Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO0984

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-10-2010
Datum publicatie
18-10-2010
Zaaknummer
24-000863-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van mishandeling van willekeurig persoon in stationsrestauratie Leeuwarden CS alsmede van gekwalificeerde diefstal van een scooter. Ontkennende verdachte. Tevens bewezenverklaring op grond van justitiële documentatie van de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in artikel 43a en 43b van het Wetboek van Strafrecht. Veroordeling tot zeventig dagen gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000863-10

Parketnummers eerste aanleg: 17-880566-09 en 17-880062-10

Arrest van 15 oktober 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 19 maart 2010 in de oorspronkelijk onder de parketnummers

17-880566-09 en 17-880062-10 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in PI Noord, gevangenis De Marwei te Leeuwarden,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.J. de Vries, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis, in de gevoegde zaken, wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte voor het in de zaken A en B primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 70 dagen, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

Zaak A

hij op of omstreeks 8 december 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), in/tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

Zaak B

hij op of omstreeks 19 februari 2010 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, een scooter (merk AGM), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 19 februari 2010 te [plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een scooter (merk AGM) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die scooter wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Overwegingen omtrent het bewijs van het in zaak A ten laste gelegde

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in de ochtend van 8 december 2009 in de stationsrestauratie te [plaats] een aldaar aanwezige klant heeft mishandeld.

Verdachte ontkent. Hij verklaart aangever (hierna te noemen: [slachtoffer 2]) slechts een lichte duw te hebben gegeven, toen hij [slachtoffer 2] wilde passeren. Door de raadsman is betoogd dat niet kan worden bewezen dat het verdachte was (en niet diens metgezel [medeverdachte 1]), die [slachtoffer 2] heeft mishandeld. De verklaringen van [slachtoffer 2] en getuige [getuige 1] staan lijnrecht tegenover elkaar waar het gaat om het verschil in lengte tussen de persoon die geslagen heeft en diens metgezel. Volgens [slachtoffer 2] zou de kleinste man hem hebben geslagen, terwijl volgens [getuige 1] - een tweede maal gehoord over met name dit punt - de langste man daarvoor verantwoordelijk gehouden moet worden. Nu er voor het overige onvoldoende bewijs voorhanden is - er zijn ondanks de aanwezigheid van bewakingscamera's ter plaatse geen camerabeelden beschikbaar, terwijl een medische verklaring ontbreekt - dient verdachte volgens de raadsman van dit feit te worden vrijgesproken.

Aan de aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaring van stationsrestauratiemedewerkster [getuige 1] ontleent het hof het wettig bewijs dat het verdachte is geweest die [slachtoffer 2] in het gezicht heeft geslagen. [slachtoffer 2] verklaart, zakelijk weergegeven: "Ik zag dat de kleinste van de twee mij aankeek en zijn armen spreidde. Ik zag dat de man zijn rechterarm omhoog deed en mij vervolgens met kracht in het gezicht sloeg. Ik zag dat hij mij met zijn vingerknokkels sloeg. Ik voelde op dat moment pijn aan mijn kin en onderlip." [getuige 1] verklaart, zakelijk weergegeven: "Ik zag dat de langste van de twee [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: aangever [slachtoffer 2]) in zijn gezicht sloeg. Ik zag dat [slachtoffer 2] echt aangevlogen werd door deze man. Hij werd echt meerdere keren geslagen op zijn hoofd".

Het hof is van oordeel dat het verschil in waarneming inzake de lengte van de beide personen van ondergeschikt belang is bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van deze verklaringen, nu zowel [slachtoffer 2] als [getuige 1] expliciet verklaren dat de man, die heeft geslagen, dezelfde was als degene die eerder (ongeoorloofd) een gebakje uit de vitrine haalde. Verdachte heeft ten overstaan van verbalisanten alsmede ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij die persoon is geweest. Voorts blijkt uit laatstgenoemde verklaring van verdachte alsmede uit een proces-verbaal van bevindingen dat verdachte en zijn metgezel van nagenoeg gelijke lengte zijn.

Gelet op het vorenstaande acht het hof op grond van de door [slachtoffer 2] en [getuige 1] afgelegde verklaringen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in zaak A ten laste gelegde heeft begaan.

Overwegingen omtrent het bewijs van het in zaak B primair ten laste gelegde

In zaak B is verdachte primair ten laste gelegd dat hij, tezamen met een ander, een scooter heeft gestolen. Verdachte ontkent elke betrokkenheid daarbij. Het hof stelt evenwel vast dat zijn verklaring wordt weersproken door - onder meer - die van getuige [getuige 2]. Zij heeft verklaard dat zij - kort na de diefstal van de scooter bij supermarkt [bedrijf] aan het [straat] te [plaats] - vanuit haar keukenraam twee mannen op een scooter zag rijden. De bestuurder kende zij als "[bijnaam verdachte]", degene die achterop zat als [medeverdachte 2]. Verdachte heeft bevestigd dat "[bijnaam verdachte]" inderdaad zijn bijnaam is. Voorts heeft getuige [getuige 2] verklaard dat zij diezelfde scooter even later voor het perceel [adres] zag staan, met verdachte ernaast. Het betrof de woning waarin verdachte even later werd aangehouden.

