden naar rato van draagkracht.

50. De man heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat in de draagkrachtberekening aan de zijde van de vrouw ook rekening moet worden gehouden met inkomsten uit vermogen. De vrouw heeft dit bestreden.

51. Het hof overweegt dat partijen beide geld hebben ontvangen uit de verkoop van hun woning. Tevens hebben zij hun spaargeld verdeeld. Zij verkeren wat dat betreft in een gelijke positie. Omdat het hof aan de zijde van de man geen rekening houdt met inkomen uit vermogen, ziet het hof geen aanleiding dit wel aan de zijde van de vrouw te doen. De vrouw heeft weliswaar een iets hoger bedrag ontvangen dan de man, maar in deze omstandigheid ziet het hof geen reden van het hierboven gegeven oordeel af te wijken, nu het om een niet al te groot bedrag gaat en de vrouw nauwelijks inkomen uit dat deel van haar vermogen zal genereren.

52. Het hof is voorts van oordeel dat er onvoldoende recente gegevens, onderbouwd met relevante bescheiden, omtrent de financiële situatie van de vrouw beschikbaar zijn om een adequate draagkrachtvergelijking te kunnen maken. De brief met bijlagen van 30 augustus 2009 is in dit verband geweigerd nu deze te laat is ingediend. De man heeft onweersproken gesteld dat de vrouw over meer inkomen beschikt dan ten tijde van de behandeling van het verzoek bij de rechtbank bekend was. In verband hiermee is de man van mening dat de vrouw dient bij te dragen in de behoefte van de kinderen naar rato van haar inkomen. Het hof ziet aanleiding de man hierin te volgen en zal bij gebrek aan nadere gegevens als uitgangspunt hanteren dat het aandeel van partijen in de behoefte van [kind 1] en [kind 2] gelijk is, dat wil zeggen ieder bij helfte.

53. De totale behoefte voor beide kinderen is hiervóór vastgesteld op € 1066,- per maand. Hieruit volgt dat het aandeel van de man in de behoefte afgerond € 533,- per maand bedraagt oftewel € 266,- per kind per maand.

54. Nu de man evenwel heeft aangeboden € 350,- per kind per maand te betalen zal het hof bepalen, mede gelet op hetgeen hiervóór omtrent de ingangsdatum en de draagkracht van de man is overwogen, dat de man met ingang van 10 maart 2009

€ 350,- per kind per maand dient te voldoen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2].

Slotoverwegingen

55. Al hetgeen hiervóór is overwogen leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en dat opnieuw zal worden beslist als na te melden.

56. Eventueel teveel betaalde kinderalimentatie hoeft door de vrouw niet te worden terugbetaald aan de man gelet op het consumptieve karakter ervan, alsmede gelet op het feit dat de man geen bijdrage heeft betaald die hoger is dan de behoefte van de kinderen.

Proceskosten

57. Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt in zaken als de onderhavige dat ieder der gewezen echtgenoten de eigen proceskosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, van

1 oktober 2009 waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

stelt als contactregeling tussen de man en de min[kind 1]rigen [kind 1], geboren [in 1999] en [kind 2], geboren [in 2003] vast:

eenmaal per 14 dagen, telkens van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen. De man haalt en brengt de kinderen;

stelt de door de man aan de vrouw verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen [kind 1] en [kind 2] vast op € 350,- per kind per maand met ingang van 10 maart 2009, telkens bij vooruitbetaling te voldoen voor zover de termijnen nog niet zijn verstreken;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van het geding in hoger beroep alsdus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven door mrs. Jonkman, voorzitter, Van der Meer en De Ruijter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 11 november 2010 in bijzijn van de griffier.