Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO4958

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
24-001170-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijsuitsluiting van bij de politie afgelegde verklaring van de (minderjarige) verdachte wegens strijdigheid met Salduzjurisprudentie. Naar het oordeel van het hof resteert niettemin voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte – naast een drietal strafbare feiten die hij heeft erkend - de ten laste gelegde (poging tot een) woningoverval heeft begaan. Rekening houdende met ernst van de delicten, verdachtes documentatie, zijn enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid en het als hoog ingeschatte gevaar voor herhaling is verdachte een jeugddetentie van 155 dagen opgelegd alsmede de PIJ-maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001170-10

Parketnummers eerste aanleg: 17-682054-09 en 17-675959-09

Arrest van 19 november 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 10 mei 2010 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 17-682054-09 en

17-675959-09 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1993] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in RIJ de Doggershoek te Den Helder,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. P. Bonthuis, advocaat te Joure.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft verdachte bij voornoemd vonnis vrijgesproken van het in zaak B onder 4 laste gelegde en hem voor het in zaak A en in zaak B onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot jeugddetentie en verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De omvang van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep van verdachte is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het in zaak B, onder 4, ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen, nu tegen een dergelijke beslissing ingevolge artikel 404, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering voor verdachte geen hoger beroep openstaat.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte voor het in zaak A en het in zaak B onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot jeugddetentie voor de duur van 155 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en hem voorts de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen zal opleggen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na aanvulling van de tenlastelegging ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en voor zover voor dit hoger beroep van belang - ten laste gelegd, dat:

Zaak A

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2009 tot en met 1 december 2009 te [plaats 1], (althans) in de gemeente [gemeente 1], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), een woning (aan het [adres]) is/zijn binnengedrongen en/of die [slachtoffer 1] heeft/hebben toegevoegd (-zakelijk weergegeven-) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), alles wilde(n) hebben wat van waarde was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) [nadat hij/zij die woning was/waren binnengedrongen] die [slachtoffer 1] met pepperspray, althans met een vloeibare en/of bijtende stof, in de ogen/het gezicht heeft/hebben gespoten en/of (daarbij) een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, (op dreigende wijze) zichtbaar aanwezig heeft/hebben gehad;

subsidiair, zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2009 tot en met 1 december 2009 te [plaats 1], (althans) in de gemeente [gemeente 1], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van goederen/geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), een woning (aan het [adres]) is/zijn binnengedrongen en/of die [slachtoffer 1] heeft/hebben toegevoegd (-zakelijk weergegeven-) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), alles wilde(n) hebben wat van waarde was en/of die [slachtoffer 1] met pepperspray, althans met een vloeibare en/of bijtende stof, in de ogen/het gezicht heeft/hebben gespoten en/of (daarbij) een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, (op dreigende wijze) zichtbaar aanwezig heeft/hebben gehad, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van verdachtes wil onafhankelijke omstandigheid;

Zaak B

1.

hij op of omstreeks 12 oktober 2009 te [plaats 2], (althans) in de gemeente [gemeente 2], [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (meerdere malen) dreigend de woorden toegevoegd :"Ik maak je dood" en/of "Niet aankijken, mij niet aankijken want dan ben je dood" en/of "Niet kijken, niet kijken. Ja, je hebt gekeken en nu gaat hij dood" en/of "Ik maak jullie dood" en/of "Jullie mij niet aankijken, want dan ben je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (waarbij) hij, verdachte, die [slachtoffer 2] een (zwart) voorwerp (als ware het een vuurwapen) op en/of tegen het hoofd, dan wel de slaap heeft gedrukt en/of gehouden;

2.

hij op of omstreeks 08 oktober 2009 te [plaats 3], (althans) in de gemeente [gemeente 3], toen de aldaar dienstdoende [verbalisant] (hoofdagent van politie) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 435/447e Wetboek van strafrecht en/of artikel 2 Wet op de Identificatieplicht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had staande gehouden, dan wel op grond van het veroorzaken van onrust en/of overlast en/of ordeverstoring in de trein en/of op het treinstation te [plaats 3], (had staande gehouden en/of) inzage in zijn, verdachtes, identiteitsbewijs had gevorderd, teneinde hem ter vaststelling van zijn identiteit aan zijn kleding te onderzoeken, dan wel waarna hij, verdachte ter vaststelling van zijn identiteit aan zijn kleding zou worden onderzocht, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig zijn, verdachtes, jas (meerdere malen en/of met kracht) uit de greep van bovengenoemde opsporingsambtenaar (die trachtte de rits van zijn, verdachtes, jas los te maken) los te rukken;

