Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO5005

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
200.052.728
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Behoefte van het kind van wie man de biologische vader is is niet afhankelijk van hetgeen de man aan kinderalimentatie voldoet voor zijn kinderen uit eerdere relatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 16 november 2010

Zaaknummer 200.052.728

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. K.J. Meijer, kantoorhoudende te Sint Annaparochie,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.S. Bauer, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 30 september 2009 heeft de rechtbank Leeuwarden de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [het kind] (hierna: [het kind]), geboren op [2007] in de gemeente [gemeente], met ingang van 10 juli 2007 bepaald op € 335,-- per maand en vanaf 1 juli 2009 op € 384,-- per maand.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 29 december 2009, heeft de man verzocht de beschikking van 30 september 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat de door de man bij te dragen alimentatie ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [het kind] op nihil zal worden gesteld, dan wel op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 14 mei 2010, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht het beroep van de man ongegrond te verklaren.

Tevens heeft de vrouw bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikking van 30 september 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende de alimentatiebijdrage voor [het kind] met ingang van 10 juli 2007 te bepalen op € 400,--, met veroordeling van de man in de kosten in de tenuitvoerlegging voor zover door hem veroorzaakt.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 29 juni 2010, heeft de man het verzoek in het incidenteel beroep bestreden.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van

20 augustus 2010 met bijlagen van mr. Bauer en een brief van 20 augustus 2010 met een bijlage van mr. Meijer.

Ter zitting van 6 september 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaat.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Partijen hebben na december 2005 met elkaar een affectieve relatie gehad. Deze relatie is inmiddels beëindigd. Uit de vrouw is [het kind] geboren.

2. Na beëindiging van de relatie van partijen is de man in voor hem tweede echt gehuwd geweest met mevrouw [tweede vrouw van de man] (hierna: [tweede vrouw van de man]). Dit huwelijk is op

20 mei 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3. De vrouw heeft bij haar inleidend verzoek verzocht te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] van € 400,-- per maand dient te voldoen.

4. Vanwege de ontkenning van het vaderschap door de man heeft de rechtbank bij beschikking van 13 februari 2008 DNA-onderzoek gelast. De man heeft om hem moverende redenen geweigerd dit onderzoek te laten verrichten.

5. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank beslist zoals hiervoor is weergegeven onder 'Het geding in eerste aanleg'. De man heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld. De vrouw heeft incidenteel appel ingesteld.

De geschilpunten

6. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

• de onderhoudsplicht van de man jegens [het kind];

• de behoefte van [het kind];

• de draagkracht van de man en wel op de volgende punten:

o de hoogte van het inkomen van de man;

o het vermogen van de man;

o de woonlasten van de man;

o de bijdrage van de partner van de man in de woonlasten;

o de te hanteren bijstandsnorm;

o de aflossing van de schuld;

o de omgangskosten in de periode tot 1 mei 2009;

o het redelijke bestaansminimum van het gezin van de man;

• de bijdrage van de vrouw in de kosten van [het kind].

De overwegingen

De onderhoudsplicht van de man jegens [het kind]

7. De rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 29 april 2009 overwogen dat de man, nu hij niet wil en/of kan meewerken aan een DNA-onderzoek, onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet onderhoudsplichtig is jegens [het kind]. Het hof stelt vast dat de man, hoewel hij zich thans nog steeds op het standpunt stelt dat hij niet de biologische vader van [het kind] is, geen grieven heeft gericht tegen die overweging, noch tegen de rechtsgevolgen die de rechtbank daaraan heeft verbonden.

8. Gelet hierop is het hof van oordeel dat hetgeen de rechtbank heeft overwogen als uitgangspunt dient te worden genomen. De man is derhalve in beginsel onderhoudsplichtig jegens [het kind].

De behoefte van [het kind]

9. Partijen verschillen van mening over de hoogte van de behoefte van [het kind]. Volgens de man moet de behoefte van [het kind] worden bepaald op een bedrag van ongeveer € 100,-- of ten hoogste op het bedrag dat de man dient te voldoen als bijdrage in de kosten van zijn twee kinderen uit zijn eerste huwelijk, zijnde

€ 216,-- per kind per maand. De vrouw is van mening dat de behoefte van [het kind] hoger is. Dat deze behoefte hoger is dan hetgeen de man voor zijn twee andere kinderen dient te betalen, kan volgens haar zijn gelegen in de omstandigheid dat de vorige echtgenote van de man zelf meer kan bijdragen in de kosten van die kinderen.

10. Het hof overweegt dat de hoogte van de te bepalen behoefte van [het kind] volledig los staat van de door de man voor zijn kinderen uit een eerder huwelijk te betalen bijdrage. De behoefte van de kinderen dient te worden bepaald aan de hand van de inkomensgegevens van de beide ouders gedurende de laatste periode van de samenwoning of relatie, de samenstelling van het gezin en de leeftijd van de kinderen. Gelet hierop zal de behoefte van de kinderen die de man met zijn ex-echtgenote heeft op een ander bedrag moeten worden vastgesteld dan de behoefte van [het kind]. Uit de overgelegde stukken blijkt bovendien niet dat de behoefte van die kinderen daadwerkelijk € 216,-- per kind per maand bedraagt. Indien de ex-echtgenote van de man in staat is voor een deel zelf bij te dragen in de kosten van deze kinderen, zal de betalingsverplichting van de man niet gelijk zijn aan de gehele behoefte van de kinderen.

11. Het hof zal de behoefte van [het kind] conform de geldende richtlijnen vaststellen. Nu partijen niet hebben samengewoond, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behoefte van [het kind] wordt vastgesteld op het gemiddelde van de bij het inkomen van de vader en het inkomen van de moeder behorende behoefte.

12. De moeder heeft onbetwist gesteld dat zij vóór de geboorte van [het kind] een inkomen had van € 1.300,-- netto per maand. Uitgaande van de CBS-Nibud tabel met betrekking tot het eigen aandeel in de kosten van kinderen uit 2007 - het geboortejaar van [het kind] - dient op basis van het inkomen van de moeder haar behoefte bij vier kinderbijslagpunten te worden bepaald op € 164,-- per maand.

13. Gelet op de hierna opgenomen draagkrachtberekening van de man bedroeg het netto besteedbaar inkomen van de man in 2008 € 2.787,-- per maand. Nu niet blijkt dat de man in 2007 substantieel minder verdiende, zal het hof de behoefte van [het kind] aan de hand van dit inkomen bepalen. Uitgaande van vier kinderbijslagpunten dient de behoefte op basis van het inkomen van de man op grond van de CBS-Nibud tabel met betrekking tot het eigen aandeel in de kosten van kinderen uit 2007 te worden bepaald op € 504,-- per maand.

14. De gemiddelde behoefte van [het kind] bedraagt derhalve ( € 164,-- + € 504,-- =)

€ 668,-- / 2 = € 334,-- per maand. Nu de moeder een hogere bijdrage heeft verzocht dan waarop de behoefte van [het kind] moet worden bepaald, heeft als bovengrens van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] de behoefte van € 334,-- per maand te gelden.

De draagkracht van de man

* De hoogte van het inkomen van de man

15. Het hof stelt vast dat de man heeft nagelaten jaaropgaven over de jaren 2007, 2008 en 2009 over te leggen. De vrouw heeft echter gesteld dat uit de jaaropgave 2008 een jaarloon van € 46.128,-- volgt. De man heeft niet betwist dat hij dit inkomen in 2008 heeft genoten. Nu uit de jaaropgave alle genoten vergoedingen en bonussen zijn opgenomen, zal het hof van dat inkomen uitgaan.

16. Voor zover de man heeft gesteld dat zijn inkomen in 2009 € 3.000,-- lager was, gaat het hof daaraan voorbij. De man heeft nagelaten zijn stelling te onderbouwen met een jaaropgave. De enkele salarisspecificaties van een aantal maanden in het jaar 2009 acht het hof onvoldoende om de berekening van het jaarinkomen op te baseren. Het hof neemt daarbij mede in overweging dat de man geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen over een aantal op de specificaties genoemde posten.

