Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN5805

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-08-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
200.064.614/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruimingsvonnis. Is de vordering tot ontruiming en betaling achterstallige huur ook toewijsbaar tegen de oprichters van de vennootschap? Hof oordeelt van wel, gelet op de tekst van het huurcontract.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 31 augustus 2010

Zaaknummer 200.064.614/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellante 1],

wonende te [woonplaats]

2. [appellant 2]

wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. S. Veenstra, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

Brand Bierbrouwerij B.V.,

gevestigd te Wijlre, gemeente Gulpen-Wittem,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Brand,

advocaat: mr. S.M. van der Zwan, kantoorhoudende te Dieren.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 9 april 2010 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden (hierna te noemen: de kantonrechter), gewezen tussen Brand als eiseres en [Horecabedrijf] als gedaagden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 3 mei 2010 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Brand tegen de zitting van 11 mei 2010.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"het arrest, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuur, het vonnis van de kantonrechter ex artikel 254 lid 4, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Rechtbank te Leeuwarden onder rolnummer 309179\CV EXPL 10-1681 op 9 april 2010 tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerde als eiseres gewezen te vernietigen en opnieuw recht doende, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, geïntimeerde alsnog in haar vorderingen jegens appellanten niet-ontvankelijk te verklaren, althans geïntimeerde haar vorderingen te ontzeggen danwel af te wijzen en geïntimeerde te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door Brand verweer gevoerd, onder overlegging van producties, met als conclusie:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, appellanten in hun appèl niet ontvankelijk te verklaren althans hen dat te ontzeggen en het bestreden vonnis, zonodig onder verbetering van gronden, te bekrachtigen met veroordeling van appellanten hoofdelijk, althans beiden en in ieder geval uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van beide instanties."

Voorts hebben [appellanten] een akte genomen waarbij producties zijn overgelegd en heeft Brand een antwoordakte genomen.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten] hebben vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

Ten aanzien van de feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.7 van genoemd vonnis is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Het hof zal die feiten, voor zover in hoger beroep van belang, hierna weergeven.

1.1. Op 28 februari 2008 hebben Brand als verhuurster en [Horecabedrijf] i.o. als huurster een huurovereenkomst gesloten terzake van een horecapand gelegen aan [adres].

1.2. De huurovereenkomst luidt, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, als volgt.

Huurovereenkomst

De ondergetekenden

1. BRAND …. verklaart bij dezen te hebben verhuurd aan de mede-ondergetekende(n),

2. [Horecabedrijf] i.o., te vestigen en kantoorhoudende te [adres], hierna te noemen de huurder, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar bevoegde functionarissen [appellant 2], …. en [appellante 1] …, die zich reeds thans, alsmede voor de periode na oprichting van de vennootschap, beiden hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de voor de huurder uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen;

….

11. Hoofdelijke Aansprakelijkheid

11.1 Indien met "de huurder" meer (rechts)personen zijn aangeduid, zijn deze hoofdelijk aansprakelijk voor alle uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen.

11.2 De in deze overeenkomst genoemde natuurlijke personen en/of rechtspersonen die zich voor de huurder hoofdelijk aansprakelijk hebben gesteld, verklaren zich - ieder voor zich - door ondertekening van deze overeenkomst jegens de brouwerij hoofdelijk aansprakelijk voor alle voor de huurder uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen.

11.3 De in dit artikel vermelde hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de brouwerij geldt eveneens voor alle (betalings)verplichtingen uit hoofde van (dranken)leveranties van de brouwerij aan de huurder.

11.4 Indien de in dit artikel omschreven hoofdelijke aansprakelijkheid een particuliere borgtocht in de zin van de wet is, zal de uit hoofde van deze overeenkomst voortvloeiende aansprakelijkheid per hoofdelijke aansprakelijkheid beperkt zijn tot een bedrag gelijk aan vijf maal de aanvangshuurprijs.

11.5 Alle ondergetekenden verklaren, voor zover de wet dit vereist, elkaar over en weer toestemming te hebben verleend tot het aangaan van de voor ieder van hen uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen.

