Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO0457

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-10-2010
Datum publicatie
14-10-2010
Zaaknummer
24-000507-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van vernieling van een etalageruit veroordeeld tot een geldboete van € 200,- , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vier dagen hechtenis. Het hof heeft tevens een beslissing genomen omtrent de vordering van een benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000507-09

Parketnummer eerste aanleg: 17-755457-08

Arrest van 14 oktober 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 30 januari 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het hem ten laste gelegde tot een geldboete van € 200,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vier dagen hechtenis. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 1.076,14, te vervangen door 21 dagen hechtenis, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren voor het overige.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 6 juli 2008 te [pleegplaats], (althans) in de gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een (etalage)ruit (van een winkelpand), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Verdachte wordt - kort gezegd - verweten dat hij op 6 juli 2008 te [pleegplaats] een (etalage)ruit heeft vernield.

Zowel ten overstaan van de politie, als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verdachte een ontkennende verklaring afgelegd. Verdachte heeft verklaard dat hij op 6 juli 2008 in [pleegplaats] aanwezig is geweest en langs de fotozaak [benadeelde] aan de [straat] is gelopen. Hij heeft echter - naar eigen zeggen - niet de ruit ingeslagen. Dat hij desondanks ter zake van de vernieling is aangehouden, is volgens verdachte te verklaren door het feit dat de inwoners van [pleegplaats] en de aldaar (op dat moment) aanwezige politie het op hem hebben gemunt, nu hij in het verleden deel uitmaakte van een groep jongeren die overlast veroorzaakte in [pleegplaats].

Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en[getuige 2] blijkt dat verdachte tegen de ruit van voornoemd winkelpand heeft geslagen, waarna de etalageruit is gebroken.

[getuige 1] heeft namelijk ten overstaan van de politie onder meer verklaard - zakelijk weergegeven - : "Afgelopen nacht 6 juli 2008 omstreeks 03:30 uur liep ik over de [straat] te [pleegplaats]. Ik zag toen voor mij een jongen lopen die kennelijk helemaal over de rooie was. Ik hoorde dat een meisje hem [verdachte] noemde. Ik zag dat toen hij bij de fotozaak van [benadeelde] kwam, die [verdachte] hard tegen de ruit sloeg. Ik hoorde toen een ruit breken. Die [verdachte] was op dat moment de enige persoon die voor die winkel stond." (dossierpagina 22 e.v.)

[getuige 2] heeft bij de politie - zakelijk weergegeven - verklaard: "Toen dat raam ingeslagen werd van [benadeelde] was het ongeveer 4:00 uur of 04:15 uur. Ik stond ongeveer tien meter verder in de straat. Er stonden enkele jongens op straat die vervelend waren. Een jongen, die [verdachte] heet, sloeg toen tegen een ruit van kledingzaak [winkelbedrijf]. Onderweg sloeg [verdachte] tegen alle ramen waar hij langs liep. Hij deed dit met zijn vuist. Toen ze ter hoogte van fotozaak [benadeelde] waren, hoorde ik een ruit kapot gaan. Toen ik in die richting keek, zag ik dat [verdachte] bij die ruit stond." (dossierpagina 18 e.v.)

Het hof acht de verklaringen van voornoemde getuigen geloofwaardig. De getuigen hebben voldoende gedetailleerde verklaringen afgelegd, die daarenboven onderling consistent zijn en steun vinden in de overige bewijsmiddelen in het strafdossier. Dat kan naar het oordeel van het hof niet worden geconcludeerd ten aanzien van de zich in het procesdossier bevindende voor verdachte ontlastende verklaringen van de getuigen [getuige 3] (dossierpagina 24 e.v.) en [getuige 4] (dossierpagina 27 e.v.), zodat het hof deze verklaringen ter zijde zal schuiven. In het licht van het gehele dossier hebben [getuige 3] en [getuige 4] selectief verklaard over de gebeurtenissen van de vroege ochtend van 6 juli 2008. Dat tast de geloofwaardigheid van deze getuigen aan.

Het hof concludeert op grond van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] dat met [verdachte] respectievelijk [verdachte] de verdachte wordt bedoeld.

Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 6 juli 2008 in [pleegplaats] opzettelijk en wederrechtelijk de etalageruit van [benadeelde] heeft vernield.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 juli 2008 te [pleegplaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een etalageruit van een winkelpand, toebehorende aan [benadeelde], heeft vernield.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 6 juli 2008 de etalageruit van een winkelpand ingeslagen. Hij heeft aldus een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaar van de winkel,

[benadeelde].

Het hof heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 3 augustus 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten.

Gelet op vorenstaande acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde geldboete passend en geboden. Het hof zal die straf aan verdachte opleggen.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij, de eenmanszaak "[benadeelde]", gevestigd te [vestigingsplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg niet is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

De benadeelde partij heeft zich middels een voegingsformulier in eerste aanleg in het strafgeding gevoegd. Zij heeft schadevergoeding gevorderd wegens materi?le schade. De volgende schadeposten (inclusief 19% btw) zijn opgevoerd:

1. nieuw etalageruit € 2.445,-

2. noodvoorziening € 310,59

3. kozijnbalk € 521,85

4. raambelettering € 302,26

5. lijst Nuvolarti € 110,91

6. lijst Lichtendonk € 138,52

7. loonkosten € 420,-

Volgens een opmerking op de bij het voegingsformulier gevoegde toelichting heeft de verzekering de schadeposten genoemd onder 1 en 2 volledig vergoed. Ter terechtzitting in eerste aanleg is namens de benadeelde partij het te vorderen bedrag gesteld op een bedrag van € 1.191,-.

Het hof gaat er vanuit dat nu de verzekering de onder 1 en 2 genoemde schadeposten heeft vergoed, voornoemd bedrag van ? 1.191,- deze posten niet omvat.

Het hof is van oordeel dat een deel van de (overige) gestelde materi?le schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het bewezen verklaarde feit, dat deze aan verdachte als gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Dit deel betreft de volgende schadeposten:

3. kozijnbalk € 438,53

4. raambelettering € 254,-

5. lijst Nuvolarti € 93,20

6. lijst Lichtendonk € 116,42

Voornoemde bedragen zijn ontleend aan de bij het voegingsformulier gevoegde facturen, en betreffen de hierop vermelde factuurbedragen exclusief btw. Voornoemd deel van de gevorderde materiële schade, in totaal € 902,15, zal worden toegewezen, vergezeld van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof acht de vordering voor het overige, te weten de gevorderde loonkosten (schadepost 7), niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet hierop dient de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling dat de benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 36f en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van tweehonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vier dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], gevestigd te [vestigingsplaats], tot een bedrag van negenhonderdtwee euro en vijftien cent;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van negenhonderdtwee euro en vijftien cent ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], gevestigd te [vestigingsplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van achttien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Hielkema, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en mr. G.M. Meijer-Campfens, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier.