Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO4786

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
BK 10/00013 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur terecht een stakingswinst in 2004 in aanmerking heeft genomen. Voorts is in geschil of de Inspecteur terecht het door belanghebbende in 2005 aangegeven verlies van € 2.491 niet in aftrek heeft aanvaard. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 2851
V-N 2011/4.19.10
FutD 2010-2737
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

nummers 10/00013 en 10/00014

uitspraakdatum: 16 november 2010

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 26 november 2009, nummer AWB 08/17,

in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.182. Aan heffingsrente is een bedrag berekend van € 458.

1.2. Aan belanghebbende is voorts voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.164. Aan heffingsrente is een bedrag berekend van € 77.

1.3. Deze aanslagen en beschikkingen zijn, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

1.4. Het door belanghebbende tegen deze uitspraken op bezwaar ingestelde beroep is door de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de Rechtbank) ongegrond verklaard.

1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

1.6. Tot de stukken van het geding behoren het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaken betrekking heeft, alsmede alle stukken die, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd en waarvan door de griffier van het Hof afschriften zijn verzonden aan de wederpartij.

1.7. Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 23 september 2010 te Leeuwarden. Aldaar zijn verschenen en gehoord: belanghebbende, bijgestaan door haar echtgenoot en de Inspecteur.

1.8. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

2.1. Voor de feiten verwijst het Hof naar de door de Rechtbank vastgestelde feiten. De Rechtbank heeft de feiten als volgt vastgesteld (waarbij eiseres dient te worden gelezen als belanghebbende en verweerder als de Inspecteur).

1.1 Eiseres is geboren op 15 april 1955 en gehuwd. Eiseres heeft vanaf 1 januari 1994 een onderneming gedreven in de vorm van een eenmanszaak die zich bezig houdt met het verzorgen van diverse soorten yogacursussen.

1.2 Eiseres heeft in 2004 en 2005 in dienstbetrekking gewerkt bij Stichting A.

1.3 In 1994 heeft eiseres in eigen beheer een bedrijfspand gebouwd, gelegen naast haar woning. Het bedrijfspand heeft een eigen ingang en is in 1994 tot het ondernemingsvermogen gerekend voor een bedrag van € 19.338. Voor het bedrijfspand is investeringsaftrek geclaimd voor de inkomstenbelasting en met betrekking tot de omzetbelasting is de vooraftrek geclaimd.

1.4 Tot 7 februari 2003 hield eiseres zich bezig met het geven van yogacursussen en zwangerschapsyoga. De omzet van deze activiteiten bedroeg in 2002: € 4.978 (inclusief omzetbelasting). In 2003, 2004 en 2005 was er geen omzet van deze activiteiten.

1.5 Vanaf de aangifte IB/PVV 2003 luidde de naamstelling van de onderneming volgens de jaarstukken: ‘B’. In 2004 bedroeg de omzet Shiatsu: € 500. Op de balans van ‘B' is het bedrijfspand per 31 december 2004 opgenomen voor € 11.898. In 2005 is geen omzet Shiatsu gegenereerd.

1.6 In de aangifte IB/PVV 2006 is geen winst uit onderneming meer aangegeven.

1.7 Taxateur C heeft namens verweerder op 5 juli 2007 de waarde in het economische verkeer van het bedrijfspand per 31 december 2004 vastgesteld op € 27.500.

1.8 Eiseres heeft in haar aangifte IB/PVV 2004 een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 21.029. Verweerder is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2004 op twee punten van eiseres' aangifte afgeweken:

-minder winst: -/- € 641 ( afschrijving massagebank)

-meer (stakings)winst: € 9.794 (na toepassing van de stakingsaftrek van € 5.808). Verweerder heeft de stakingswinst bepaald aan de hand van het verschil tussen de door de taxateur, onder 1.7 vermelde, waarde van het bedrijfspand en de boekwaarde verminderd met de stakingsaftrek: € 27.500 min € 11.898 min € 5.808 is € 9.794.

1.9 Eiseres heeft in haar aangifte IB/PVV 2005 een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 24.673. Verweerder is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2005 op één punt van eiseres' aangifte afgeweken:

-geen winst: € 2.491 (verlies niet geaccepteerd).

