Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO4522

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
19-11-2010
Zaaknummer
200.020.017/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg aandelenoptieovereenkomst (Haviltex). Niet vaststellen jaarrekening onrechtmatige schade? Beroep op vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaadbaar?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 16 november 2010

Zaaknummer 200.020.017/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente]),

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

advocaat: mr. S.N.S.M. Mak, kantoorhoudende te Groningen,

procesadvocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

1. [naam] Beheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. Koninklijke [naam] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [naam] Beheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk ook wel te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. R.J.L. Gustenhoven, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 2 juli 2008 door de Rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 1 oktober 2008 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 9 december 2008.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

''het door de rechtbank Leeuwarden op 2 juli 2008 onder zaaknummer 80475 / HA ZA 07-49 tussen appellant als eiser in prima en geïntimeerden als gedaagden in prima te vernietigen, en, opnieuw recht doende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

a. te verklaren voor recht dat geïntimeerden hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens appellant voor de schade die appellant heeft geleden als gevolg van het feit dat hij door geïntimeerden op onzorgvuldige wijze niet in staat is gesteld om tijdig zijn opties uit te oefenen onder de aandelenoptieovereenkomst van partijen gesloten omstreeks 1 april 1998; en

b. te verklaren voor recht dat in de door partijen overeengekomen formule van artikel 12 van de aandelenoptieovereenkomst, de boekwinst op de verkoop van FFF meetelt:

- op de wijze zoals is gedaan in de alternatieve berekening opgenomen onder punt 21 van het lichaam van de conclusie van repliek in prima, eventueel rekening houdend met een indeplaatsstelling van Koninklijke [naam] B.V. ter vervanging van [geïntimeerden] Beheer B.V. als partij in de aandelenovereenkomst, en dat mitsdien het standpunt van geïntimeerden terzake als onjuist is te kwalificeren;

- althans, te bepalen op welke wijze de boekwinst op de verkoop van Fano Fine Food B.V. in die formule dient mee te tellen, zo mogelijk eveneens met de vaststelling dat het standpunt van geïntimeerden terzake als onjuist is te kwalificeren.''

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd met als conclusie:

''bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad,

1. Het vonnis van de rechtbank Leeuwarden d.d. 2 juli 2008 te bekrachtigen, waar nodig met aanvulling en verbetering van de gronden waarop vonnis berust;

2. [appellant] te veroordelen in de kosten van deze procedure en de procedure in eerste aanleg.''

Voorts heeft [appellant] een akte genomen en vervolgens heeft [geïntimeerden] een antwoordakte genomen

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft zes grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. De rechtbank heeft in haar vonnis in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.7) een aantal feiten vastgesteld. Daarover bestaat tussen partijen geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

In dit hoger beroep kan van het volgende worden uitgegaan.

1.1 [appellant] was in loondienst van Koninklijke [naam] werkzaam als statutair directeur van diverse werkmaatschappijen.

1.2 Op 1 april 1998 heeft [appellant] met [naam] Beheer een aandelenoptieovereenkomst gesloten, inhoudende dat [appellant] als werknemer het recht wordt toegekend tot het nemen van 490 certificaten van aandelen, elk groot nominaal NLG 1,--, in het kapitaal van de vennootschap. Op dezelfde dag is tussen Koninklijke [naam] en [appellant] - bij wijze van gedeeltelijke tegenprestatie - overeengekomen dat de structurele salarisaanpassing over de jaren 1999 tot en met 2002 wordt gereduceerd met 1,4% van het salaris over het voorafgaande jaar.

1.3 De aandelenoptieovereenkomst houdt onder meer het volgende in:

Artikel 2: de optie

De optie wordt onvoorwaardelijk toegekend aan de werknemer. De uitoefening dient te geschieden binnen de optieperiode.

Artikel 3: optieperiode

De optieperiode vangt aan op 1 april 1998 en eindigt op 31 maart 2003. De optie die alsdan nog niet is uitgeoefend vervalt.

(……)

Artikel 9: vervreemdingsverbod

Na uitoefening van de optie mogen de gekochte certificaten gedurende de hierna vermelde termijn niet worden vervreemd:

Jaar van de 5-jarige optieperiode Termijn in jaren van vervreemdingsverbod

(……)

5 (1 april 2002-31 maart 2003) 1 jaar (1 april 2003 - 31 maart 2004)

Artikel 10: beperking verkoop certificaten

Het is de medewerker niet toegestaan de certificaten die uit het uitoefenen van deze optie worden verkregen aan anderen dan [naam] Beheer B.V. of de vennootschap te verkopen.

