Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO5043

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
200.062.449
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wanneer juist is dat de rechtbank geen afschrift van de beschikking naar de vrouw heeft gestuurd, dan is dat in strijd met de wet, maar op grond van hetgeen het hof voorts overweegt had de vrouw desondanks tijdig in beroep kunnen komen en haar hoger beroep dan ook moet worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 11 november 2010

Zaaknummer 200.062.449

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Elderhuis, kantoorhoudende te Winschoten,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. J. Pape, kantoorhoudende te Winschoten.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 22 december 2009 heeft de rechtbank Groningen het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van 20 maart 2007 van de rechtbank Groningen toegewezen en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kind 1] (hierna ook: [kind 1]), geboren op [1991] in de gemeente [gemeente] en [kind 2], geboren op [1996] in de gemeente [gemeente], met ingang van 2 oktober 2009 gesteld op nihil.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 12 april 2010, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 22 december 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen:

primair dat het verzoek van de man tot nihilstelling van de kinderalimentatie wordt afgewezen

en subsidiair, te bepalen - zo begrijpt het hof - dat de man een door het hof vast te stellen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal voldoen, met ingang van een door het hof te bepalen datum.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 21 mei 2010, heeft de man het verzoek bestreden en verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

Ter zitting van 28 oktober 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn partijen en hun advocaten.

De beoordeling

Te laat ingekomen stukken

1. Van mr. Pape is op 26 oktober 2010 bij de griffie van het hof binnengekomen een brief van 25 oktober 2010 met bijlagen.

Ingevolge artikel 1.4.3. van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven moeten stukken waarop iemand zich wenst te beroepen zo spoedig mogelijk worden overgelegd, maar in ieder geval uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling. Op stukken die nadien worden overgelegd wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Nu de mondelinge behandeling op 28 oktober 2010 is bepaald en ook heeft plaatsgevonden en van de zijde van de mr. Pape bij genoemde brief (nog) stukken zijn overgelegd, is dat niet gebeurd met inachtneming van de hiervoor bedoelde termijn.

Nu geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een andere beslissing van het hof moeten leiden, ziet het hof ook geen aanleiding anders te beslissen en zal het derhalve geen acht slaan op de brief en de bijgevoegde stukken.

2. Een uitzondering wordt door het hof gemaakt voor de bij voornoemde brief gevoegde loonspecificatie van de man over de maand oktober 2010, nu deze bijlage niet (veel) eerder kon worden toegezonden. Dit stuk wordt wel toegevoegd aan het procesdossier van het hof.

Procespartijen

3. [kind 1] heeft van het hof een brief van 20 september 2010 ontvangen, zoals deze wordt toegezonden aan alle minderjarigen in alimentatieprocedures, indien zij de leeftijd van 16 of 17 jaar hebben bereikt. Zij heeft daarop bij brief van

5 oktober 2010 gereageerd.

Echter, aangezien zij tijdens de beroepsprocedure jong-meerderjarig is geworden, heeft het hof [kind 1], bij brief van 19 oktober 2010, tevens als belanghebbende aangemerkt. Van haar is vervolgens geen verweerschrift ontvangen.

Ontvankelijkheid van de vrouw

4. De vrouw stelt dat zij kan worden ontvangen in haar beroep, nu de (bestreden) beschikking van de rechtbank Groningen van 22 december 2009 op 13 januari 2010 aan haar is betekend. De vrouw heeft haar beroepschrift op 13 april 2010 bij het hof ingediend, derhalve binnen drie maanden na betekening, zo is haar stelling.

De vrouw heeft desgevraagd bevestigd dat zij, van de rechtbank, het inleidend verzoekschrift van de man heeft ontvangen.

Het wettelijke kader

5. Ingevolge het bepaalde in artikel 358 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechts¬vorde¬ring (hierna te noemen: Rv) dient hoger beroep door de niet in de procedure in eerste aanleg verschenen belang¬hebbende te worden ingesteld binnen drie maanden na de betekening van de eindbeschikking of nadat de beschikking hem op andere wijze bekend is geworden.

6. Artikel 806 Rv geeft voor zaken van personen- en familierecht anders dan scheidingszaken een van het bepaalde in artikel 358 lid 2 Rv afwijkende regeling voor de aanvang van de hoger beroepstermijn. Ingevolge artikel 806 lid 1 sub a Rv kan hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschik¬king is verstrekt binnen drie maanden na de dag van de uitspraak. Het gaat daarbij om een procespartij als bedoeld in artikel 805 Rv, te weten degene aan wie een afschrift van het verzoekschrift is verzonden. Andere belanghebbenden kun¬nen binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak hoger beroep in stellen, dan wel binnen drie maanden nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

7. De vrouw beroept zich, zo begrijpt het hof, op het gestelde onder lid 1 sub b. van dit artikel. Dit is onjuist: de vrouw heeft, als wederpartij van de man en dus procespartij, een afschrift van het verzoekschrift ontvangen van de rechtbank, dus zij dient zich te baseren op lid 1 sub a van artikel 806 Rv. Op grond daarvan liep de beroepstermijn voor de vrouw tot en met 22 maart 2010.

8. De vrouw heeft aangevoerd dat de rechtbank haar geen afschrift van de beschikking heeft gezonden. Aan de advocaat van de vrouw is door de rechtbank Groningen desgevraagd medegedeeld, dat door de griffie geen afschriften worden verzonden aan partijen die niet ter zitting zijn verschenen. Haar advocaat heeft ter zitting van het hof aangevoerd dat de fout van de griffie de vrouw niet tegengeworpen kan worden.

9. Voorop dient gesteld te worden dat, als deze informatie van de rechtbank correct is weergegeven, de rechtbank in strijd met de wet handelt. Op grond van het gestelde in de wet diende de rechtbank een afschrift van de beschikking aan de vrouw te zenden.

10. De Hoge Raad heeft hierover onder meer in het arrest van 28 november 2003 geoordeeld dat de beroepstermijn verlengd dient te worden indien er door een fout van de griffie geen beroep meer mogelijk zou zijn voor (in dit geval) de vrouw (LJN AN 8489).

11. In dit geval was tijdig in beroep komen voor de vrouw nog wel mogelijk, aangezien zij op 13 januari 2010 kennis droeg van het feit dat er op 22 december 2009 een beschikking was gegeven, waarvan de appeltermijn verliep op 22 maart 2010.

12. Het hof komt dan ook in de lijn van de jurisprudentie van de Hoge Raad tot het oordeel dat de vrouw niet tijdig in beroep is gekomen, zodat haar beroep zal worden afgewezen.

13. Wellicht ten overvloede merkt het hof hierbij op dat de door de advocaat van de vrouw genoemde uitspraak van dit hof (van 27 juli 2010) die andersluidend zou zijn op dit punt, een gezagskwestie betrof waarin andere termijnen gelden. Het hof verwijst in dit verband naar de rechtsoverwegingen van het hof over de ontvankelijkheid in die beschikking.

Slotsom

14. Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

wijst het beroep van de vrouw tegen de beschikking van de rechtbank Groningen van 22 december 2009 af, met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

Aldus gegeven door mrs. A.H. Garos, voorzitter, B.J.J. Melssen en G.M. van der Meer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van

11 november 2010 in bijzijn van de griffier.