17. Voorts stelt de vrouw dat het door de rechtbank gehanteerde netto inkomen van

€ 50,-- per maand uit het werk van de man voor Sauna/Thermabeauty De Woudfennen te laag is. Zij wijst erop dat de man geen enkele belastingaangifte/aanslag heeft overgelegd, zodat niet duidelijk is hoe hoog het inkomen van de man bij De Woudfennen is. Daarnaast stelt de vrouw uit de weggestreepte betaling op het bankafschrift van 22 mei 2007 te ontcijferen dat de man op 21 mei 2007 een betaling heeft ontvangen van De Woudfennen met als omschrijving 'salaris mei'. Dit is volgens haar moeilijk te rijmen met de bewering van de man dat hij een nul-urencontract heeft, alleen invalt bij ziekte en ongeveer € 50,-- per maand minus de reiskosten overhoudt.

18. De man stelt dat hij slechts sporadisch inkomen geniet uit zijn werkzaamheden bij De Woudfennen. Hij wijst erop dat hij een nul-urencontract heeft en vanwege de reisafstand slechts enkele malen wordt opgeroepen.

19. Het hof stelt vast dat de man niet ontkent dat hij een contract heeft bij De Woudfennen en dat hij voor werkzaamheden een vergoeding ontvangt. Met betrekking tot die vergoeding overweegt het hof het volgende. De man heeft bankafschriften overgelegd die een periode van vier maanden betreffen. Op die bankafschriften wordt éénmaal melding gemaakt van een overboeking van De Woudfennen. Het hof is van oordeel dat deze enkele overboeking in een periode van vier maanden onvoldoende is om aan te nemen dat de man - zoals de vrouw stelt - regelmatig een inkomen geniet uit zijn werkzaamheden bij De Woudfennen. Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat de man een nul-urencontract heeft en derhalve op oproepbasis werkzaamheden verricht. Het hof acht voorts aannemelijk dat de man vanwege de reisafstand tussen zijn woonplaats en De Woudfennen slechts in beperkte mate wordt opgeroepen.

20. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de man meer inkomsten genereert uit zijn werkzaamheden bij De Woudfennen dan het bedrag van € 50,-- per maand waarmee de rechtbank rekening heeft gehouden. De man heeft bovendien gesteld dat op dat bedrag zijn reiskosten nog in mindering gebracht moeten worden. Deze stelling is door de vrouw niet weersproken. Gelet op de reisafstand en de hoogte van de kosten die daarmee zijn gemoeid, zal het hof de inkomsten van de man bij De Woudfennen bij de berekening van de draagkracht buiten beschouwing laten.

* Het vermogen van de man

21. De vrouw is van mening dat rekening moet worden gehouden met het vermogen van de man. Zij wijst erop dat uit de door de man overgelegde bankafschriften blijkt dat de man forse bedragen overmaakt naar zijn spaarrekening. Bovendien heeft hij de opbrengst van de verkochte woning in handen gekregen, zo stelt zij.

22. Het hof is van oordeel dat op grond van de stukken en hetgeen partijen hebben gesteld niet aannemelijk is geworden dat de man over een zodanig vermogen beschikt dat hij daaruit een substantieel inkomen verwerft. Het hof overweegt daartoe het volgende. De vrouw heeft haar stellingen niet nader onderbouwd, terwijl de man deze stellingen heeft ontkend. Uit de overgelegde stukken kan niet blijken dat de man regelmatig zodanig grote bedragen op een spaarrekening heeft gestort dat daaruit moet worden geconcludeerd dat hij over een vermogen beschikt. Ten aanzien van de door de man verkregen overwaarde uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning, overweegt het hof dat de man op grond van de belastingwetgeving verplicht was deze overwaarde in een nieuwe woning te investeren. Nu hij ook stelt dit te hebben gedaan en de onjuistheid van die stelling niet is gebleken, kan niet worden geoordeeld dat hij thans nog inkomsten verwerft uit de opbrengst uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning.

23. Gelet op het voorgaande zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening houden met enig inkomen uit vermogen.

* De woonlasten van de man

24. Uit de door de man overgelegde stukken met betrekking tot de hypotheek volgt dat hij een bedrag van € 764,08 per maand aan hypotheekrente dient te voldoen. Voorts blijkt daaruit dat de premie van de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering € 147,54 per maand bedraagt. Het door de man gestelde hogere bedrag aan hypotheekrente van € 812,-- per maand is door hem niet onderbouwd. Nu de vrouw deze verhoging heeft betwist, zal het hof ten aanzien van de woonlasten uitgaan van een hypotheekrente van € 764,08 per maand.

25. Tussen partijen is niet in geschil dat het eigenwoningforfait € 940,-- per maand bedraagt, zodat het hof daarvan zal uitgaan.

* De bijdrage van de partner van de man in de woonlasten

26. De man is op 7 augustus 2007 met mevrouw [tweede vrouw van de man] gehuwd. Dit huwelijk is op 20 mei 2010 ontbonden. De man stelt dat [tweede vrouw van de man] niet in haar eigen levensonderhoud kon voorzien, aangezien zij nog studerende was en naast haar studie geen baan had. De man is daarom van mening dat hij - mede gelet op zijn wettelijke onderhoudsplicht als echtgenoot - in het levensonderhoud van [tweede vrouw van de man] diende te voorzien. Volgens hem dienen de woonlasten dan ook volledig aan hem te worden toegerekend.

27. Het hof is met de vrouw van oordeel dat in de periode waarin de man gehuwd was met [tweede vrouw van de man], slechts de helft van de woonlasten ten laste van zijn draagkracht kunnen worden gebracht. Het hof overweegt daartoe dat [tweede vrouw van de man] gezien haar leeftijd in beginsel geacht wordt in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Dit is slechts anders indien moet worden vastgesteld dat zij op rechtens te rechtvaardigen gronden (bijvoorbeeld medische redenen) niet in staat was (deels) in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De man heeft weliswaar gesteld dat [tweede vrouw van de man] naast haar studie geen baan had, maar hij heeft gesteld noch aangetoond dat zij in het geheel geen werkzaamheden kon verrichten. [tweede vrouw van de man] moet dan ook in staat worden geacht in haar eigen levensonderhoud te hebben voorzien.

28. Gelet hierop wordt [tweede vrouw van de man] geacht de helft van de woonlasten voor haar rekening te hebben genomen. Het hof zal derhalve bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met de helft van de woonlasten. Vanaf 20 mei 2010 - de datum waarop het huwelijk tussen de man en [tweede vrouw van de man] is ontbonden - zal het hof wel de volledige woonlasten voor rekening van de man laten komen.

* De te hanteren bijstandsnorm

29. Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat de bijstandsnorm voor een gezin dient te worden gehanteerd voor de periode waarin hij was gehuwd met [tweede vrouw van de man]. Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen, wordt [tweede vrouw van de man] - mede gelet op haar leeftijd - geacht in haar eigen levensonderhoud te hebben kunnen voorzien, nu niet is gebleken dat [tweede vrouw van de man] niet in staat was naast haar studie werkzaamheden te verrichten. Gelet hierop zal het hof bij de berekening van de draagkracht dan ook uitgaan van de alleenstaandennorm.

* De aflossing van de schuld

30. De man stelt maandelijks € 125,-- af te lossen op een niet-huwelijkse schuld. Hij stelt dat er bij de verkoop van de woning in februari 2007 een tekort was van bijna € 6.000,--. Teneinde de facturen te kunnen voldoen heeft hij dit bedrag van de ouders van [tweede vrouw van de man] geleend, aldus de man. De vrouw betwist het bestaan en de noodzaak van de schuld.

31. Anders dan de vrouw is het hof van oordeel dat uit de door de man overgelegde stukken genoegzaam is gebleken dat de man de door hem gestelde lening is aangegaan teneinde het tekort bij de verkoop van de woning te kunnen voldoen. Voorts heeft de man voldoende aangetoond dat hij op de schuld aflost. Met de aflossing van de schuld dient daarom naar het oordeel van het hof rekening te worden gehouden bij de berekening van de draagkracht.

