Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO2026

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
28-10-2010
Zaaknummer
200.046.221-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onttrekking van procesadvocaat laat zijn verantwoordelijkheid ex art. 245 Rv (proceskostenveroordeling ten laste van een derde) onverlet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/502
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 26 oktober 2010

Zaaknummer 200.046.221/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[naam] Shipping B.V.,

gevestigd te Groningen,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: aanvankelijk mr. J.V. van Ophem,

die zich ter rolle van 17 augustus 2010 heeft onttrokken,

voor wie gepleit heeft mr. R.L. Latten, advocaat te Rotterdam,

tegen

EXHO B.V.,

gevestigd te Raamsdonkveer,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: EXHO,

advocaat: mr. J.B. Smits, kantoorhoudende te Breda,

die tevens gepleit heeft.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 26 augustus 2009 door de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 7 september 2009 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van EXHO tegen de zitting van 27 oktober 2009.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"om, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank Groningen dat op 26 augustus 2009 tussen Exho B.V. en [naam] Shipping B.V. onder zaak-/rolnummer 105203/HA ZA 08-813 is gewezen te vernietigen en, opnieuw recht doende, geïntimeerde, eiseres in eerste instantie in haar vordering niet ontvankelijk te verklaren, haar deze te ontzeggen althans de vordering af te wijzen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door EXHO verweer gevoerd met als conclusie:

"om de door appellante aangevoerde grief ongegrond te verklaren en het vonnis van de Rechtbank te Groningen van 26 augustus 2009 te bekrachtigen, met veroordeling van appellante in de kosten van beide instanties."

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota zijdens [appellante].

[appellante] heeft op de rol van 3 augustus 2010 een akte genomen en heeft daarbij 13 producties overgelegd.

EXHO heeft op de rol van 17 augustus 2010 een antwoordakte genomen.

Ten slotte heeft EXHO de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft één grief opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het appel:

1. Ten pleidooie heeft het hof de vraag opgeworpen of [appellante] ten tijde van het uitbrengen van de appeldagvaarding op 7 september 2009 nog een bestaande rechtspersoon was. Het hof heeft [appellante] vervolgens de gelegenheid geboden dienaangaande nader bewijs bij te brengen door het overleggen van stukken.

2. [appellante] heeft 13 producties overgelegd. Voor de beantwoording van de door het hof opgeworpen vraag zijn echter slechts de producties 2 en 11 van belang.

3. Productie 2 is een uittreksel uit het handelsregister d.d. 21-07 2010 betreffende [appellante]. Uit dit uittreksel blijkt dat [appellante] ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg (9 oktober 2008) nog bestond alsmede dat op 03-02-2009 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon (hof: [appellante]) is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 26-01-2009.

4. Uit productie 11 (zijnde de inschrijving d.d. 23 januari 2009 in het kadaster van de notariële akte van levering/eigendomsoverdracht van het mts Julia Sara door [appellante] aan [naam] Shipping GmbH) blijkt dat [appellante] in liquidatie het schip de Julia Sara, hetwelk bezwaard is met hypotheek voor € 1,-- aan [naam] Shipping GmbH heeft verkocht, waarbij laatstgenoemde ook de schulden waarvoor de hypotheek is verstrekt overneemt.

5. Klaarblijkelijk was met de verkoop van de Julia Sara de laatste bekende bate bij [appellante] verdwenen. Hoe dat ook zij, in ieder geval is – zoals blijkt uit het hiervoor bedoelde uittreksel uit het handelsregister – op 3 februari 2009 geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan “omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 26-01-2009.”

6. Nu niet is gesteld of gebleken dat nadien nog nieuwe baten bij [appellante] bekend zijn geworden, staat daarmee vast dat de appeldagvaarding is uitgebracht op naam van een niet (meer) bestaande persoon, zodat [appellante] in haar appel niet kan worden ontvangen.

7. Een niet bestaande rechtspersoon kan niet in de kosten worden veroordeeld, zodat het hof voornemens mevrouw [naam]-[naam] en/of haar procesadvocaat te veroordelen in de kosten van deze procedure.

8. Alvorens daartoe over te gaan, stelt het hof – conform het bepaalde in artikel 245 lid 2 Rv - genoemde personen in de gelegenheid op dat voornemen te reageren.

De procesadvocaat heeft zich weliswaar ter rolle van 17 augustus 2010 aan deze zaak onttrokken, doch dat laat zijn verantwoordelijkheid ex artikel 245 Rv onverlet, zodat het hof in zoverre aan die onttrekking voorbij gaat.

Beslissing

Het gerechtshof:

stelt mr. J.V. van Ophem en [naam]-[naam] in de gelegenheid te reageren op het voornemen van het hof als hiervoor weergegeven;

verwijst de zaak daartoe naar de rol van dinsdag 23 november 2010 voor het nemen van een akte;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mrs. K.E. Mollema, L. Groefsema en M. Wolters, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 26 oktober 2010 in het bijzijn van de griffier.