3.

hij op of omstreeks 24 februari 2010 te [plaats 4], (althans) in de gemeente [gemeente 4], een of meerdere werknemers/medewerkers van de jeugdinrichting [naam], afdeling [naam], (waaronder)(/dan wel) [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde werknemers/medewerkers van de jeugdinrichting [naam], afdeling [naam], (waaronder)(/dan wel) [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] dreigend de woorden toegevoegd (- zakelijk weergegeven-): "ik steek jullie allemaal neer" en/of "jullie gaan er allemaal aan" en/of "Zeg, ben je wel eens gestoken, let maar op man, ik ga je neersteken. Ik zal je in de nek steken, niet één keer maar wel 8 keer" en/of "ik steek jouw neer" en/of "Ik heb een heel lijstje. Ik maak iedereen dood" en/of "Ik steek jullie wel 8 keer in de nek" en/of "Ik pak jullie allemaal. De eerste die dichterbij komt steek ik", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Beslissingen op de gevoerde verweren in het in zaak A ten laste gelegde

Verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan de in zaak A ten laste gelegde poging tot een (gewapende) overval in een woning aan het [adres] te [plaats 1] in de periode van 1 oktober 2009 tot 1 december 2009. Verdachte heeft daarover na zijn aanhouding op 8 december 2009 een beknopte verklaring afgelegd. Na deze datum heeft verdachte zich, althans voor wat betreft dit feit, zowel ten overstaan van verbalisanten als tijdens de behandeling in eerste aanleg en ter terechtzitting van het hof beroepen op zijn zwijgrecht.

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof betoogd dat vorenstaande verklaring niet voor het bewijs kan worden gebezigd, omdat door de verhorende verbalisanten is gehandeld in strijd met - kort gezegd - de Salduzjurisprudentie.

Het hof overweegt daarover het navolgende.

Blijkens de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2009 (LJN: BH3079) leidt de Hoge Raad uit de rechtspraak van het EHRM af dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan artikel 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen, die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Uit de rechtspraak van het EHRM kan niet worden afgeleid, aldus de Hoge Raad, dat de verdachte recht heeft op de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor.

Dit brengt mee dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op het recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken.

Voor aangehouden jeugdige verdachten geldt dat zij tevens (cursivering door het hof) recht hebben op bijstand door een raadsman of een andere vertrouwenspersoon tijdens het verhoor door de politie.

Uit de stukken blijkt dat verdachte op 7 december 2009 is aangehouden en in verzekering is gesteld. Bij gelegenheid van de inverzekeringstelling geeft verdachte te kennen dat hij een advocaat wil spreken. Het verhoor van verdachte waarin hij bovengenoemde beknopte verklaring aflegt, is afgenomen op 8 december 2009 om 13.27 uur.

Uit het dossier blijkt voorts dat mr. Schütz, advocaat te Leeuwarden, als piketadvocaat is opgetreden. In het proces-verbaal 2009126867-9 wordt vermeld dat genoemde raadsman op 8 december te 17.30 uur overleg heeft gehad met de verdachte. Bij gebreke van andersluidende informatie gaat het hof er van uit dat dit het eerste moment is, waarop verdachte met een advocaat heeft gesproken.

Uit de weergave van het betreffende verhoor in het proces-verbaal van politie (nummer 2009126867-7) blijkt voorts dat aan verdachte is medegedeeld dat hij recht had op de aanwezigheid van een advocaat bij het verhoor. Verdachte heeft daarop geantwoord: "Ik wens geen gebruik te maken van dit recht." Verdachte is daarop verhoord over zowel de jegens hem bestaande verdenking van bedreiging van zijn vriendin - de aanleiding tot zijn aanhouding - als, aansluitend, over zijn mogelijke betrokkenheid bij de thans ter beoordeling staande overval.