32. Het hof is echter tevens van oordeel dat uit de stukken blijkt dat de man in de maanden februari tot en met april 2007 een bedrag van in totaal € 3.500,-- heeft afgelost, zodat de restschuld in mei 2007 € 2.500,-- bedroeg. Gelet op de aflossing van € 125,-- per maand had de man de schuld vanaf mei 2007 in 20 maanden kunnen voldoen. Op grond van het door de man overgelegde overzicht dient echter te worden geconcludeerd dat hij een aantal keren de lening heeft verhoogd. Het hof is van oordeel dat de man niet heeft aangetoond dat deze verhogingen noodzakelijk waren. Daarom kunnen deze verhogingen niet ten laste van de draagkracht van de man worden gebracht. Het hof zal dan ook over de periode van 10 juli 2007 tot en met februari 2009 een bedrag van € 125,-- per maand aan aflossing op de schuld meenemen in de draagkrachtberekening. Voor de periode na februari 2009 dient de aflossing buiten beschouwing te worden gelaten.

* De omgangskosten in de periode tot 1 mei 2009

33. Naar de mening van de vrouw heeft de rechtbank ten onrechte ook vóór 1 mei 2009 rekening gehouden met de omgangskosten, nu de man heeft gesteld dat vóór mei 2009 geen omgang tussen hem en zijn kinderen uit een eerder huwelijk plaatsvond. De man merkt op dat wanneer de moeder van zijn kinderen uit een eerder huwelijk de kinderen niet moedwillig bij hem vandaan had gehouden, er wel omgang had plaatsgevonden. Daarnaast stelt hij dat de omgang weer sinds maart 2009 van kracht is.

34. Wat er ook zij van het al dan niet plaatsvinden van omgang tussen de man en de kinderen uit zijn eerdere huwelijk, de kosten voor die omgang kunnen niet in de onderhavige zaak ten laste van de draagkracht worden gebracht. In de berekening van de draagkracht ten behoeve van kinderalimentatie kunnen slechts die omgangskosten worden meegenomen die de alimentatieplichtige maakt ten aanzien van de omgang tussen hem en het kind voor wie de kinderalimentatie dient te worden vastgesteld. Het hof zal daarom de door de man gestelde omgangskosten in het geheel buiten beschouwing laten.

* Het redelijk bestaansminimum van het gezin van de man

35. De man stelt zich op het standpunt dat de mate waarin thans voor de kinderen alimentatie wordt verlangd - mede met inachtneming van de maandelijkse kosten van de man voor levensonderhoud, huisvesting, enzovoort - het redelijk bestaansniveau van zijn huidige gezin aantast.

36. Het hof overweegt hieromtrent dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de berekende draagkracht van de man gelijkelijk dient te worden verdeeld over alle kinderen voor wie de man onderhoudsplichtig is, in casu drie kinderen. De verdeling van die draagkracht vindt plaats naar evenredigheid van de behoefte van de kinderen. Nu niet bekend is wat de daadwerkelijke behoefte is van de kinderen van de man uit het eerdere huwelijk, zal het hof de draagkracht gelijkelijk verdelen over de drie kinderen. Het hof is van oordeel dat het bestaansminimum van de man op deze wijze niet wordt aangetast.

De draagkracht van de man

37. Voor zover de man in de door hem overgelegde draagkrachtberekening andere bedragen heeft opgenomen dan de rechtbank heeft gehanteerd in de berekening die aan de bestreden beschikking is gehecht, zal het hof deze wijzigingen - voor zover hiervoor niet anders is vermeld - niet meenemen in de berekening, aangezien de man deze wijzigingen niet heeft onderbouwd en niet heeft aangetoond wanneer deze wijzigingen zijn ingegaan.

38. Gelet op het voorgaande en gelet op de overige, niet-betwiste bedragen, zoals die zijn opgenomen in de aan de bestreden beschikking gehechte berekening, wordt de draagkracht van de man als volgt berekend.

