Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN9284

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2010
Datum publicatie
04-10-2010
Zaaknummer
24-002026-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken ter zake van overtreding van artikel 9 Wegenverkeerswet 1994. Uit de omstandigheid dat het besluit per aangetekende post is verzonden en niet als onbestelbaar retour is gekomen, kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Voorts is het hof van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door als bestuurder van een personenauto de toegestane maximumsnelheid zeer fors te overschrijden. Veroordeling tot een geldboete van € 550,-. Ontzegging van vier maanden. Teruggave beslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002026-09

Parketnummer eerste aanleg: 19-605182-09

Arrest van 1 oktober 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van

31 juli 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsvrouw van verdachte

mr. N.B. Swart, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf en een overtreding veroordeeld tot straffen en een bijkomende straf en heeft voorts een beslissing genomen over het in beslag genomen goed, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsvrouw van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van feit 1 zal veroordelen tot een werkstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis, en ter zake van feit 2 zal veroordelen tot een geldboete van ? 550,-, subsidiair 11 dagen vervangende hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vier maanden. Voorts heeft hij gevorderd dat het hof de teruggave van de in beslag genomen auto zal gelasten.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, zoals in eerste aanleg gewijzigd, dat:

1.

hij op of omstreeks 25 januari 2009 in de gemeente [gemeente 1] en/of [gemeente 2], terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorie?n van motorrijtuigen, te weten a/b/c/d en/of e, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorie?n was afgegeven, op de weg, de [straat 1], als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorie?n heeft bestuurd;

2.

hij op of omstreeks 25 januari 2009 in de gemeente [gemeente 1] en/of [gemeente 2], als bestuurder van een voertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat 1], welke weg als autoweg was aangeduid, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 180 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof - kort samengevat -aangevoerd dat verdachte op 25 januari 2009 er niet van op de hoogte was of moest zijn dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Daarom dient hij van het onder 1 ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Bij besluit van 18 september 2008 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen het rijbewijs van verdachte ongeldig verklaard, omdat hij niet heeft meegewerkt aan het onderzoek naar de geschiktheid. De ongeldigverklaring is met ingang van 25 september 2008 van kracht geworden. Dit besluit is aangetekend verzonden en niet retour gekomen. Uit de stukken blijkt echter dat dit besluit op 18 september 2008 naar het oude GBA-adres van verdachte is gestuurd, terwijl verdachte sinds 20 augustus 2008 staat ingeschreven op een ander adres.

Uit de omstandigheid dat het besluit per aangetekende brief is verzonden en niet als onbestelbaar retour is gekomen, kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De omstandigheid dat verdachte twee dagen voor het plegen van dit feit eveneens is aangehouden ter zake van het rijden na ongeldig verklaring van zijn rijbewijs doet daaraan niet af.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte op 25 januari 2009 wist noch redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard. Aldus acht het hof niet bewezen hetgeen onder 1 is ten laste gelegd, zodat hij ter zake van dit feit zal worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat het verdachte is geweest die te hard heeft gereden. De verbalisanten hebben een auto gevolgd, maar zijn deze uit het oog verloren. Vervolgens hebben zij na 13,5 kilometer waarschijnlijk de verkeerde auto, zijnde de auto van verdachte, gevolgd, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt omtrent dit verweer als volgt.

Uit het dossier blijkt dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 25 januari 2009 in een opvallend dienstvoertuig reden en in uniform waren gekleed. De verbalisanten controleerden op snelheid op de [straat 1]. Zij hadden postgevat op de toerit nabij [plaats 1]. Op een gegeven moment passeerde hen een donkergekleurde personenauto, vermoedelijk een BMW, met hoge snelheid. De verbalisanten hoorden dat aan het motorgeluid en zagen de auto snel inlopen op een voorganger. De verbalisanten hebben vervolgens de achtervolging ingezet. Verbalisant [verbalisant 1] zag op een gegeven moment dat de snelheidsmeter van het dienstvoertuig 200 kilometer per uur aangaf. Volgens de ijkingstabel betrof de werkelijk gereden snelheid bij 200 kilometer per uur 186 kilometer. Op dat moment ging de auto vol gas en kwam niet dichterbij het achtervolgde voertuig. Het voertuig reed op een afstand van ongeveer 1,5 kilometer voor hen en liep op het dienstvoertuig uit. Op de weg was een snelheid van maximaal 100 kilometer per uur toegestaan. Vervolgens zagen de verbalisanten dat de bestuurder ter hoogte van [plaats 2] een auto inhaalde. Hierna zijn de verbalisanten het voertuig een klein poosje uit het zicht verloren in verband met het snelle uitlopen, een viaduct en een lange bocht in de weg. Door verbalisant [verbalisant 2] is via de meldkamer gevraagd om een surveillance eenheid, om deze auto op te wachten. Ter hoogte van de afslag [plaats 3] zagen verbalisanten de auto weer voor hen rijden. Op dat moment had een collega de auto ook al met hoge snelheid een viertal auto's zien inhalen. Dit werd ook door de verbalisanten gezien. Ter hoogte van de [straat 2] hielden collega's de bestuurder van een BMW M3 staande. Direct daarop waren de verbalisanten ook ter plaatse. Na de cautie verklaarde de bestuurder, zijnde verdachte [verdachte], dat hij te snel had gereden.

Op grond van vorenstaande feitelijke vaststelling gaat het hof er vanuit dat de gemeten auto is staande gehouden. Het hof verwerpt aldus het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 25 januari 2009 in de gemeente [gemeente 1] en [gemeente 2], als bestuurder van een voertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat 1], welke weg als autoweg was aangeduid, de aldaar toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de overtreding:

overtreding van het bepaalde in artikel 21, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 25 januari 2009 als bestuurder van een personenauto de toegestane maximumsnelheid zeer fors overschreden.

Uit een verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 juni 2010 blijkt, dat verdachte eerder ter zake van strafbare feiten, waaronder overtredingen van de Wegenverkeerswet, is veroordeeld.

Gelet op vorenstaande acht het hof - evenals de politierechter en de advocaat-generaal - een bestraffing in de vorm van een onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend, waarbij het hof rekening heeft gehouden met verdachtes financi?le draagkracht, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Daarnaast zal het hof ten aanzien van het dit feit een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen zoals in het dictum nader omschreven. De raadsvrouw heeft weliswaar aangevoerd dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft in verband met handel met Duitsland, maar afgezien van de omstandigheid dat een en ander niet nader is onderbouwd, acht het hof de ernst van het feit zodanig, dat niet kan worden afgezien van een onvoorwaardelijke rijontzegging.

Teruggave van het beslag

Nu geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet zal het hof de teruggave gelasten van het in beslag genomen goed, te weten een zwarte personenauto met kenteken [kenteken]. De teruggave dient te geschieden aan de rechthebbende, zijnde [moeder van verdachte], de moeder van verdachte, nu het kenteken van de auto op haar naam is gesteld.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en op artikel 21 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] ter zake van de onder 2 ten laste gelegde overtreding tot een geldboete van vijfhonderdvijftig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van elf dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

ontzegt aan de veroordeelde ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van vier maanden;

gelast de teruggave aan de rechthebbende ([moeder van verdachte]) van:

een personenauto, zwart, kenteken [kenteken].

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S.H. Wachter, voorzitter, mr. A. Dijkstra en mr. H.J. de Ruijter, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier, zijnde mr. A. Dijkstra en mr. H.J. de Ruijter buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.