Gelet op deze gang van zaken is het hof van oordeel dat in strijd met de hiervoor genoemde verplichting is verzuimd de verdachte de gelegenheid te bieden om vóór het eerste verhoor een advocaat te raadplegen. Nu van dringende redenen om van die verplichting af te zien niet is gebleken, is naar het oordeel van het hof sprake van een vormverzuim op grond waarvan de verklaring die verdachte op 8 december 2009 heeft afgelegd over zijn betrokkenheid bij het in zaak A ten laste gelegde feit van de bewijsvoering moet worden uitgesloten.

Deze beslissing brengt mee dat de (overige) verweren, die in het kader van de bewijsuitsluiting van deze verklaring zijn gevoerd, geen nadere bespreking behoeven.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van de getuige [getuige] niet voor het bewijs mag worden gebruikt, omdat deze getuige aanspraak kan maken op het recht zich te verschonen. Nu niet blijkt dat deze getuige op dat recht is gewezen, dient zijn verklaring - aldus de raadsman - van het bewijs uitgesloten te worden.

Omtrent dit verweer overweegt het hof dat deze opvatting van de raadsman volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (onder meer in HR 30-08-2005, LJN: AT7091), geen steun vindt in het recht. Dit verweer wordt derhalve verworpen.

Tot slot is de raadsman van oordeel dat het bewijs dat de verdachte het in zaak A ten laste gelegde feit heeft begaan niet bewezen kan worden, omdat het bewijs niet uitsluitend mag berusten op de verklaring van één getuige.

Dit verweer wordt eveneens verworpen, omdat het hof het wettig bewijs dat verdachte het feit heeft begaan baseert - zoals hieronder nader toegelicht - op de verklaring van aangever en op de inhoud van een brief, waarvan het hof vaststelt dat deze door verdachte is geschreven.

Motivering van de bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat verdachte het onder A ten laste gelegde heeft begaan op basis van de aangifte en een zich in het dossier bevindende ongedateerde handgeschreven brief van verdachte. Deze brief werd op enig moment in de ouderlijke woning aangetroffen door de moeder van verdachte, die het schrijven op 27 oktober 2009 overhandigde aan de gezinsvoogd. Op 12 november 2009 is door een teammanager van het Bureau Jeugdzorg aangifte gedaan, met dien verstande dat zij meldde kennis te dragen van een strafbaar feit, gepleegd door een minderjarige die onder begeleiding van het Bureau Jeugdzorg stond. De brief werd daarbij overgelegd aan de politie.

In de betreffende brief, die kennelijk bestemd was voor een gedetineerde kennis, geeft verdachte aan dat hij verwacht binnenkort weer opgepakt te zullen worden in verband met een (mislukte) overval in een woning in [plaats 1]. In de brief schetst verdachte een gang van zaken die op hoofdlijnen overeenkomt met de aangifte van [slachtoffer 1]. Verdachte beschrijft hoe hij, met twee anderen, de betreffende woning betrad. Hij droeg een bivakmuts en handschoenen en had zich voorzien van pepperspray en een vuurwapen. Verdachte loopt dan als eerste op de bewoner af, die hij onder schot houdt en pepperspray in het gezicht spuit. Om onduidelijke redenen rennen zijn mededaders weg. Verdachte rent hen achterna. De bewoner zet (tevergeefs) de achtervolging in. Verdachte verzoekt in zijn brief aan de geadresseerde om het programma "Opsporing verzocht" in de gaten te houden. "Als je tori's over [plaats 1] hoort dan bosa koba". (Opmerking hof: Dit betekent vrij vertaald: Als je over overvallen in [plaats 1] hoort, dan weet je over wie het gaat.)

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op de betreffende avond - een zondagavond "eind oktober, begin november 2009" - op de bank in zijn woonkamer zat en een geluid bij de achterdeur hoorde. Hij veronderstelde dat het zijn zoon was, die thuiskwam. Kort daarop stond echter een onbekende jongen voor hem, met in de rechterhand een busje en in de linkerhand een pistool. De jongen had een capuchon over zijn hoofd en een sjaal voor zijn mond. Hij spoot met het busje in het gezicht van aangever. Het bleek pepperspray. Aangever wil de jongen beetpakken. Deze rende naar de keuken, waar zich nog een tweede jongen bleek te bevinden. Beide jongens renden naar buiten. Aangever zette de achtervolging in, maar kon het tempo niet bijhouden, waarna de jongens uit het zicht verdwenen. Aangever heeft om hem moverende redenen pas op 16 december 2009 aangifte gedaan, nadat de politie hem daarom had verzocht.

