Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BO0032

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-10-2010
Datum publicatie
11-10-2010
Zaaknummer
24-001461-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt ter zake van het opzettelijk verkopen en verstrekken van cocaïne, speed en XTC-pillen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 193 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Hierbij wordt reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde gesteld. Daarnaast wordt aan verdachte een werkstraf van maximale duur opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001461-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-880040-08

Arrest van 7 oktober 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 29 mei 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres]

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. W.A. Veenstra, advocaat te Joure.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de in beslag genomen geldsom zal verbeurdverklaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 januari 2008 te [pleegplaats 1] en/of te [pleegplaats 2] en/of/in elk geval (in diverse [overige] plaatsen) in het arrondissement Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of/in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) cocaïne en/of (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) amfetamine (speed) en/of (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of MDEA en/of N-ethylMDA (en/of amfetamine) (te weten zogeheten XTC-pillen), zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDA en/of MDMA en/of MDEA en/of

NethylMDA (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 januari 2008 te [pleegplaats 1] meermalen opzettelijk heeft verkocht en verstrekt hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA (te weten zogeheten XTC-pillen), zijnde cocaïne en amfetamine en MDMA, middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 januari 2008 aan diverse personen cocaïne, speed en XTC-pillen verkocht en verstrekt. Door zijn handelen heeft verdachte het gebruik van deze stoffen bevorderd en daarmee de volksgezondheid in gevaar gebracht, aangezien cocaïne, speed en XTC-pillen voor gebruikers zeer schadelijk zijn.

Bij de strafoplegging heeft het hof in aanmerking genomen een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 21 september 2010, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld ter zake van drugsdelicten.

Daarnaast houdt het hof rekening met een omtrent verdachte uitgebrachte rapportage van de Verslavingszorg Noord Nederland (VNN), d.d. 15 september 2010, alsmede met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan ter terechtzitting van het hof is gebleken.

Zo blijkt uit het hiervoor genoemde rapport dat verdachte gedurende ruim een jaar opgenomen is geweest in het Intramuraal Motivatie Centrum van de VNN, waar een afhankelijkheid van alcohol en hard- en softdrugs werd gediagnosticeerd en verdachte geadviseerd is om zich voor een ambulante behandeling bij de verslavingszorg aan te melden. Dit advies is door verdachte opgevolgd. Volgens de rapporteur neemt verdachte gemotiveerd deel aan de behandeling en weet hij daarmee grip te houden op zijn alcohol- en drugsgebruik. Voorts wijst de rapporteur erop dat verdachte zijn afspraken nakomt, hij zich begeleidbaar opstelt en - indien nodig - om hulp vraagt. Verdachte heeft momenteel geen huisvestingsproblemen. Wel heeft verdachte nog schulden die afbetaald moeten worden. Al met al is het recidiverisico volgens de rapporteur aanzienlijk afgenomen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof het hiervoor beschreven positieve beeld bevestigd. Verdachte heeft aangegeven te hebben gebroken met het verleden en geen contact meer te hebben met de mensen met wie hij toentertijd omging. Verder is verdachte druk doende zijn schulden af te lossen. Het geld dat hiervoor nodig is verdient verdachte met zijn werk als jachtschilder.

De landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting in aanmerking genomen, en gelet op de periode van 7 maanden waarin verdachte met regelmaat harddrugs heeft verkocht en verstrekt, rechtvaardigen oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Het hof acht een dergelijke bestraffing ook in de onderhavige zaak op haar plaats, met dien verstande dat hier - vanwege een overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting in hoger beroep - een korting van een maand op dient te worden toegepast. Dit resulteert in een gevangenisstraf van 8 maanden, oftewel 240 dagen.

Verdachte heeft het hof dringend verzocht hem niet terug te sturen naar de gevangenis, maar hem - ter compensatie - een werkstraf op te leggen. Gezien de hierboven beschreven positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte en om verdachte de kans te bieden de door hem ingeslagen positieve weg voort te zetten, ziet het hof in dit geval aanleiding om een fors deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen met een proeftijd van twee jaar. Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal gelijk zijn aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. Het hof stelt hierbij de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich onder toezicht van de reclassering zal stellen. Verdachte heeft deze steun in de rug nodig om op het goede pad te blijven.

Om toch voldoende recht te doen aan de ernst van de feiten acht het hof het noodzakelijk om verdachte tevens een werkstraf van maximale duur op te leggen.

Verbeurdverklaring

Het in beslag genomen geldbedrag van € 517,92 is voor verbeurdverklaring vatbaar, nu genoegzaam is komen vast te staan dat dit bedrag geheel of grotendeels door middel van de bewezen verklaarde feiten is verkregen en is gebleken dat dit bedrag aan verdachte toebehoort.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op artikel 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 33, 33a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van tweehonderdveertig dagen;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van honderddrieënnegentig dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tweehonderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen zal worden toegepast;

verklaart verbeurd:

Geldbedrag van € 517,92.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Hielkema, voorzitter, mr. P. Koolschijn en mr. G.M. Meijer-Campfens, in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman als griffier.