De periode van 10 juli 2007 tot 1 maart 2009 (tarieven juli 2007)

Loon volgens jaaropgave 2008 € 46.128

Eigenwoningforfait € 470

Rente en kosten van (hypothecaire) schulden € 4.584 -

Belastbare inkomsten uit eigen woning € 4.114 -

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 42.014

- € 5.828 schijf 33,65%

- € 5.714 schijf 41,40%

- € 4.575 schijf 42,00%

Inkomensheffing box 1 € 16.117

Inkomen voor aftrek inkomensheffing € 46.128

Inkomensheffing box 1 € 16.117

Heffingskorting en standaard heffingskorting € 3.435 -

Verschuldigde inkomensheffing € 12.682 -

Besteedbaar inkomen per jaar € 33.446

Besteedbaar inkomen per maand € 2.787

Bijstandsnorm inclusief vakantiegeld € 872

Hypotheekrente € 382

Hypotheekaflossing/premie levensverz. € 74 +

Forfait overige eigenaarslasten € 48 +

Af: 'gemiddelde basishuur' € 200 -

Woonlasten € 304 +

Nominale premie basisverzekering ZVW € 96

Premie aanvullende ziektekostenverzekering € 35 +

Door werkgever ingehouden bijdrage ZVW € 186 +

Af: in bijstandsnorm begrepen deel € 43 -

Ziektekosten € 274 +

Aflossing van schulden € 125 +

Draagkrachtloos inkomen € 1.575 -

Draagkrachtruimte € 1.212

39. Van de draagkrachtruimte is 60%, derhalve € 727,-- per maand, beschikbaar voor alimentatie ten behoeve van de minderjarigen. De man is derhalve, gelet op het vorenstaande en in aanmerking nemende het voordeel buitengewone uitgaven voor alle drie kinderen waarvoor de man onderhoudsplichtig is, in staat een bijdrage van in totaal € 857,-- per maand te voldoen. Gelet hierop is de man in staat een bijdrage van € 286,-- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] te voldoen.

De periode van 1 maart 2009 tot 20 mei 2010 (tarieven januari 2009)

Loon volgens jaaropgave 2008 € 46.128

Eigenwoningforfait € 470

Rente en kosten van (hypothecaire) schulden € 4.584 -

Belastbare inkomsten uit eigen woning € 4.114 -

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 42.014

- € 5.989 schijf 33,5%

- € 5.985 schijf 42,00%

- € 4.153 schijf 42,00%

Inkomensheffing box 1 € 16.126

Inkomen voor aftrek inkomensheffing € 46.128

Inkomensheffing box 1 € 16.126

Heffingskorting en standaard heffingskorting € 3.487 -

Verschuldigde inkomensheffing € 12.639 -

Besteedbaar inkomen per jaar € 33.489

Besteedbaar inkomen per maand € 2.790

Bijstandsnorm inclusief vakantiegeld € 899

Hypotheekrente € 382

Hypotheekaflossing/premie levensverz. € 74 +

Forfait overige eigenaarslasten € 48 +

Af: 'gemiddelde basishuur' € 202 -

Woonlasten € 302 +

Nominale premie basisverzekering ZVW € 96

Premie aanvullende ziektekostenverzekering € 35 +

Door werkgever ingehouden bijdrage ZVW € 186 +

Af: in bijstandsnorm begrepen deel € 43 -

Ziektekosten € 274 +

Draagkrachtloos inkomen € 1.475 -

Draagkrachtruimte € 1.315

40. Van de draagkrachtruimte is 60%, derhalve € 789,-- per maand, beschikbaar voor alimentatie ten behoeve van de minderjarigen. De man is derhalve, gelet op het vorenstaande en in aanmerking nemende het voordeel buitengewone uitgaven voor alle drie kinderen waarvoor de man onderhoudsplichtig is, in staat een bijdrage van in totaal € 927,-- per maand te voldoen. Gelet hierop is de man in staat een bijdrage van € 309,-- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] te voldoen.

