Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO1786

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-10-2010
Datum publicatie
27-10-2010
Zaaknummer
BK 09/00134 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur bij het bepalen van de rendementsgrondslag terecht de hiervoor onder 2.3 vermelde belastingschuld en de daarover verschuldigde invorderingsrente per 31 december 2006 niet in aanmerking heeft genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/8.1.2
FutD 2010-2572
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 09/00134

uitspraakdatum: 21 oktober 2010

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z,

belanghebbende

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden in de zaak met nummer AWB 08/1379 van 10 september 2009, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De inspecteur heeft over het jaar 2006 aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.168 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.700.

1.2 Het tegen de aanslag ingediende bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 16 mei 2008 ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 10 september 2009 het beroep ongegrond verklaard.

1.4 Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift (met bijlagen) is op 20 oktober 2009 bij het hof ingekomen. Op 2 december 2009 is het verweerschrift van de inspecteur (met bijlagen) ingekomen.

1.5 Ter zitting van 9 september 2010 heeft het hof het hoger beroep behandeld. Ter zitting zijn belanghebbende en zijn echtgenote A verschenen. Namens de inspecteur is verschenen de heer B, bijgestaan door mevrouw C. Namens belanghebbende is ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen. Zonder bezwaar van de inspecteur zijn daarbij enkele bijlagen overgelegd. Daarnaast is door belanghebbende een afschrift van de brief van 11 april 2006 van de Belastingdienst overgelegd. Ook daartegen heeft de inspecteur geen bezwaar gemaakt.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 Belanghebbende, geboren op .. mei 19.., was in 2006 het gehele jaar gehuwd met A, geboren op .. december 19... Hij genoot in 2006 onder andere uitkeringen van het UWV en Nationale Nederlanden.

2.2 Volgens de aangifte IB/PVV 2006 van belanghebbende bedroeg de waarde van zijn bezittingen (zijnde spaartegoeden, aandelen, obligaties en dergelijke) per 1 januari 2006 € 545.066 en per 31 december 2006 € 568.766. De gemiddelde rendementsgrondslag na aftrek van het heffingvrije vermogen bedroeg € 517.520.

2.3 Belanghebbende had per 31 december 2006 een bedrag van € 53.960 aan navorderingsaanslagen IB/PVV en vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 1999 openstaan. Hierover was belanghebbende invorderingsrente verschuldigd. De dagtekeningen van de desbetreffende navorderingsaanslagen zijn gelegen in de periode van 28 november 2003 tot en met 3 december 2004. De hoogte van de navorderingsaanslagen heeft belanghebbende bestreden door het instellen van de rechtsmiddelen van beroep en hoger beroep.

2.4 Belanghebbende heeft in zijn brieven van 22 maart 2006, 10 mei 2006 en 13 september 2006 de ontvanger om een betalingsregeling verzocht met betrekking tot de openstaande navorderingsaanslagen. Als reactie daarop heeft de ontvanger belanghebbende met ingang van 11 april 2006 uitstel van betaling verleend. Wegens het uitblijven van een in de ogen van belanghebbende passende reactie op zijn verzoeken om een betalingsregeling heeft belanghebbende - hoewel hij daartoe gezien zijn vermogenspositie wel in staat was - de betreffende navorderingsaanslagen in het jaar 2006 niet betaald. De in het jaar 2006 vrijgekomen gelden heeft hij opnieuw voor langere tijd bij de bank vastgezet.

2.5 De ontvanger heeft in zijn brief van 21 februari 2008 het verleende uitstel van betaling ingetrokken. Daarna heeft belanghebbende de navorderingsaanslagen betaald.

2.6 Tegen de in rekening gebrachte invorderingsrente inzake de bij punt 2.3 genoemde openstaande navorderingsaanslagen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De ontvanger heeft bij uitspraak het bezwaar toegewezen voor wat betreft de invorderingsrente over de periode van april 2006 tot en met februari 2008. Daarvoor heeft de ontvanger als reden opgegeven dat de onder 2.4 genoemde verzoeken ten onrechte zijn aangemerkt als verzoeken om uitstel van betaling in plaats van verzoeken om een betalingsregeling.

2.7 Volgens de informatie uit de centrale ontvangersadministratie heeft belanghebbende vóór de datum van 22 maart 2006, de datum van zijn eerste verzoek (zie 2.4) diverse aan hem opgelegde aanslagen betaald, waaronder ook (navorderings)aanslagen voor de IB/PVV en de vermogensbelasting.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur bij het bepalen van de rendementsgrondslag terecht de hiervoor onder 2.3 vermelde belastingschuld en de daarover verschuldigde invorderingsrente per 31 december 2006 niet in aanmerking heeft genomen.

3.2 Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend.