Dat het verdachte is geweest, en niemand anders, die de brief heeft geschreven leidt het hof af uit niet alleen de ondertekening, maar ook uit de zinsnede dat de schrijver bijna jarig is en op 11 januari 17 jaar wordt - verdachte is geboren op [1993] - en uit de mededeling dat zijn vriendin onlangs een abortus heeft gepleegd. Deze laatste informatie komt overeen met hetgeen verdachte over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verklaard.

Het hof is van oordeel dat de aangifte van [slachtoffer 1] alsmede - als schriftelijk stuk - de brief van verdachte voldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren dat verdachte het in zaak A ten last gelegde heeft begaan, temeer daar de beide bronnen elkaar inhoudelijk over en weer ondersteunen en er sprake is van nagenoeg gelijkluidende feiten en omstandigheden.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

Zaak A

hij in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 1 december 2009 te [plaats 1], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen, toebehorende aan [slachtoffer 1], een woning aan het [adres] is binnengedrongen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, nadat hij die woning was binnengedrongen, die [slachtoffer 1] met pepperspray in het gezicht heeft gespoten en een vuurwapen, zichtbaar aanwezig heeft gehad;

Zaak B

1.

hij op 12 oktober 2009 te [plaats 2], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] en

[slachtoffer 3] meerdere malen dreigend de woorden toegevoegd :"Ik maak je dood" en "Niet aankijken, mij niet aankijken want dan ben je dood" en "Niet kijken, niet kijken. Ja, je hebt gekeken en nu gaat hij dood" en "Ik maak jullie dood" en/of "Jullie mij niet aankijken, want dan ben je dood", waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer 2] een zwart voorwerp als ware het een vuurwapen tegen de slaap heeft gedrukt en gehouden;

2.

hij op 08 oktober 2009 te [plaats 3], toen de aldaar dienstdoende [verbalisant] (hoofdagent van politie) verdachte op grond van het veroorzaken van onrust in de trein en op het treinstation te [plaats 3], had staande gehouden en inzage in zijn, verdachtes, identiteitsbewijs had gevorderd, teneinde hem ter vaststelling van zijn identiteit aan zijn kleding te onderzoeken, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig zijn, verdachtes, jas meerdere malen en met kracht uit de greep van bovengenoemde opsporingsambtenaar, die trachtte de rits van zijn, verdachtes, jas los te maken, los te rukken;

3.

hij op 24 februari 2010 te [plaats 4], medewerkers van de jeugdinrichting [naam], afdeling [naam], te weten [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde medewerkers van de jeugdinrichting [naam], afdeling [naam], te weten [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] dreigend de woorden toegevoegd - zakelijk weergegeven -: "ik steek jullie allemaal neer" en "jullie gaan er allemaal aan" en "Zeg, ben je wel eens gestoken, let maar op man, ik ga je neersteken. Ik zal je in de nek steken, niet één keer maar wel 8 keer" en "ik steek jouw neer" en "Ik heb een heel lijstje. Ik maak iedereen dood" en "Ik steek jullie wel 8 keer in de nek" en "Ik pak jullie allemaal. De eerste die dichterbij komt steek ik".

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak A en in zaak B, onder 1, 2 en 3, meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Het hof heeft de in de tenlastelegging voorkomende kennelijke schrijffouten hersteld. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

Zaak A

poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Zaak B

1.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

2.

wederspannigheid;

3.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Omtrent de persoon van verdachte is door drs. E. de Vrij, klinisch psycholoog, op 11 maart 2010 een psychologisch rapport uitgebracht. Dit rapport bevat overwegingen omtrent de toerekeningsvatbaarheid van verdachte voor het hem in zaak A ten laste gelegde feit en tevens een conclusie inzake verdachtes toerekeningsvatbaarheid voor de hem aanvankelijk ten laste gelegde bedreiging van zijn vriendin, welk feit echter buiten het bereik van dit arrest valt. Uit het rapport komt, vorenstaande restrictie in aanmerking nemende, inzake de strafbaarheid van verdachte het navolgende naar voren, zakelijk weergegeven:

Op basis van vroege ontwikkelingsproblematiek is sprake van een verhoogd zelfbeeld, van een sterke gerichtheid op wensvervulling en neiging anderen naar zijn hand te zetten, van een lage frustratiedrempel en beperking in de impulscontrole en van beperkingen in het inlevingsvermogen en het ervaren van schuld en moreel besef. Tevens is sprake van een gebrek aan (probleem)inzicht. In termen van het DSM-IV classificatiesysteem kan gesproken worden van een gedragsstoornis en een zich vormende persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale trekken.