(……)

Artikel 12: verkoopprijs certificaten

De verkoopprijs van certificaten wordt berekend op basis van de rentabiliteitswaarde als vermeld in de navolgende formule:

10 x gemiddelde 5-jaarswinst na vennootschapsbelasting van [naam] Beheer B.V.. De jaarwinst is de winst van [naam] Beheer B.V. zoals die wordt bepaald voor de verwerking in het commerciële jaarbericht van Koninklijke [naam] B.V..

De 5-jaarsperiode betreft de vijf aaneengesloten boekjaren van [naam] Beheer B.V. direct voorafgaand aan het jaar van verkoop van de certificaten. (…)

1.4 In 2001 heeft Koninklijke [naam] haar dochteronderneming Fano Fine Food B.V. verkocht. Door deze verkoop is binnen [naam] Beheer een boekwinst van

€ 35.094.656,-- gerealiseerd.

1.5 Op 18 oktober 2001 heeft een gesprek over de aandelenoptieovereenkomst plaatsgevonden tussen een vertegenwoordiger van de directie van Koninklijke [naam] en de optiehouders, waaronder [appellant]. Tijdens dit gesprek is aan [appellant] een brief d.d. 23 augustus 2001 van Deloitte & Touche aan Koninklijke [naam] uitgereikt, waarin voor zover van belang, het volgende is vermeld:

"De aanvankelijk sterk stijgende lijn in de resultaten (vlak voor en kort na de optie) heeft zich de laatste jaren, met name door ongunstige prijsontwikkelingen op de vettenmarkt, helaas niet voortgezet. De waarde van de aandelen is gebaseerd op de (vermenigvuldiging met 10 x van de gemiddelde) jaarwinst na vennootschapsbelasting. De incidentele boekwinst bij verkoop van het concernonderdeel Fano Fina Food B.V. maakt (uiteraard) geen deel uit van deze jaarwinst. De verkoopprijs is immers zelf de resultante van een factor x de winst na vennootschapsbelasting. Indien ook bij Fano Fine Food B.V. van een vermenigvuldigingsfactor van 10 wordt uitgegaan zou dan een dubbeltelling ontstaan van 10 x 10 is 100 keer de jaarwinst van Fano Fine Food B.V.! Als wij in afwijking van de overeenkomst een dergelijke extreme waardering met het management zouden overeenkomen, zou de fiscus een dergelijke irreële waardering overigens niet accepteren en aan de werknemers een naheffingsaanslag opleggen (…) Mijn inschatting is dat de huidige negatieve waarde van het optierecht de komende jaren niet (snel) zal omslaan in een positieve waarde. (…) Wellicht is dit een goed moment om met de betreffende managers in overleg te treden over beëindiging van het optierecht onder eventuele toekenning van een vergoeding van door de managers betaalde belastingkosten."

1.6 [geïntimeerden] heeft de optiehouders vervolgens aangeboden om de aandelenoptieovereenkomst met terugwerkende kracht te beëindigen, onder schadeloosstelling. [appellant] is niet op dit aanbod ingegaan.

1.7 [appellant] heeft op 31 maart 2003 één aandeel gekocht. Zijn optierechten met betrekking tot de overige 489 aandelen heeft hij niet uitgeoefend. In zijn brief van 31 maart 2003 aan [geïntimeerden] schrijft [appellant] onder meer het volgende:

"Ondergetekende zou zonder meer alle hem toekomende 490 stuks opties hebben uigeoefend ter verkrijging van 490 stuks certificaten [naam] Beheer B.V. indien er tussen partijen (enigszins) overeenstemming zou hebben bestaan omtrent de (globale) waarde van een certificaat [naam] Beheer B.V. per ultimo 2001 en indien deze waarde ongeveer overeen zou zijn gekomen met de waarde die er volgens de inzichten van ondergetekende (…) aan de certificaten per genoemde datum redelijkerwijs moet worden toegekend. (......)

Zoals ook uit de reeds gevoerde correspondentie blijkt, houdt ondergetekende u volledig aansprakelijk voor alle de door hem geleden en nog te lijden schade, zodra - in of buiten rechte - komt vast te staan dat de stellingnamen van u als onjuist moeten worden beschouwd c.q. dat u nalatig dan wel onzorgvuldig bent geweest in het betrachten van de vereiste transparantie en/of het (tijdig) verschaffen van voldoende relevante informatie ter zake c.q. u onterecht hebt verzuimd (tijdig) te reageren op onze visie dan wel op die van door ons ingeschakelde externe deskundigen."