1.10 In zijn brief van 11 mei 2005 schrijft verweerder aan eiseres onder meer:

'Met betrekking tot uw vraag inzake advies over het al dan niet voortzetten van de onderneming bericht ik u dat deze keuze bij u ligt.

Aangezien u eerder contact hierover heeft gehad met mijn collega de heer D, heb ik uw vraag aan hem doorgegeven.

D zal m.b.t. de door u gestelde vraag binnenkort contact met u opnemen."

1.11 Op de daartoe bestemde formulieren heeft eiseres op 14 september 2006 en 1 maart 2007 een klacht ingediend over de handelwijze van en bejegening door verweerder.

1.12 In het klachtenformulier van 14 september 2006 schrijft eiseres onder meer:

"In 2004 heb ik samen met mijn man een gesprek aangevraagd met D. In een persoonlijk gesprek met hem en zijn collega hebben wij toen gesproken over eventuele consequenties van het al of niet staken van mijn bedrijf volgens D heeft dit geen financiële consequenties voor mij. Ik besluit in overleg met de D mijn bedrijf per 31-12-2004 te staken."

2.2. Hieraan voegt het Hof nog de volgende feiten toe.

2.3. De hiervóór genoemde dienstbetrekking betreft een dienstverband van 24 uren per week.

2.4. In 2004 heeft belanghebbende geen investeringen in bedrijfsmiddelen gedaan.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur terecht een stakingswinst in 2004 in aanmerking heeft genomen. Voorts is in geschil of de Inspecteur terecht het door belanghebbende in 2005 aangegeven verlies van € 2.491 niet in aftrek heeft aanvaard. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur, tot vermindering van de aanslagen tot aanslagen, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.029 respectievelijk € 24.673.

3.4 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Bij de beoordeling van de partijen in hoger beroep verdeeld houdende geschilpunten dient te worden vooropgesteld dat het verzoek van belanghebbende om haar en haar echtgenoot als getuigen te horen, niet kan worden ingewilligd. In belastingprocedures kunnen partijen immers niet als getuige optreden (vgl. HR 17 juni 1992, nr. 27 048, BNB 1992/295). Zulks heeft evenzeer te gelden voor personen, die – gelijk belanghebbendes echtgenoot – zo zeer bij de partij betrokken zijn dat zij in dit verband met die partij kunnen worden vereenzelvigd.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de (objectieve) onderneming van belanghebbende in 2003 nog niet was gestaakt, zodat het Hof daarvan dient uit te gaan.

4.3. De vraag of, en zo ja op welk tijdstip, een objectieve onderneming is gestaakt, dient te worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij speelt de wil van de belastingplichtige een belangrijke rol.

4.4. In aanmerking genomen dat belanghebbende in 2004 nog slechts zeer beperkte activiteiten in de onderneming heeft verricht, daarmee een zeer beperkte omzet heeft behaald (€ 500), geen investeringen meer heeft gedaan, kennelijk geen ondernemersrisico heeft gelopen, belanghebbende zelf heeft aangegeven – zie het klachtenformulier van 14 september 2006 en ter zitting desgevraagd bevestigd – dat zij heeft besloten het bedrijf per 31 december 2004 te staken, in 2005 geen activiteiten met betrekking tot Shiatsu zijn verricht en geen omzet is gegenereerd, heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof terecht het standpunt ingenomen dat de objectieve onderneming van belanghebbende ultimo 2004 is gestaakt. Aan deze conclusie doet de brief van de heer E van 11 mei 2005 niet af, reeds omdat E zich blijkens de inhoud van die brief heeft beziggehouden met de aanslagregeling voor het jaar 2003 en niet voor het jaar 2004 en voorts met betrekking tot de vraag van belanghebbende over het al dan niet voortzetten van de onderneming zelf geen standpunt heeft ingenomen, maar slechts heeft verwezen naar de heer D. Evenmin doet daaraan af, gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld, dat geen stakingsbalans zou zijn opgemaakt.

