Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO4939

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
24-000933-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt ter zake van bedreiging met de dood veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 35 uren, met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000933-09

Parketnummer eerste aanleg: 18-655348-07

Arrest van 18 november 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 25 maart 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. N.B. Swart, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde en een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een geldboete van ? 100,- en dat het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, na toewijzing door de politierechter van een vordering wijziging tenlastelegging op 25 maart 2009, dat:

hij op of omstreeks 7 september 2007, in de gemeente [gemeente], [benadeelde] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend de punt van een heggenschaar tegen de

nek van die [benadeelde] gehouden en/of die heggenschaar (vervolgens) geopend

en daarmee een knipbeweging gemaakt richting de nek van die [benadeelde].

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 september 2007, in de gemeente [gemeente], [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend de punt van een heggenschaar tegen de nek van die [benadeelde] gehouden en die heggenschaar vervolgens geopend en daarmee een knipbeweging gemaakt richting de nek van die [benadeelde].

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 7 september 2007 in een café in [plaats] aangever [benadeelde] met de dood bedreigd, door de punt van een heggenschaar tegen de nek van [benadeelde] te houden en vervolgens knipbewegingen met die heggenschaar in de richting van diens nek te maken. Door aldus te handelen heeft verdachte [benadeelde] in zijn gevoel voor veiligheid aangetast.

Bij de strafoplegging heeft het hof in aanmerking genomen dat verdachte ten tijde van het delict, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 18 oktober 2010, niet eerder veroordeeld was ter zake van strafbare feiten. Ook nadien is verdachte niet meer met justitie in aanraking geweest. Het delict dateert van 2007, op welk moment verdachte nog studeerde. Thans werkt verdachte al weer enige tijd en lijkt hij zijn leven goed op orde te hebben.

Hoewel het om een eenmalig incident lijkt te gaan, is het hof van oordeel dat de eis van de advocaat-generaal onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit. Anderzijds acht het hof een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, die op grond van de door het hof gehanteerde oriëntatiepunten bij een dergelijk delict het uitgangspunt is, in het onderhavige geval een te zware strafmodaliteit.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof een voorwaardelijke werkstraf van na te melden duur met een proeftijd van 2 jaar een passende bestraffing. Deze straf dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan een (soortgelijk) strafbaar feit.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard. De benadeelde partij heeft zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering opnieuw gevoegd.

De benadeelde partij heeft € 305,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd. Naar het oordeel van het hof is deze vordering niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering dient de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling dat zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van vijfendertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zeventien dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. H. Heins en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman als griffier, zijnde mr. J.A. Wiarda buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.