Het geding in eerste aanleg

2. [appellant] heeft aangevoerd dat hij in 2002 en 2003 door [geïntimeerden] is misleid doordat [geïntimeerden] hem onjuiste c.q. onvolledige informatie heeft verstrekt op basis waarvan hij de waarde van de certificaten van aandelen moest berekenen.

Zo heeft [geïntimeerden] hem een 'categorale resultatenrekening 2001' verstrekt waarin geen rekening was gehouden met de boekwinst op de verkoop van Fano Fine Food B.V. en heeft zij de jaarrekening over 2001 waarin deze boekwinst wel was verwerkt, achtergehouden. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij aldus niet, althans onvoldoende, in staat is gesteld om in vrijheid zijn rechtspositie te bepalen. [appellant] heeft gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [geïntimeerden] aansprakelijk is voor de door hem geleden schade en voorts dat voor recht wordt verklaard dat de boekwinst op de verkoop van Fano Fine Food B.V. in de door partijen overeengekomen formule van artikel 12 van de aandelenoptieovereenkomst meetelt op de door hem in conclusie van repliek aangegeven wijze, althans op een nader te bepalen wijze.

3. [geïntimeerden] heeft verweer gevoerd en heeft gesteld dat [appellant] over voldoende informatie beschikte om een besluit te kunnen nemen over het uitoefenen van zijn opties, aangezien ook uit de categorale resultatenrekening bleek wat de boekwinst op de verkoop van Fano Fine Food B.V. was. [geïntimeerden] heeft benadrukt dat zij van meet af aan duidelijk heeft gemaakt dat zij van oordeel is dat deze buitengewone bate niet dient te worden meegeteld in de voor de bepaling van de verkoopprijs van de (certificaten van) aandelen relevante winst.

4. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en heeft daartoe in de rechtsoverwegingen 4.5, 4.6 en 4.8 ondermeer het volgende overwogen.

[geïntimeerden] heeft haar visie dat de winst op de verkoop van Fano Fine Food B.V. als bijzondere bate bij de berekening van de verkoopprijs van de aandelen buiten beschouwing moest worden gelaten al in oktober 2001 aan [appellant] kenbaar gemaakt. Vervolgens hebben partijen daarover gediscussieerd. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat niet volgehouden kan worden dat [appellant] door het enkel verstrekken van de categorale resultatenrekening waarin de boekwinst uit de verkoop van Fano Fine Food B.V. niet in het resultaat is betrokken, in verwarring is gebracht over de waarde van de aandelen bij verkoop.

Een tijdige beschikbaarheid van de jaarrekening 2001 zou naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet hebben geleid tot de door [appellant] gewenste duidelijkheid.

De rechtbank concludeert dat de onzekerheid van [appellant] over de waarde van de aandelen niet - zoals [appellant] stelt - werd veroorzaakt door het onthouden van informatie of het verschaffen van onjuiste inlichtingen door [geïntimeerden], maar door de onzekerheid over de vraag welk standpunt ten aanzien van de bate uit Fano Fine Food B.V. de juiste was. De rechtbank is van oordeel dat [appellant] zijn keuze de opties niet uit te oefenen in vrijheid heeft kunnen maken.

Het enkele feit dat [geïntimeerden] een ander standpunt huldigt dan [appellant] is niet onrechtmatig. Dat zou naar het oordeel van de rechtbank anders kunnen zijn indien [geïntimeerden] zich bewust was van de onhoudbaarheid van haar standpunt en desondanks heeft vastgehouden aan haar uitleg. [appellant] heeft echter geen feiten of omstandigheden gesteld die aanleiding geven tot een dergelijk oordeel, aldus de rechtbank.

Bespreking van de grieven

5. De grieven I tot en met V, die zijn gericht tegen de hiervoor in rechtsoverweging 4 weergegeven overwegingen van de rechtbank, lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

6. [appellant] heeft aangevoerd dat [geïntimeerden] hem op het verkeerde been heeft gezet, niet enkel door het verstrekken van de categorale resultatenrekening, maar vooral door het niet verstrekken van de jaarrekening.

[appellant] heeft betoogd dat hij, als hem in 2002 de jaarrekening van 2001 ter hand zou zijn gesteld, anders tegen zijn kansen in een eventuele procedure ter vaststelling van de waarde van de aandelen (na optie-uitoefening) zou hebben aangekeken. Hij zou zich dan met zijn adviseurs hebben kunnen beraden over het door hem in te nemen standpunt. Hij zou de opties hebben uitgeoefend en het risico hebben genomen van een juridische procedure nadien over de waarde van de aandelen. In zo'n procedure zou hij zijn standpunt met de jaarrekening van 2001 hebben kunnen onderbouwen.

[appellant] heeft benadrukt dat hij alles in het werk heeft gesteld om met [geïntimeerden] in discussie te geraken om tot een tijdige en reële waardevaststelling van de aandelen te komen. Van de zijde van [geïntimeerden] is geen adequate reactie gekomen.

[geïntimeerden] heeft [appellant] een goed zicht op zijn positie ontnomen door hem de voor het maken van een keuze redelijkerwijs noodzakelijke informatie te onthouden. Daarom kan niet worden volgehouden dat [appellant] zijn keuze in vrijheid heeft kunnen maken, aldus [appellant].

7. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Vast staat dat [geïntimeerden] [appellant] in strijd met de waarheid heeft medegedeeld dat er geen jaarrekening 2001 voorhanden was en voorts dat zij [appellant] deze jaarrekening tot na het verstrijken van de optietermijn heeft onthouden.

Deze handelwijze - waarvoor [geïntimeerden] geen rechtvaardigingsgrond heeft aangevoerd terwijl daarvan ook overigens niet is gebleken - is in strijd met hetgeen van [geïntimeerden] als goed werkgever in het kader van de optieovereenkomst mocht worden verlangd, alsook in strijd met hetgeen haar in het maatschappelijk verkeer jegens [appellant] betaamt. Deze handelwijze is dan ook als onrechtmatig jegens [appellant] te kwalificeren.

8. [appellant] stelt dat hij zijn keuze tot het al dan niet uitoefenen van zijn optierechten niet in vrijheid heeft kunnen maken omdat hem de jaarrekening 2001, die een heel ander beeld gaf van het vermogen van Koninklijke [naam] B.V. dan de categorale resultatenrekening, is onthouden.

9. Het hof stelt voorop dat de vraag hoe de verhouding van partijen in artikel 12 van de aandelenoptieovereenkomst is geregeld en of deze bepaling een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van die bepaling. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen daaraan in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. (Hoge Raad 13 maart 1981, NJ 1981, 635).

[appellant] verdedigt blijkens zijn gewijzigde eis bij conclusie van repliek ook niet dat de tekst van artikel 12 van de aandelenoptieovereenkomst zuiver grammaticaal moet worden uitgelegd.

10. [appellant] had weliswaar niet de beschikking over de jaarrekening van 2001, maar hij had wel de beschikking over alle relevante informatie uit die jaarrekening, te weten (a) de resultaten van de normale bedrijfsvoering - die over 2001 verlieslijdend was - en (b) de bijzondere bate uit de verkoop van Fano Fine Food B.V., die in de categorale resultatenrekening weliswaar buiten het resultaat was gehouden, maar daarin wel afzonderlijk was vermeld. [appellant] heeft niet gesteld dat de categorale resultatenrekening - afgezien van de tussen partijen ter discussie staande verwerking van de boekwinst op de verkoop van Fano Fine Food B.V. - onjuistheden bevatte. Dat is ook overigens niet gebleken. [appellant] beschikte derhalve over alle benodigde informatie die hij thans stelt nodig te hebben om een keuze te kunnen maken zijn opties al dan niet uit te oefenen.

11. Uit hetgeen [appellant] in dit hoger beroep heeft aangevoerd, blijkt dat hij van het uitoefenen van nagenoeg (al) zijn opties heeft afgezien, omdat hij vóór het verstrijken van de optietermijn niet in voldoende mate de zekerheid had dat de boekwinst die was gerealiseerd bij de verkoop van Fano Fine Food B.V.(op enigerlei wijze) in de verkoopprijs van de aandelen zou worden verdisconteerd.

De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de door [appellant] gestelde onzekerheid over de waarde van de aandelen niet werd veroorzaakt door het onthouden van informatie of het verstrekken van onjuiste inlichtingen, maar door het ontbreken van een antwoord op de vraag welk standpunt ten aanzien van de boekhoudkundige verwerking van de boekwinst als gevolg van de verkoop van Fano Fine Food B.V. de juiste was.

12. [appellant] stelt in dit verband dat hij zijn kansen anders zou hebben ingeschat als hij vóór het verstrijken van de optietermijn de beschikking had gehad over de jaarrekening 2001, nu daarin de winst uit de verkoop van Fano Fine Food B.V. wel in het resultaat was verwerkt. Daarmee is evenwel de kans dat [appellant] schade heeft geleden als gevolg van het feit dat deze jaarrekening hem is onthouden nog niet aannemelijk geworden.

Gelijk de rechtbank (aan het slot van haar rechtsoverweging 4.5) heeft overwogen - en [appellant] in dit hoger beroep ook niet heeft bestreden - verschillen partijen immers niet van mening over het antwoord op de vraag of de boekwinst uit de verkoop van Fano Fine Food B.V. op zichzelf tot de jaarwinst van [naam] Beheer moet worden gerekend, maar over het antwoord op de vraag of deze winst voor de bepaling van de verkoopprijs van de aandelen al dan niet buiten beschouwing moet blijven. [geïntimeerden] stelde zich op het standpunt dat artikel 12 van de aandelenoptieovereenkomst zo moest worden uitgelegd dat deze boekwinst buiten beschouwing diende te blijven en had dat ook aan [appellant] kenbaar gemaakt.

De omstandigheid dat de verkoopopbrengst in de jaarrekening 2001, anders dan in de categorale resultatenrekening, wèl in het resultaat is betrokken, laat dan ook onverlet dat [appellant] wist dat [geïntimeerden] deze winst voor de berekening van de verkoopprijs van de (certificaten van) aandelen buiten beschouwing wilde laten. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat een tijdige beschikbaarheid van de jaarrekening, waarin de bijzondere bate in het resultaat was verwerkt, voor [appellant] geen extra zekerheid zou hebben opgeleverd. Het geschil dat partijen verdeeld hield, namelijk of de boekwinst van de verkoop van Fano Fine Food B.V. ook in de verkoopprijs van de aandelen moest worden verdisconteerd en zo ja op welke wijze, zou daarmee immers niet zijn beslecht .

13. Dat [geïntimeerden] ten aanzien van de uitleg van artikel 12 van de optieovereenkomst een ander standpunt innam dan [appellant] is op zichzelf niet onrechtmatig. [appellant] heeft dat ook beaamd. Dat [geïntimeerden] niet bereid bleek om op grond van de door [appellant] aangedragen argumenten haar standpunt te herzien, is naar 's hofs oordeel evenmin onrechtmatig. De rechtbank heeft overwogen dat [geïntimeerden] niet een ongefundeerd standpunt innam, nu dat werd ondersteund door de adviezen die zij had ingewonnen bij De Brauw, Blackstone en Westbroek en Deloitte & Touche.

Aan de stelling van [appellant] dat zij enkel hun cliënt naar de mond hebben gepraat gaat het hof - nu elke onderbouwing van die stelling ontbreekt - voorbij.

14. Het hof acht de stelling van [appellant] dat hij een andere keuze zou hebben gemaakt in geval hij tijdig de beschikking had gehad over de jaarrekening van 2001, zonder nadere toelichting die ontbreekt, onbegrijpelijk in het licht van zijn gewijzigde eis en de daaraan ten grondslag gelegde uitleg van de optieregeling. Het in de jaarrekening van 2001 vermelde resultaat van

€ 27.711.181,-- (het negatieve resultaat uit de categorale resultatenrekening vermeerderd met de boekwinst uit de verkoop van Fano Fine Food) speelt in de door [appellant] gepresenteerde berekening immers in het geheel geen doorslaggevende rol. Nu [appellant] zijn stelling op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd, is voor honorering van het in dit kader door hem gedane bewijsaanbod geen plaats.

15. Het hof is voorts van oordeel dat uit de omstandigheid dat in artikel 12 van de aandelenoptieovereenkomst wordt gesproken over de rentabiliteitswaarde volgt dat partijen het oog hebben gehad op het rendement dat in de toekomst naar verwachting met de ondernemingsactiviteiten op de aandelen kan worden behaald, en niet op een eenmalige bijzondere bate die door de verkoop van een bedrijfsonderdeel is gerealiseerd.

16. Hoewel [geïntimeerden] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door hem de jaarrekening van 2001 indertijd te onthouden, is naar 's hofs oordeel dus niet de mogelijkheid aannemelijk geworden dat [appellant] dientengevolge schade heeft geleden.

17. De grieven I tot en met V falen.

18. In de toelichting op grief VI betoogt [appellant] dat [geïntimeerden] geen beroep toekomt op het vervalbeding in de optieovereenkomst.

Het hof verwijst naar hetgeen het naar aanleiding van de voorgaande grieven heeft overwogen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet het hof géén aanleiding om te oordelen dat het beroep van [geïntimeerden] op het vervalbeding in de optieovereenkomst in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Voor het overige heeft grief VI naast de andere grieven geen zelfstandige betekenis.

19. Ook grief VI faalt.

20. Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellant] als niet terzake dienend.

Slotsom

21. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Deze kosten worden tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] wat het geliquideerde salaris van de advocaat betreft begroot op 1,5 punt, tarief II.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 2 juli 2008 waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] op € 303,-- aan verschotten en op

€ 1.314,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, M.M.A. Wind en G. Van Rijssen en

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 16 november 2010 in bijzijn van de griffier.