De periode vanaf 20 mei 2010 (tarieven januari 2010)

Loon volgens jaaropgave 2008 € 46.128

Eigenwoningforfait € 940

Rente en kosten van (hypothecaire) schulden € 9.168 -

Belastbare inkomsten uit eigen woning € 8.228 -

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 37.900

- € 6.092 schijf 33,45%

- € 6.094 schijf 41,95%

- € 2.168 schijf 42,00%

Inkomensheffing box 1 € 14.354

Inkomen voor aftrek inkomensheffing € 46.128

Inkomensheffing box 1 € 14.354

Heffingskorting en standaard heffingskorting € 3.431 -

Verschuldigde inkomensheffing € 10.923 -

Besteedbaar inkomen per jaar € 35.205

Besteedbaar inkomen per maand € 2.933

Bijstandsnorm inclusief vakantiegeld € 909

Hypotheekrente € 764

Hypotheekaflossing/premie levensverz. € 148 +

Forfait overige eigenaarslasten € 95 +

Af: 'gemiddelde basishuur' € 207 -

Woonlasten € 800 +

Nominale premie basisverzekering ZVW € 96

Premie aanvullende ziektekostenverzekering € 35 +

Door werkgever ingehouden bijdrage ZVW € 186 +

Af: in bijstandsnorm begrepen deel € 44 -

Ziektekosten € 273 +

Draagkrachtloos inkomen € 1.982 -

Draagkrachtruimte € 951

41. Van de draagkrachtruimte is 70%, derhalve € 666,-- per maand, beschikbaar voor alimentatie ten behoeve van de minderjarigen. De man is derhalve, gelet op het vorenstaande en in aanmerking nemende het voordeel buitengewone uitgaven voor alle drie kinderen waarvoor de man onderhoudsplichtig is, in staat een bijdrage van in totaal € 806,-- per maand te voldoen. Gelet hierop is de man in staat een bijdrage van € 269,-- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] te voldoen.

De bijdrage van de vrouw in de kosten van [het kind]

42. De man is van mening dat de kosten voor verzorging en opvoeding van [het kind] naar rato dienen te worden verdeeld tussen hem en de vrouw en haar nieuwe partner. De vrouw stelt dat zij geen nieuwe partner heeft. Voorts wijst zij er op dat zij een laag inkomen heeft en derhalve niet in staat is bij te dragen in de kosten van [het kind].

43. Het hof overweegt hieromtrent dat niet door de man is gesteld of onderbouwd dat er sprake is van een onderhoudsplichtige stiefouder. Verder heeft de vrouw een loonspecificatie overgelegd, waaruit volgt dat zij een fulltime baan heeft met een netto inkomen van € 1.073,10 per maand. Nu dit inkomen onder de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder ligt, is het hof van oordeel dat de vrouw niet in staat is een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind]. Het hof zal derhalve het maken van een draagkrachtvergelijking achterwege laten.

Naar aanleiding van de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de twee kinderen uit zijn eerdere huwelijk

44. Het is het hof ambtshalve bekend dat de beslissing van de rechtbank, waarbij het verzoek van de man tot wijziging van de door hem te betalen kinderalimentatie voor zijn kinderen uit zijn eerdere huwelijk is afgewezen, bij beschikking van het hof van 21 oktober 2010 is bekrachtigd.

45. Indien de door de man te betalen alimentatie voor zijn twee kinderen uit het eerdere huwelijk en de bij deze beschikking vast te stellen alimentatie voor [het kind] tezamen de feitelijke draagkracht van de man overstijgen, dan is dat een punt dat niet anders dan door middel van een nieuwe procedure aan de orde kan komen. Het gaat immers niet aan om aan [het kind] een lager bedrag aan kinderalimentatie toe te kennen, om reden dat de rest van de voor alimentatie beschikbare draagkrachtruimte aan de andere kinderen is toegekend.

Slotsom

46. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [het kind], geboren op [2007], met ingang van 10 juli 2007 op € 286,-- per maand, met ingang van 1 maart 2009 op € 309,-- per maand en vanaf 20 mei 2010 op € 269,-- per maand;

bepaalt dat deze bijdragen, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dienen te worden voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.J.J. Melssen, voorzitter, J.G. Idsardi en G.K. Schipmölder en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 november 2010 in bijzijn van de griffier.