Tegen de verklaring van [getuige 2] heeft verdachte slechts ingebracht dat hij niet op de scooter heeft gereden en dat zij waarschijnlijk een belastende verklaring over hem heeft afgelegd, omdat zij een hekel aan hem heeft.

Het hof heeft voorts gelet op de verklaring van de in voornoemde woning aanwezige buurtbewoner [getuige 3], die een frequent bezoeker van het betreffende perceel is, reeds omdat hij tezamen met de hoofdbewoner een abonnement op de Leeuwarder Courant heeft. Zijn verklaring vindt steun in die van de overige personen die zich, naast [getuige 3], in de woning bevonden, te weten [getuige 4], zoon van de hoofdbewoner, en diens vriend [getuige 5]. [getuige 3] verklaart dat verdachte die avond aanbelde en om een sterschroevendraaier vroeg. [getuige 3] stuurt verdachte weg. Even later belt verdachte opnieuw aan, ditmaal vergezeld van de eerdergenoemde medeverdachte [medeverdachte 2], waarbij een scooter met draaiende motor voor de deur staat. Ondanks het feit dat zij beiden in de woning niet gewenst zijn, gaan zij naar binnen op zoek naar gereedschap.

Inmiddels is aangifte gedaan van diefstal van de scooter. Verbalisanten treffen deze scooter, zonder kentekenplaat, aan voor het perceel [adres]. De beschrijving van de scooter alsmede het chassisnummer komen overeen met hetgeen in de aangifte daarover is vermeld. Al degenen die zich in de woning bevinden worden aangehouden. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft dan reeds het pand verlaten door een achteruitgang. Ten aanzien van [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] staat binnen korte tijd vast dat zij niets met de diefstal van de scooter van doen hebben. Verdachte wordt in verzekering gesteld ter zake van gekwalificeerde diefstal van een scooter.

Op grond van de aangifte, de verklaring van [getuige 2], de waarnemingen van de getuige [getuige 3], welke worden ondersteund door die van [getuige 4] en [getuige 5], alsmede het aantreffen van de scooter voor het pand waarin verdachte zich bevond, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich, tezamen met een ander, schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde diefstal.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

Zaak A

hij op 8 december 2009 te [plaats], opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 2], in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

Zaak B primair

hij op 19 februari 2010 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, een scooter (merk AGM), toebehorende aan [slachtoffer 1], zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in de zaken A en B primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

Zaak A

mishandeling, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

Zaak B primair

diefstal door twee of meer verenigde personen, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Daargelaten het feit dat hij zich tijdens de ochtendspits, kennelijk onder invloed van alcohol, in de stations-restauratie van [plaats] CS hinderlijk en intimiderend heeft gedragen ten opzichte van de aldaar aanwezigen, heeft hij één van hen zonder aanleiding mishandeld. Uit de diverse verklaringen valt af te leiden dat verdachte doelbewust enigerlei confrontatie heeft gezocht. Het hof rekent het verdachte aan dat hij aangever [slachtoffer 2] door zijn agressieve houding angst heeft aangejaagd - [slachtoffer 2] heeft in dit verband verklaard "dat hij stond te trillen op zijn benen" - en vervolgens diens lichamelijke integriteit heeft geschonden door hem in het gezicht te slaan. Voorts heeft verdachte zich, tezamen met een ander, schuldig gemaakt aan diefstal van een scooter.

Het hof stelt vast dat verdachte - door zijn ontkennende opstelling - geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor hetgeen hij bij anderen teweeg brengt.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 september 2010. Dit uittreksel beslaat 20 pagina's. Daaruit blijkt dat verdachte, thans 26 jaar oud, reeds talloze malen is veroordeeld voor strafbare feiten van diverse aard, hetgeen er terecht toe heeft geleid dat aan de tenlastelegging de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in artikel 43a en 43b van het Wetboek van Strafrecht is toegevoegd.

Gelet op het vorenstaande acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende sanctie. Met betrekking tot de duur daarvan zal het hof aansluiten bij hetgeen in eerste aanleg is opgelegd en door de advocaat-generaal in hoger beroep is gevorderd.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 43a, 43b, 57, 300, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte in de zaken A en B primair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld in zaak A en in zaak B primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van zeventig dagen;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter, mr. S.H. Wachter en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier.