Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO5083

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
24-002597-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten laste gelegd is medeplegen van poging tot doodslag dan wel zware mishandeling, subsidiair openlijke geweldpleging, meer subsidiair medeplegen van mishandeling. Verdachte is verwikkeld geraakt in een vechtpartij in een feesttent. Uit het dossier leidt het hof af dat hij werd “meegezogen” in het ontstane tumult. Het hof acht niet boven redelijke twijfel verheven dat verdachte een wezenlijke of substantiële bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde geweld of op andere wijze daaraan een strafrechtelijk verwijtbaar aandeel heeft gehad. Vrijspraak van de gehele tenlastelegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002597-09

Parketnummer eerste aanleg: 17-880241-09

Arrest van 19 november 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 14 oktober 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1990] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. B. de Haan, advocaat te Lemmer.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis voor het subsidiair ten laste gelegde misdrijf veroordeeld tot een straf, een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij en daarbij een maatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal vrijspreken van het primair ten laste gelegde en voor het subsidiair ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering is doorgebracht, en voorts dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 750,- aan immateriële schadevergoeding en € 49,15 aan materiële schadevergoeding, in hoofdelijkheid met zijn mededaders, en met oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 mei 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde] (nadat deze naar of tegen de grond was geslagen en/of geduwd, dan wel gewerkt en/of zijn bewustzijn had verloren) meermalen en/of met kracht in en/of tegen het gezicht, dan wel op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft/hebben geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 24 mei 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Suderseewei, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde], welk geweld bestond uit

- het (meermalen) duwen tegen de borst, althans het lichaam van die [benadeelde] en/of

- het (meermalen en/of met kracht) slaan in en/of tegen het gezicht en/of op en/of tegen het

hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam van die [benadeelde] en/of

- het naar de grond duwen en/of slaan, dan wel werken van die [benadeelde] en/of

- het (meermalen en/of met kracht) schoppen in en/of tegen het gezicht, dan wel op en/of tegen

het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam van die [benadeelde];

meer subsidiair, zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 24 mei 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]) (meermalen) tegen de borst, althans het lichaam heeft geduwd en/of (meermalen en/of met kracht) in en/of tegen het gezicht en/of op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of naar de grond heeft geduwd en/of geslagen, dan wel gewerkt en/of (meermalen en/of met kracht) in en/of tegen het gezicht, dan wel op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geschopt.

Vrijspraak

Op grond van de zich in het dossier bevindende verklaringen stelt het hof vast dat verdachte verwikkeld is geraakt in een vechtpartij in een feesttent tussen enerzijds aangever en anderzijds verdachte en een tweetal vrienden van hem. Uit de voorhanden zijnde gegevens valt af te leiden dat verdachte zijns ondanks werd 'meegezogen' in het ontstane tumult. Verdachte heeft aangever weliswaar geduwd en geprobeerd hem te slaan, nadat aangever hetzelfde bij verdachte had gedaan. In deze situatie echter was er sprake van een een-op-een situatie en hebben deze gedragingen niet geleid tot bewijs voor het primair of subsidiair ten laste gelegde.

Verdachte heeft erkend aangever in een latere fase te hebben vastgehouden, nadat deze door toedoen van anderen op de grond was beland en werd geslagen. Ter zake heeft verdachte verklaard dat hij dit enkel heeft gedaan om te voorkomen dat hij door aangever zou worden geslagen.

Op grond van het vorenstaande acht het hof niet boven redelijke twijfel verheven dat verdachte een wezenlijke of substantiële bijdrage heeft geleverd aan het jegens aangever gepleegde geweld of op een andere wijze daaraan een strafrechtelijk verwijtbaar aandeel heeft gehad. Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van het hem primair en subsidiair ten laste gelegde.

Voor zover het meer subsidiair ten laste gelegde al voor een bewezenverklaring in aanmerking zou komen, stelt het hof vast dat reeds de omstandigheid dat het bestanddeel "waardoor deze letsel heeft bekomen of pijn heeft ondervonden" in de tenlastelegging ontbreekt, daaraan in de weg staat.

Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van de gehele tenlastelegging.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter 's hofs terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij, [benadeelde], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg gedeeltelijk is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Nu aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd, terwijl evenmin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, dient de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde], wonende te [woonplaats], niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding, tot op heden begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. S.H. Wachter en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier.