Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN9469

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
BK 24/10 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende in 2005 een op grond van het bepaalde in artikel 3.101, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) te belasten periodieke uitkering en/of verstrekking heeft ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/64.17 met annotatie van Redactie
FJR 2013/82.11
FutD 2010-2340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEB

kenmerk: 24/10

uitspraakdatum: 1 oktober 2010

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 17 december 2009, nummer AWB 08/1811, in het geding tussen de Inspecteur en

X te Z (hierna: belanghebbende).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.722. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 247.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 25 juli 2008 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.022.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 17 december 2009 gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag IB/PVV over 2005 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.722.

1.4 De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2010 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord A en B namens de Inspecteur, alsmede belanghebbende en mr. C, als de gemachtigde van belanghebbende.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Voor de feiten verwijst het Hof naar de door de Rechtbank vastgestelde feiten. In het onderdeel “Feiten” van haar uitspraak heeft de Rechtbank de feiten als volgt vastgesteld (waarbij eiseres dient te worden gelezen als belanghebbende en verweerder als de Inspecteur en het in 1.5 vermelde bedrag van € 6.6806,76 als € 6.806,76):

1.1 Eiseres is geboren op .. juli 19.. en is gehuwd geweest met D, geboren op .. maart 19.., uit welk huwelijk drie kinderen zijn geboren: een zoon in 1991 en in 1993 en 1997 een dochter.

1.2 Eiseres en haar echtgenoot hebben feitelijk in september 2004 hun samenwoning verbroken.

1.3 Eiseres en haar kinderen stonden tot 6 juni 2005 in de Gemeentelijke Basisadministratie ingeschreven op het adres van de voormalige echtelijke woning: a-weg 108 te Z.

Vanaf 6 juni 2005 stond eiseres met haar kinderen ingeschreven op het adres b-wei 2 te Z.

1.4 Op 23 juni 2006 hebben eiseres en haar (ex-)man het echtscheidingsconvenant getekend. De door de rechtbank uitgesproken echtscheiding is op 7 augustus 2006 in het register van de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven.

1.5 Eiseres en haar (ex-)man hielden ten behoeve van hun gezamenlijke huishoudelijke uitgaven en uitgaven voor hun kinderen gedurende hun huwelijk een gezamenlijke bankrekening aan bij de Postbank met nummer 00.00.000 (hierna: de gezamenlijke rekening). Deze bankrekening is gedurende heel 2005 door hen aangehouden en zij konden beide vrijelijk over deze bankrekening beschikken. Eiseres heeft in 2005 in totaal € 6.6806,76 op deze rekening gestort en eiseres' (ex-)man in totaal € 20.316.

1.6 Daarnaast had eiseres in 2005 de uitsluitende beschikking over een bankrekening bij de Postbank met nummer 00.00.001.

1.7 Ter zitting hebben partijen desgevraagd gezamenlijk verklaard dat de behoefte van de drie kinderen van eiseres en haar (ex-)man in 2005 afgerond € 1.750 per maand bedroeg, overeenkomstig hetgeen daarover in het, onder 1.4, vermelde echtscheidingsconvenant onder artikel 2, lid 1 is opgenomen:

"Partijen constateren, dat de behoefte van de kinderen € 583,-- per kind per maand bedraagt."

1.8 In het echtscheidingsconvenant is verder onder meer vastgelegd:

artikel 2, lid 2:

"De man betaalt met ingang van de dag waarop de echtscheiding een feit zal zijn aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen een bedrag van € 350,-- per kind per maand, door de man aan de vrouw vóór iedere eerste van de maand te voldoen, vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering die aan de man op grond van geldende wetten en/of regelingen ten behoeve van de minderjarigen kan of zal worden verleend. Op dit bedrag is de wettelijke indexering van toepassing, voor het eerst op 1 januari 2007. (…)

artikel 2, lid 5:

"Wanneer de vrouw hertrouwt of gaat samenwonen als was zij gehuwd of een geregistreerd partnerschap aangaat of wanneer de vrouw geheel in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, waardoor de verplichting tot het betalen van partneralimentatie van de man aan de vrouw zal eindigen, zal de door de man ten behoeve van de kinderen te betalen bijdrage in de kosten van verzorgingen opvoeding van de kinderen worden verhoogd met in totaal een bedrag van € 700,--, welk bedrag nog moet worden verhoogd met de wettelijke indexeringspercentages vanaf 1 januari 2007. (…)

artikel 3, lid 1:

"De man betaalt met ingang van de dag waarop de echtscheiding een feit zal zijn aan de vrouw voor haar levensonderhoud een bedrag € 700,-- netto ofwel € 1.050,-- bruto per maand, door de man aan de vrouw vóór iedere eerste van de maand te voldoen. Op dit bruto bedrag is de wettelijke indexering van toepassing, voor het eerst op 1 januari 2007.

1.9 Van de bespreking tussen eiseres en haar (ex-)man op 28 juni 2005 heeft de advocaat een besprekingsverslag opgesteld, waarin onder 2.1 het volgende is opgenomen:

"Partijen komen een alimentatie overeen zoals door de vrouw in haar brief van 19 mei 2005 aan e.s.b. is neergelegd, te weten een kinderalimentatie van € 1.050,-- en een partneralimentatie van € 700,-- netto. De alimentatie is in zijn geheel bedoeld voor de kinderen. Wanneer de partneralimentatie vervalt bij samenwonen of hertrouwen van de vrouw gaat de kinderalimentatie met € 700,-- omhoog. (…) De alimentatie zal ingaan wanneer de echtscheiding een feit zal zijn, hetgeen het geval is wanneer de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand."

2.2 In aanvulling op de door de rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof vast:

Tot de stukken van het geding behoort een brief met dagtekening 26 februari 2008 aan de Inspecteur, met betrekking tot een door de ex-man van belanghebbende gevoerde bezwaarprocedure, kenmerk 0000.00.002, waarin de man zich op het standpunt stelt dat er sprake was van een bijdrage in het onderhoud van belanghebbende voor wat betreft huur van de woning en overige kosten die hiermee samenhangen.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende in 2005 een op grond van

het bepaalde in artikel 3.101, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) te belasten periodieke uitkering en/of verstrekking heeft ontvangen.

3.2 De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend en belanghebbende ontkennend.

3.3 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen

afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.4 De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en tot

bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

3.5 Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 3.1, juncto artikel 3.100, juncto artikel 3.101, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet IB behoren periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting tot het belastbaar inkomen uit werk en woning, tenzij de uitkeringen of verstrekkingen worden ontvangen van bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn.

4.2 Vast staat dat in het onderhavige jaar het huwelijk tussen belanghebbende en haar voormalige echtgenoot (hierna: de man) nog niet door echtscheiding is ontbonden en dat er door een rechter geen voorlopige voorziening is uitgesproken waarin is bepaald welk bedrag de man moet betalen voor het levensonderhoud van belanghebbende.

4.3 De Inspecteur stelt dat belanghebbende en de man echter het gehele jaar duurzaam gescheiden hebben geleefd en een voorlopige voorziening hebben getroffen op grond waarvan belanghebbende van de man een bedrag heeft ontvangen waarvan € 7.816 louter zag op het voorzien in het levensonderhoud van belanghebbende (hierna: de storting). De Inspecteur is daarbij van mening dat de storting, op grond van de in 4.1 vermelde wettelijke bepaling is te belasten en dat het, na de uitspraak op het bezwaar, uiteindelijke gecorrigeerde bedrag van € 5.300 zeker niet te hoog is vastgesteld.

4.4 De Inspecteur heeft, zoals hij dat ter zitting nader heeft verklaard, de omvang van de storting berekend door op het totaal van de door hem geconstateerde betalingen van de man ter grootte van € 28.816 in mindering te brengen de door hem op grond van alimentatienormen, gebaseerd op het zogenoemde “trema-rapport”, berekende onderhoudsbehoefte van de kinderen, groot € 21.000. De inspecteur heeft voorts gesteld dat belanghebbende deze betalingen ook daadwerkelijk heeft ontvangen aangezien de man in 2005 een bedrag van € 20.316 heeft betaald op de door belanghebbende en de man gezamenlijk gevoerde bankrekening. Daarnaast heeft de man in 2005, zo stelt de Inspecteur, kosten voor levensonderhoud ten bedrage van € 8.500 rechtstreeks voldaan.

4.5 Belanghebbende stelt dat in 2005, alhoewel de man de echtelijke woning reeds in 2004 heeft verlaten, niet vaststond dat zij en de man duurzaam gescheiden leefden en voorts dat tijdens het huwelijk er geen sprake kan zijn van enige uit het familierecht voortvloeiende verplichting nu een familierechtelijke overeenkomst dan wel een rechterlijke uitspraak die dat zou kunnen bewerkstelligen, ontbreekt.

4.6 Op de Inspecteur rust, na de gemotiveerde weerspreking daarvan door belanghebbende, de last aannemelijk te maken dat uit de in 4.4 vermelde berekening voortvloeit dat belanghebbende en de man de in 4.3 bedoelde voorlopige voorziening zouden hebben getroffen. Het Hof acht de Inspecteur hierin niet geslaagd. De bewijskracht van een berekening van de onderhoudsbehoefte van de kinderen die is gebaseerd op algemene alimentatienormen, ook al hebben belanghebbende en de man dit in het nadien opgestelde echtscheidingsconvenant tot uitgangspunt genomen, is naar het oordeel van het Hof te zwak om te kunnen concluderen dat belanghebbende en de man bedoeld hebben dat, voor zover de betalingen door de man de met die algemene alimentatienormen berekende onderhoudsbehoefte overstijgen, deze waren bedoeld om enkel in het levensonderhoud van belanghebbende te voorzien. Voormeld oordeel vindt ook zijn grond in het ter zitting door belanghebbende uitdrukkelijk, en naar het oordeel van het Hof geloofwaardig verklaarde, dat zij in haar eigen onderhoud kon voorzien en dat zij en de man met de onder 4.4. genoemde betalingen van de man slechts bedoeld hebben de levensstandaard van de kinderen in stand te laten. Dat de man in zijn aan de Inspecteur gerichte brief van 26 februari 2008 stelt dat er in 2005 wel degelijk sprake was van een bijdrage in het levensonderhoud van belanghebbende doet aan voormeld oordeel niet af omdat deze stelling niet is onderbouwd en de man bij deze verklaring belang had omdat hij € 6.000 als een persoonsgebonden aftrek in verband met een periodieke uitkering en verstrekking op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting aan belanghebbende heeft afgetrokken.

4.7 Nu het Hof tot het in 4.6 vermelde oordeel is gekomen behoeft de vraag of in 2005 reeds vaststond dat belanghebbende en de man duurzaam gescheiden leefden alsmede de overige stellingen van belanghebbende geen bespreking meer.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

De proceskosten van belanghebbende in hoger beroep zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2 (verweerschrift en verschijnen ter zitting) ? € 437 ? 1 (gewicht van de zaak) = € 874 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 874.

Op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan zal van de Staat een griffierecht worden geheven van € 448.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. J. Huiskes en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. J. Huiskes. Daarnaast is de uitspraak ondertekend door de griffier.

De beslissing is op 1 oktober 2010 in het openbaar uitgesproken.

Griffier Raadsheer

(K. de Jong-Braaksma) (J. Huiskes)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 6 oktober 2010

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.