Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO2933

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
04-11-2010
Zaaknummer
24-000908-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt ter zake van drie gekwalificeerde diefstallen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000908-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-654978-07

Arrest van 2 november 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 28 maart 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats],

niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie,

thans uit anderen hoofde verblijvende in de P.I. Ter Apel, Gevangenis te Ter Apel,

blijkens opgave ter terechtzitting buiten detentie verblijvende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Baijens, advocaat te Oude Willem.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft op de vordering van de benadeelde partij beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep op 28 oktober 2009, 15 januari 2010 en 19 oktober 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden en dat het hof de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 26 april 2005, in de gemeente [gemeente 1], om (ongeveer) 5.40 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan De [straat], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een naaimachinekoffer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 03 mei 2005, in de gemeente [gemeente 2], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een schuur staande op het perceel [adres] te [woonplaats] heeft weggenomen een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij op of omstreeks 16 mei 2005, in de gemeente [gemeente 3] om (ongeveer) 06.00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan De [adres], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden, een digitale schotelontvanger, twee rijbewijzen, twee bankpassen, twee giropassen, twee lederen portemonnees, en/of een of meer lidmaatschapskaarten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 26 april 2005, in de gemeente [gemeente 1], om ongeveer 5.40 uur, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan de [straat], alwaar verdachte zich buiten weten van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een naaimachinekoffer, toebehorende aan [slachtoffer 1];

2.

hij omstreeks 3 mei 2005, in de gemeente [gemeente 2], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een schuur staande op het perceel [adres] te [woonplaats] heeft weggenomen een fiets, toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

3.

hij op 16 mei 2005, in de gemeente [gemeente 3] om ongeveer 06.00 uur, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan de [adres], alwaar verdachte zich buiten weten van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden, twee rijbewijzen, twee bankpassen, twee giropassen, twee lederen portemonnees en lidmaatschapskaarten, toebehorende aan [benadeelde].

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het onder 1 en 3 bewezen verklaarde levert telkens op het misdrijf:

diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten van de rechthebbende bevindt;

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid

In de onderhavige zaak en 3 soortgelijke zaken, welke tegelijkertijd op de terechtzitting in hoger beroep zijn behandeld, is op 20 juli 2010 door A.E. Grochowska, psychiater, en C.T.H.M. Salet, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, een rapportage pro justitia uitgebracht. Dit rapport concludeert - zakelijk weergegeven - dat, in tegenstelling tot hetgeen eerdere onderzoekers hebben vastgesteld, verdachte thans niet aan de criteria voor een posttraumatische stressstoornis voldoet. Wel wordt bij verdachte een aanpassingsstoornis geconstateerd. Nu echter geen verband aangetoond kan worden tussen de psychische toestand van betrokkene en de ten laste gelegde feiten, kan enige mate van vermindering in de toerekeningsvatbaarheid niet worden vastgesteld. Betrokkene wordt derhalve als volledig toerekeningsvatbaar beschouwd voor de ten laste gelegde feiten.

Het hof neemt deze bevindingen over nu deze op valide onderzoeksgegevens zijn gebaseerd. Het hof acht verdachte volledig toerekeningsvatbaar en derhalve strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

In de nachtelijke uren van 26 april 2005 heeft verdachte in de woning van [slachtoffer 1], waar hij zich buiten diens weten bevond, een naaimachinekoffer weggenomen. Kort daarna heeft verdachte zich nogmaals schuldig gemaakt aan (gekwalificeerde) diefstal, door omstreeks 3 mei 2005 de fiets van [slachtoffer 2] uit diens schuur - waartoe hij zich door middel van braak de toegang had verschaft - weg te nemen. Voorts is verdachte in de nacht van 16 mei 2005 de woning van [benadeelde] ingegaan en heeft hier diverse waardevolle goederen weggenomen, waaronder veel sieraden, rijbewijzen en bankpassen.

Door het plegen van deze feiten heeft verdachte meermalen inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van een ander. Zowel Lolkema als [benadeelde] zijn slachtoffer geworden van woninginbraak. Slachtoffers van een dergelijk delict ondervinden hier doorgaans nog lang nadelige gevolgen van, aangezien zij zich in een voor hun vertrouwde omgeving niet langer veilig kunnen wanen. Verdachte heeft zich van deze mogelijke gevolgen kennelijk geen rekenschap gegeven.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 20 september 2010, waaruit blijkt dat hij in het verleden meermalen is veroordeeld ter zake van soortgelijke vermogensdelicten. Hem zijn onder meer onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd, welke straffen hem er kennelijk niet van hebben weerhouden opnieuw dergelijke feiten te plegen.

Daarnaast houdt het hof rekening met de omtrent verdachte, reeds aangehaalde rapportage pro justitia, d.d. 20 juli 2010, waaruit blijkt dat verdachte als een instabiele, antisociale en impulsieve persoon kan worden aangemerkt. Het onberekenbare karakter van verdachte zoals dit in de rapportage wordt beschreven, komt ook tot uiting in de door hem gepleegde delicten.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof

- overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en de beslissing van de politierechter in eerste aanleg - oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij

[benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in hoger beroep voort.

Vast staat dat de benadeelde partij rechtstreekse schade is toegebracht door het onder 3 bewezen verklaarde feit, dat aan verdachte is toe te rekenen. De benadeelde partij heeft € 7.330,- aan materiële schadevergoeding gevorderd.

Nu de vordering het hof niet ongegrond of onbillijk voorkomt wordt de vordering geheel toegewezen.

Gelet op het vorenstaande dient de verdachte - als de in het ongelijk gestelde partij - te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van negen maanden;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van zevenduizend driehonderddertig euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van zevenduizend driehonderddertig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van eenenzeventig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. S.H. Wachter en mr. H. Heins, in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman als griffier.