4.5. Staking van een objectieve onderneming brengt – behoudens bijzondere, hier niet aan de orde zijnde, omstandigheden – mee dat tot het ondernemingsvermogen behorende, niet vervreemde activa en passiva overgaan naar het privévermogen. Daarbij dient het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van die activa en de boekwaarde ervan tot de winst te worden gerekend. De boekwaarde van het bedrijfspand bedroeg, naar tussen partijen niet in geschil is, € 11.898. De Inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat de waarde in het economische verkeer van het bedrijfspand op het stakingstijdstip – ultimo 2004 – € 27.500 bedroeg. Gelet op het door de Inspecteur in dit kader overgelegde taxatierapport van taxateur C, acht het Hof die waardebepaling aannemelijk. Mitsdien heeft de Inspecteur in zoverre terecht een stakingswinst in 2004 in aanmerking genomen van € 27.500 min € 11.898 is € 15.602. Hierop dient, naar tussen partijen niet in geschil is, een stakingsaftrek ten bedrage van € 5.808 in mindering te worden gebracht, zodat resteert een bedrag van € 9.794 aan belastbare stakingswinst

4.6. Belanghebbende stelt zich evenwel op het standpunt dat de Inspecteur niet gerechtigd is dit bedrag tot haar belastbare inkomen uit werk en woning over 2004 te rekenen, aangezien zulks in strijd zou komen met het tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te rekenen vertrouwensbeginsel. Nu D expliciet heeft gezegd dat de staking van de onderneming geen financiële consequenties voor haar zou hebben, is – aldus belanghebbende – bij haar het – in rechte te beschermen – vertrouwen gewekt dat de staking van de onderneming niet tot een fiscale heffing zou leiden.

4.7. De Inspecteur heeft in hoger beroep herhaald dat een toezegging als door belanghebbende gesteld, niet is gedaan door D, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel naar zijn opvatting dient te worden afgewezen.

4.8. Hoewel D – blijkens het proces-verbaal van de Rechtbank met betrekking tot het getuigenverhoor – de door belanghebbende gestelde toezegging niet heeft ontkend, heeft hij die toezegging evenmin bevestigd. Voorts heeft hij gezegd dat hij zich niet kan voorstellen dat hij heeft gezegd dat er gestaakt kan worden zonder af te rekenen. D kan het zich niet herinneren, maar gelet op zijn ervaring als belastingambtenaar is het volgens D niet voorstelbaar dat hij zoiets heeft gezegd.

4.9. In aanmerking genomen dat staking van een onderneming in het algemeen fiscale gevolgen zal hebben met betrekking tot de aanslagregeling van het stakingsjaar, acht het Hof niet aannemelijk geworden dat D belanghebbende heeft toegezegd dat de staking van de onderneming per 31 december 2004 geen financiële gevolgen voor haar zou hebben. Hetgeen belanghebbende in dit verband heeft aangevoerd, is onvoldoende voor een andersluidende conclusie. Gelet op hetgeen door partijen in dit verband over en weer is aangevoerd, acht het Hof evenmin aannemelijk geworden dat bij belanghebbende redelijkerwijs de indruk kan hebben bestaan dat de staking van haar onderneming geen financiële gevolgen zou hebben. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.

4.10. Nu belanghebbende de onderneming ultimo 2004 heeft gestaakt, kan – in aanmerking genomen dat van een nagekomen ondernemingsverlies geen sprake is – in het jaar 2005 niet het door belanghebbende geclaimde ondernemingsverlies in aanmerking worden genomen. De door de Inspecteur voor het jaar 2005 toegepaste correctie van € 2.491 is in zoverre terecht.

4.11. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, doet aan voorvermelde conclusies niet af.

4.12. Het (hoger) beroep wordt mede geacht te zijn gericht tegen de beschikkingen inzake de heffingsrente (HR 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN:BJ7907, BNB 2010/52). Met betrekking tot de heffingsrente heeft belanghebbende geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Nu de opgelegde aanslagen worden bevestigd, ziet het Hof geen grond voor vermindering van de belanghebbende in rekening gebrachte bedragen aan heffingsrente.

4.13. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan te Leeuwarden door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2010.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 19 november 2010.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.