Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO3827

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
200.070.399/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtspersonenrecht. Voormalig bestuurder van een rechtspersoon (stichting) is buitenstaander bij die rechtspersoon, totdat zijn vordering tot schorsing van bestuursleden bij gebrek aan belang in beginsel moet worden afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 298
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2011, 160
JIN 2011/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 9 november 2010

Zaaknummer 200.070.399/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [adres],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. H.H. Gerdes, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

1. Stichting Kat in Nood,

gevestigd te Lauwerzijl,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna te noemen: de stichting

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [adres],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [adres],

4. [geïntimeerde 4],

wonende te [adres],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: geïntimeerden dan wel de stichting c.s.,

advocaat: mr. L. Sandberg, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding kort geding vonnis uitgesproken op 18 juni 2010 door de voorzieningenrechter van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 9 juli 2010, tevens houdende de grieven, is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van geïntimeerden tegen de zitting van 20 juli 2010.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"het vonnis van de Rechtbank Groningen d.d. 18 juni 2010 met kenmerk 118940/KG ZA 10-217 tussen appellante als eisers en geïntimeerden als gedaagden te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover wettelijk mogelijk:

In conventie:

I. De vorderingen van appellante alsnog toe te wijzen

In reconventie:

II. De vorderingen van geïntimeerden af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van de procedures in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door geïntimeerden verweer gevoerd met als conclusie:

"[appellante] niet ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel het vonnis, gewezen door de Voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen d.d. 18 juni 2010 onder zaak-/rolnummer 118940 KG ZA 10-217 (zo nodig met verbetering en/of aanvulling van gronden) te bekrachtigen, zulks met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

Ontvankelijkheid

1. [appellante] heeft haar dagvaarding in hoger beroep mede gericht tegen de geïntimeerden sub 2, 3 en 4.

Het hof kan evenwel in de vorderingen van [appellante] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geen enkele vordering ontwaren die gericht is tegen deze geïntimeerden. Daaraan kan niet afdoen dat die geïntimeerden wel onderwerp van het geding zijn.

Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat blijkens de schriftelijke eis in reconventie en onderdeel 12 van de pleitnota in eerste aanleg van de stichting c.s. de vorderingen in reconventie kennelijk uitsluitend moeten worden gezien als vorderingen van de stichting zelf en niet van de (inmiddels) geïntimeerden sub 2, 3 en 4.

1.1 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [appellante] niet kan worden ontvangen in haar hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de geïntimeerden sub 2, 3 en 4.

De feiten en grief I

2. Blijkens grief I en de reactie daarop van de stichting zijn partijen het erover eens dat het in rechtsoverweging 2.3 van het bestreden vonnis genoemde jaar 1996 in werkelijkheid 1995 was, zodat het hof rechtsoverweging 2.3 in voormelde zin leest en daarvan zal uitgaan. De in de grief ook aan de orde gestelde, in beide laatste zinnen van rechtsoverweging 2.4 weergegeven feiten worden door het hof als te dezen niet van direct belang in het midden gelaten. Dit geldt ook voor de in de grief aan de orde gestelde vaststellingen in rechtsoverweging 2.5, 2.6 derde volzin en 2.12 bijzin.

2.1 Met inachtneming van de beperkingen als hiervoor weergegeven, zal het hof derhalve uitgaan van de feiten als vermeld in rechtsoverweging 2 (2.1 t/m 12) van het bestreden vonnis.

2.2 Grief I slaagt aldus in ieder geval ten dele. Of dit [appellante] baat, zal hierna blijken.

Grief II

3. De grief bestrijdt het oordeel van de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 5.2 van het vonnis voor zover daarin wordt overwogen dat – naar het hof begrijpt – het besluit van het bestuur om een onroerende zaak te kopen en de overeenkomst waarbij de betreffende onroerende zaak (het pand) is aangekocht, niet nietig zijn.

3.1 Indien de grief al gegrond is, ligt door de devolutieve werking van het hoger beroep het geschil in conventie in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal het hoger beroep daarom in die zin behandelen.

3.2 [appellante] is op 30 juli 2009 ontslagen als bestuurder van de stichting. Dat ontslag vond plaats op grond van (al dan niet vermeende) financiële tekortkomingen van [appellante]. Bij dat ontslag speelde kennelijk geen rol het besluit tot verwerving of die verwerving zelf van het pand, welk een en ander- naar het hof begrijpt – plaatsvond ná het ontslag van [appellante] als bestuurder van de stichting.

3.3 Weliswaar heeft [appellante] buiten rechte de nietigheid van haar ontslag ingeroepen en roept zij – naar zij onder overlegging als productie 2 van de conceptdagvaarding stelt - die nietigheid inmiddels in rechte in, maar nu die nietigheid door de stichting wordt betwist en door de rechtbank kennelijk (nog) niet is vastgesteld, moet het hof er in dit geding van uitgaan dat dit ontslag rechtsgeldig is. Het hof merkt daarbij op dat dit ontslag niet mede onderwerp van dit geding vormt.

3.4 Het vorenoverwogene brengt met zich dat [appellante] vooralsnog als buitenstaander bij de stichting alsmede bij haar besluit tot verwerving van het pand en bij die verwerving zelf moet worden aangemerkt.

3.5 Zonder nadere, niet gegeven toelichting valt onder deze omstandigheden niet in te zien welk rechtens te respecteren belang [appellante] heeft bij haar vordering tot schorsing van de bestuursleden van de stichting, zoals ook door de stichting is aangevoerd.

3.6 Reeds op grond van het vorenstaande dient [appellante]s daarop gerichte vordering onder 2 van de inleidende dagvaarding te worden afgewezen.

3.7 De door [appellante] onder 1 van de inleidende dagvaarding ingestelde vordering tot aanwijzing van een verblijfplaats voor de katten dient eveneens te worden afgewezen. Immers, ook ten aanzien van deze vordering valt zonder nadere, niet gegeven toelichting niet in te zien welk rechtens te respecteren belang [appellante] als buitenstaander bij de stichting bij een dergelijke vordering heeft.

3.8 De grief treft (uiteindelijk) geen doel.

Grief III

4. De grief bestrijdt het oordeel van de voorzieningenrechter dat het besluit tot aankoop van het pand niet nietig is. Nu dat besluit volgens [appellante] wel nietig is, dienen volgens haar de vorderingen in reconventie van de stichting te worden afgewezen.

4.1 Zonder nadere, niet gegeven toelichting vermag het hof niet in te zien welk verband er zou kunnen bestaan tussen de vorderingen in reconventie en het volgens [appellante] nietige bestuursbesluit.

4.2 De grief faalt.

De slotsom

5. [appellante] is niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de geïntimeerden sub 2, 3 en 4. De grieven treffen geen doel. Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief II, 1 punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de geïntimeerden sub 2, 3 en 4;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze tot nu aan de zijde van de stichting op € 313,- wegens verschotten en op € 894,- wegens salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. R.Ch. Verschuur, F.J. Streppel en K.M. Makkinga en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 9 november 2010 in bijzijn van de griffier.