Bovengenoemde problematiek is al langer aan de orde en deed zich ook voor ten tijde van het ten laste gelegde.

Betrokkene ontkent de hem ten laste gelegde overval. Met hem kon niet worden gesproken over eventuele onderliggende motieven, gedachten en gevoelens en daarom wordt geen uitspraak gedaan met betrekking tot de eventuele toerekeningsvatbaarheid. De ten laste gelegde bedreiging zou hem, indien bewezen, in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Voorts is over de persoon van verdachte gerapporteerd door drs. F.M.J. Bruggeman, psychiater. Uit haar rapportage van 18 maart 2010 komt met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte het navolgende naar voren, zakelijk weergegeven:

Betrokkene is een 17-jarige jongen met een antisociale gedragsstoornis, aandachtstekortstoornis en middelengebruik. Ten tijde van het ten laste gelegde waren deze aandoeningen aanwezig. Betrokkene heeft besef van het strafwaardige van het ten laste gelegde, echter zijn egocentrisme, de frustratie en het niet kunnen verdragen van afwijzing is zodanig dat hij geen uitstel verdraagt en hij verhaal haalt bij zijn vriendin. Het grens- en normoverschrijdende, antisociale gedrag, het egocentrisme en de beperkte gewetensfuncties spelen tevens een rol bij feit 2 (de woningoverval). Op grond van het vorenstaande acht ik betrokkene enigszins verminderd toerekeningsvatbaar voor het ten laste gelegde.

Hoewel de gedragdeskundigen hun bevindingen inzake de toerekeningsvatbaarheid hebben moeten baseren op een (deels) andersluidende tenlastelegging dan de thans voorliggende en verdachte het wèl gelijkluidende deel daarvan ontkent, neemt het hof de conclusie van drs. Bruggeman over en maakt die tot de zijne, inhoudende dat verdachte het in zaak A ten laste gelegde in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend. Gelet echter op de aan die conclusie ten grondslag liggende overwegingen, die worden gedeeld door mederapporteur De Vrij, acht het hof aannemelijk dat deze mate van toerekenbaarheid mutatis mutandis geldt voor de in zaak B onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten.

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden overigens niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een viertal strafbare feiten.

Behalve de als brutaal en welhaast professioneel aan te merken (poging tot een) overval in een woning, waarvan de nadere details reeds zijn weergegeven in de hiervoor opgenomen bewijsoverwegingen, rekent het hof verdachte met name aan dat hij een ouder echtpaar, dat in de vroege avonduren een wandeling maakte, onverhoeds en zonder enige aanleiding heeft bedreigd met de dood. Hij heeft daarbij geschreeuwd tegen het echtpaar en zijn mobiele telefoon, als ware het een vuurwapen, tegen het hoofd van de man gehouden. Verdachte geeft als verklaring voor deze gedragingen dat hij zich bekeken voelde door het echtpaar en toch al "opgefokt en pissed off" was door - onder meer - onenigheid met zijn ouders. Het laat zich raden dat een en ander een traumatische ervaring voor het echtpaar is geweest. Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan wederspannigheid tegenover een verbalisant op het NS-station [plaats 3], nadat hij werd aangesproken op zijn onrust veroorzakende gedragingen in de trein op het traject [plaats 1]-[plaats 5]. Ten slotte heeft verdachte een drietal medewerkers van [naam] (voorheen [naam]), waar verdachte destijds verbleef, ernstig bedreigd. Het hof rekent het verdachte met name aan dat hij niet heeft geschroomd om in zijn bedreigingen de gezinsleden van de betreffende werknemers te betrekken, hetgeen begrijpelijkerwijs zijn sporen nalaat.

Het hof heeft eveneens gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 augustus 2010, waaruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor vermogens- en geweldsdelicten.

Het hof acht verdachte - zoals hiervoor onder "Strafbaarheid" beargumenteerd - in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar voor de bewezen verklaarde feiten. Dit neemt niet weg dat verdachte voor een niet te verwaarlozen deel daarvoor wel verantwoordelijk moet worden gehouden. De in eerste aanleg opgelegde jeugddetentie acht het hof - naast oplegging van de hierna te bespreken maatregel - een noodzakelijke en passende reactie op de ernst van het bewezen verklaarde.

Motivering van de op te leggen maatregel

In eerste aanleg is door de rechtbank aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opgelegd. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep de oplegging van deze maatregel opnieuw gevorderd. Het hof acht in dit verband het navolgende van belang.

In het hiervoor aangehaalde psychologisch rapport van De Vrij komt met betrekking tot het gevaar voor het herhaling het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:

Gezien de ernst van de omschreven gedrags- en persoonlijkheidsproblematiek en het gegeven dat de tot nu toe ingezette hulpverlening onvoldoende effect heeft gehad, wordt - zonder adequate behandeling en begeleiding - de kans op agressieve en onmaatschappelijke deraillementen groot geacht.

Risicofactoren die samenhangen met zijn persoonlijkheid zijn: de (narcistische) krenkbaarheid en de lacunaire gewetensfunctie. Betrokkene neemt nauwelijks persoonlijke verantwoordelijkheid - in de zin van zelf een morele keuze kunnen maken - voor zijn agressieve gedrag. Overige belangrijke risicofactoren voor recidive van agressief gedrag zijn het gebrek aan zelfkritiek, het gebrek aan probleeminzicht en alcoholmisbruik.

De mederapporteur Bruggeman stelt in dit verband, zakelijk weergegeven:

De combinatie van het verhoogde/overwaardige zelfgevoel, de externalisatie, het antisociale gedrag, het niet in staat zijn tot empathie en de impulsiviteit be?nvloeden in negatieve zin de kans op recidive. Vooral de kans op een geweldsdelict in de relationele sfeer is bij betrokkene aanwezig, gezien zijn dominantie en de behoefte om de regie binnen een relatie te hebben.

De beide gedragsdeskundigen zijn het erover eens dat verdachte behandeld dient te worden binnen een dwingend justitieel kader. Zij zijn echter de mening toegedaan dat een langdurige residentiéle behandeling niet is aan te bevelen, gezien het feit dat verdachte reeds een uitgebreid civielrechtelijk residentieel behandeltraject heeft gevolgd, zonder het gewenste resultaat. Voorts is niet ondenkbaar dat bij een gesloten klinische behandelingsvariant (zoals bij de oplegging van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen) de verharding en de dreigende psychopathiforme ontwikkeling bij verdachte doorzet en de behandeling vast kan lopen door machtsconflicten met zijn behandelaars. Zij adviseren daarom oplegging van bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke straf, eventueel gecombineerd met elektronisch toezicht en gevolgd door een gedragsbeïnvloedende maatregel. Een klinische start is evenwel gewenst.

Het hof heeft voorts gelet op de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming van 26 april 2010 en 26 oktober 2010, waarin - anders dan de conclusies van de hiervoor aangehaalde gedragsdeskundigen - wordt geadviseerd verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De betreffende rapporten zijn nader toegelicht door de Raad ter terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep. Daarin komt na raadpleging van diverse referenten onder meer het navolgende naar voren, zakelijk weergegeven:

Er is nog steeds sprake van zeer ernstig problematisch gedrag bij [verdachte] (verdachte), waardoor hij nog steeds een gevaar is voor zichzelf en anderen. Zelfs tijdens zijn voorarrest komt [verdachte] opnieuw in aanraking met de politie wegens geweldsdelicten. De kans op recidive is wederom zeer groot gebleken. Op bepaalde momenten heeft [verdachte] zichzelf niet meer in de hand, is hij niet te begrenzen en wordt hij gevaarlijk. [verdachte] heeft moeite om met teleurstellingen en stressvolle situaties om te gaan en reageert dan zeer excessief. Dit is gebleken tijdens zijn verblijf in [naam], maar ook in de Doggershoek laat hij dit zien.

Tijdens eerder onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming wordt duidelijk dat de Raad geen andere opties ziet dan een PIJ-maatregel om de bedreiging in de ontwikkeling van [verdachte] af te wenden. De Raad realiseert zich dat [verdachte] beperkt leerbaar is en dat de psycholoog en de psychiater een ander advies geven. Echter, de Raad is van mening dat een intensieve jeugdreclasserings-maatregel niet haalbaar is, juist vanwege het hoge recidiverisico. De Raad is er zich van bewust dat er binnen de PIJ-maatregel mogelijk sprake zal zijn van verharding en machtsstrijd, maar vindt dat dit niet opweegt tegen de risico's, die een ambulant kader met zich meebrengt. [verdachte] laat duidelijk zien binnen De Doggershoek baat te hebben bij duidelijke structuur, verschillende vormen van therapie en zegt nu eveneens gemotiveerd te zijn tot verandering. Dit maakt een PIJ-maatregel juist nu des te meer passend om te komen tot een blijvende gedragsverandering. Dit kan onmogelijk bewerkstelligd worden binnen een jeugddetentie. Dat blijkt ook uit het feit dat [verdachte] vanuit [naam] is overgeplaatst naar de Doggershoek wegens zeer agressief en gewelddadig gedrag en uit de interne overplaatsing binnen de Doggershoek. De Raad voor de Kinder-bescherming is van mening dat een PIJ-maatregel nog de enige mogelijkheid is om het gedrag van [verdachte] positief bij te sturen.

Alles afwegende acht het hof vorenstaande conclusie van de Raad voor de Kinderbescherming aanmerkelijk meer in de rede liggend dan die van de beide gedragsdeskundigen. Bij dat oordeel is van belang dat de Raad heeft geadviseerd op grond van alle door verdachte gepleegde strafbare feiten en overige in dit kader ter zake doende (gewelds)incidenten, terwijl de psycholoog en de psychiater bij hun onderzoek de beschikking hadden over meer beperkte justitiële gegevens. Voorts heeft verdachte geweigerd aan de psycholoog en de psychiater toestemming te geven voor het raadplegen van zijn ouders, zodat hun visie noodgedwongen in de rapporten ontbreekt. De Raad voor de Kinderbescherming kon wel beschikken over de - uiterst relevante - informatie van de zijde van de ouders. Daarnaast stelt het hof vast dat de gedragsdeskundigen, voorafgaand aan het door hen geadviseerde ambulante traject, een klinische start adviseren. Niet duidelijk is echter waar en op welke wijze daaraan invulling zou moeten worden gegeven. Van belang is voorts dat de civielrechtelijke ondertoezichtstelling van verdachte recentelijk is beëindigd met het oog op zijn naderende meerderjarigheid in januari 2011. Ten slotte heeft het hof in aanmerking genomen dat de Raad voor de Kinderbescherming - anders dan de gedragsdeskundigen - verdachte in het afgelopen half jaar heeft kunnen volgen. Er lijkt een (voorzichtige) bereidheid bij verdachte te ontstaan tot het opbouwen van een (vertrouwens)band met zijn begeleiders en tot een constructieve deelname aan therapieën, hetgeen het door de gedragsdeskundigen genoemde risico van "verharding" van verdachte bij voortzetting van het residentiële traject in een ander, enigszins positiever licht plaatst. Het hof acht het daarnaast noch in het belang van verdachte noch in dat van de maatschappij, dat deze prille ontwikkeling zou worden doorkruist door een ambulant behandeltraject van welke aard of modaliteit dan ook. Uit het vorenstaande volgt dat het hof verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen zal opleggen voor de tijd van twee jaren.

Wat het wettelijk kader betreft, waarbinnen deze maatregel zal worden opgelegd, stelt het hof vast dat het in zaak A en in zaak B onder 1 en 3 bewezen verklaarde misdrijven betreft, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Voorts is gebleken dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist, gelet op het door de gedragsdeskundigen en de Raad voor de Kinderbescherming geconstateerde gevaar dat verdachte opnieuw zal overgaan tot het plegen van strafbare feiten, waaronder met name geweldsdelicten. Het hof is tevens van oordeel dat oplegging van de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 77a, 77g, 77i, 77s, 77gg, 180, 285, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het in zaak A onder 4 tenlastegelegde;

vernietigt het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte in zaak A en in zaak B, onder 1, 2 en 3, ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld in zaak A en in zaak B onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot jeugddetentie voor de duur van honderdvijfenvijftig dagen;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

legt aan verdachte tevens op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, voor de duur van twee jaren.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P.J.M. van den Bergh, voorzitter, mr. S.H. Wachter en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mr. Van den Bergh voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.