Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO4375

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
24-003290-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 3, onder B van de Opiumwet.

Veroordeling tot een werkstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

Constatering dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-003290-09

Parketnummer eerste aanleg: 17-756197-07

Arrest van 16 november 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 18 december 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1954] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. E.M. Bakx, advocaat te Heerenveen.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake het haar ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een werkstraf voor de duur van 100 uren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

zij in of omstreeks de periode van 10 juli 2006 tot en met 24 januari 2007, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand/perceel gelegen aan de [straat]) (telkens) (een) (grote) hoeveelheid/hoeveelheden hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 10 juli 2006 tot en met 24 januari 2007, te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen telkens opzettelijk heeft bewerkt, in een pand gelegen aan de [straat], telkens hoeveelheden hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een aantal maanden toppen van hennepplanten geknipt.

Verdachte heeft daarmee een bijdrage geleverd aan het op de markt brengen van stoffen die schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 4 augustus 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het hof houdt bij de strafoplegging voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze uit het dossier blijken en door de verdachte en haar raadsvrouw ter terechtzitting van het hof zijn aangevoerd.

Hieruit blijkt ondermeer dat verdachte een zwakke, kwetsbare gezondheid heeft.

Het geld dat zij verdiende was bestemd voor haar dochter die financiële problemen had in verband met de ziekte van haar kind.

De betrokkenheid van verdachte bij de betreffende hennepkwekerij een zeer zijdelingse is geweest, bovendien tegen een geringe verdienste.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat de strafvervolging van de verdachte in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en dat er dientengevolge een strafvermindering van 10% dient plaats te vinden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn neemt een aanvang vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op 1 mei 2007, de datum waarop de verdachte is aangehouden, voor het eerst is verhoord en geconfronteerd werd met belastend bewijs afkomstig van medeverdachten. Het hof is van oordeel dat verdachte uit deze omstandigheden in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat zij strafrechtelijk zou worden vervolgd.

In eerste aanleg is op 18 december 2009 vonnis gewezen.

Nu de Hoge Raad als uitgangspunt heeft geformuleerd dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan die afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen, is de redelijke termijn met ruim zeven maanden overschreden.

De verdachte heeft op 22 december 2009 hoger beroep ingesteld en het hof zal op

16 november 2010 arrest wijzen. Derhalve heeft de berechting in hoger beroep plaatsgevonden ruimschoots binnen 2 jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld.

Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan de vaststelling dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal het hof met die vaststelling volstaan.

Gelet op het vorenstaande acht het hof een werkstraf van na te melden duur passend en geboden. Dat deze straf aanmerkelijk lager is dan door de advocaat-generaal is gevorderd en door de rechter in eerste aanleg is opgelegd, is gelegen in hetgeen hiervoor is opgemerkt ten aanzien van het geringe aandeel van verdachte in het strafbare feit, de ouderdom van het feit alsmede de zwakke gezondheidstoestand van verdachte.

Deze werkstraf wordt voorwaardelijk opgelegd en met de voorwaarden wordt beoogd recidive in de toekomst te voorkomen. Er wordt volstaan met een korte proeftijd nu gebleken is dat verdachte zich hangende de strafzaak niet schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van twintig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van één jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S. Zwerwer, voorzitter, mr. K. Lahuis en mr. F. Vellinga-Schootstra, in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen als griffier. Mr. F. Vellinga-Schootstra is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.