Hiertoe voert hij - zakelijk weergegeven en samengevat - aan dat de belastingdienst op onjuiste wijze heeft gereageerd op zijn verzoeken om een betalingsregeling, waardoor hij zijn banktegoed ultimo 2006 niet heeft kunnen verlagen met het bedrag van de openstaande navorderingsaanslagen en invorderingsrente. Hij wil dat de erkenning van de ontvanger dat hij nalatig is geweest in de beantwoording van belanghebbendes verzoeken om een betalingsregeling leidt tot een lagere rendementsgrondslag voor de heffing van IB/PVV. De inspecteur dient zich te voegen naar het standpunt van de ontvanger, aldus belanghebbende.

In hoger beroep voert belanghebbende ook aan dat hij niet wist en de belastingdienst hem evenmin heeft laten weten op welke wijze hij de betaling van de betreffende navorderingsaanslagen tot stand had kunnen brengen.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot die van de inspecteur en tot vermindering van de rendementsgrondslag ter zake van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen waarbij rekening wordt gehouden met de in 3.1 bedoelde schulden.

3.3 De inspecteur beantwoordt de vraag bevestigend.

Hij betwist de stelling van belanghebbende dat hij niet geweten zou hebben hoe de navorderingsaanslagen betaald hadden moeten worden, dan wel dat de belastingdienst hem daarvan niet op de hoogte heeft gesteld. Hiervoor verwijst hij naar de door hem in hoger beroep overgelegde informatie uit de centrale ontvangersadministratie en verwijst hij als voorbeeld naar de door hem overgelegde voorzijde en de achterzijde van het aanslagbiljet van de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV 1991.

Ook stelt de inspecteur dat de onder 2.6 opgenomen uitspraak van de ontvanger niet een in rechte te beschermen vertrouwen kan wekken met betrekking tot een aanslag IB/PVV waaraan hij gebonden zou zijn.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1 Naar het bepaalde in artikel 5.3, derde lid aanhef en letter a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden bij het bepalen van de rendementsgrondslag verplichtingen die voortvloeien uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen, uit een belastingwet waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is of uit de Invorderingswet 1990 niet in aanmerking genomen.

In zoverre heeft de inspecteur terecht de onder 2.3 vermelde belastingschuld en de daarmee in verband houdende invorderingsrente bij het bepalen van de rendementsgrondslag niet in aanmerking genomen.

4.2 Belanghebbende stelt dat de in zijn ogen onjuiste reactie van de belastingdienst op zijn verzoeken om een betalingsregeling moet leiden tot een aanslag IB/PVV over het jaar 2006 waarin in afwijking van de wettelijke regeling rekening wordt gehouden met de hiervoor onder 4.1 bedoelde verplichtingen. Ook stelt hij dat hij niet wist hoe de betalingen van de betreffende navorderingsaanslagen tot stand hadden moeten komen, dan wel dat de inspecteur hem daarvan niet op de hoogte had gesteld.

In deze stellingen zal het hof belanghebbende niet volgen. Redengevend hiervoor acht het hof het volgende.

4.3 Vast staat dat de betreffende navorderingsaanslagen ruim voor het jaar 2006 waren opgelegd. Uit de informatie van de ontvangersadministratie blijkt dat belanghebbende al vóór de datum van zijn eerste verzoek, zijnde 22 maart 2006, heeft geweten op welke wijze (navorderings)aanslagen - ook die voor de IB/PVV en de vermogensbelasting - betaald kunnen worden, zodat de dienaangaande stelling belanghebbende niet kan baten. Daarbij merkt het hof op dat - naar ter zitting door de inspecteur is gesteld en door belanghebbende niet is weersproken - het verleende uitstel van betaling een betaling in 2006 van de betreffende navorderingsaanslagen niet in de weg stond.

4.4 Gelet op vorenoverwogene had belanghebbende, met inachtneming van het feit dat hij daartoe in staat was, in het jaar 2006 tot betaling van de betreffende navorderingsaanslagen kunnen overgaan. Hij heeft dit nagelaten. Naar het oordeel van het hof moeten de gevolgen daarvan voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor zijn rekening te blijven. Hieraan doet niet af dat de ontvanger in zijn (trage) reactie op belanghebbendes verzoeken aanleiding heeft gevonden om hem tegemoet te komen in de vorm van een vermindering van de invorderingsrente. Dit is een exclusief aan de ontvanger toekomende bevoegdheid die de inspecteur niet kan binden. Op generlei wijze valt in te zien dat belanghebbende erop mocht vertrouwen dat de inspecteur bij het bepalen van de rendementgrondslag in de lijn van de voor de invordering gedane uitspraak van de ontvanger zou gaan handelen. In redelijkheid moet belanghebbende hebben kunnen begrijpen dat de tegemoetkoming uitsluitend is gedaan in de invorderingsfeer en niet in de heffingsfeer.

4.5 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld en uitgesproken op 21 oktober 2010 door mr. J. Huiskes, voorzitter, mr. E. Polak en mr. A.J. Kromhout, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier. De uitspraak is ondertekend door de voorzitter en door de griffier.

Afschrift aangetekend aan partijen verzonden op 27 oktober 2010

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.