12. Overige bepalingen

12.1 De brouwerij en de huurder komen overeen dat indien en zodra de vennootschap in oprichting perfect is geworden, op het moment van perfect worden de verplichtingen voortvloeiende uit deze overeenkomst geacht worden te zijn opgelegd aan de opgerichte vennootschap. Als huurder dient de opgerichte vennootschap te worden beschouwd.

Aldus gedaan en in tweevoud getekend ….

De huurder: Brand Bierbrouwerij BV

[appellant 2] (q.q. en voor zich) [gemachtigde]

… …

[appellante 1] (q.q. en voor zich)

….

1.3. Bij akte van 25 juni 2008 heeft [Horecabedrijf] alle door [appellante 1] en [appellant 2] in de oprichtingsfase verrichte rechtshandelingen bekrachtigd, daaronder begrepen het aangaan van de huurovereenkomst met Brand.

1.4. [Horecabedrijf] heeft een grote huurachterstand laten ontstaan. Tot en met februari 2010 bedroeg deze € 71.905,55 bij een toen geldende huur van € 7.622,69 per maand.

De procedure in eerste aanleg en de kern van het geschil in appel

2. Brand heeft in eerste aanleg gevorderd dat [Horecabedrijf] en [appellanten] worden veroordeeld om het gehuurde te ontruimen op straffe van verbeurte van een dwangsom en dat zij hoofdelijk worden veroordeeld om de bestaande huurachterstand en de achterstand in betaling van nutsvoorzieningen te voldoen alsmede de lopende huurtermijnen voldoen tot het moment van ontruiming.

3. De kantonrechter heeft deze vorderingen toegewezen zowel tegen [Horecabedrijf] als tegen [appellanten] De kantonrechter heeft het verweer van [appellanten] dat zij geen partij meer zijn bij de huurovereenkomst verworpen aangezien uit de huurovereenkomst blijkt dat [appellanten] zich jegens Brand hoofdelijk aansprakelijk hebben gesteld voor alle voor huurder uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen.

4. Het appel betreft uitsluitend de vraag of de kantonrechter de vorderingen met recht ook jegens [appellanten] heeft toegewezen. Volgens [appellanten] had de kantonrechter Brand niet-ontvankelijk dienen te verklaren in haar vorderingen voor zover die op hen betrekking hadden.

De beoordeling van de grieven

5. De grieven betreffen alle de vraag in hoeverre [appellanten] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de nakoming van de verplichtingen van de huurder uit de hiervoor genoemde huurovereenkomst, nadat [Horecabedrijf] is opgericht en de akte van bekrachtiging heeft getekend, waarbij ondermeer het aangaan van de huurovereenkomst expliciet is bekrachtigd. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6. Het hof overweegt met de kantonrechter dat indien een overeenkomst wordt aangegaan door een besloten vennootschap in oprichting, de personen die namens die vennootschap in oprichting handelen daardoor hoofdelijk zijn verbonden in gevolge artikel 2:203, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), totdat die vennootschap na haar oprichting de rechtshandelingen heeft bekrachtigd. Nu [Horecabedrijf] na haar oprichting het aangaan van de huurovereenkomst bij akte van 25 juni 2008 expliciet heeft bekrachtigd, zijn [appellanten] sedertdien niet meer op grond van artikel 2:203 BW, tweede lid, hoofdelijk aansprakelijk.

7. Die bekrachtiging impliceert evenwel, anders dan [appellanten] stellen, niet dat zij ook niet uit anderen hoofde nog, naast [Horecabedrijf], gebonden kunnen zijn tot de nakoming van verplichtingen uit de huurovereenkomst.

8. Het hof oordeelt met de kantonrechter dat de tekst van de huurovereenkomst een sterke aanwijzing oplevert dat partijen hebben beoogd dat [appellanten] ook na de oprichting van de vennootschap hoofdelijk gebonden bleven jegens Brand voor de nakoming van de verplichtingen van de huurster. Wat onder huurster sedert de bekrachtiging uitsluitend [Horecabedrijf] moet worden begrepen, volgt uit artikel 12, eerste lid, van de huurovereenkomst. De aanhef van die overeenkomst, evenals de ondertekening daarvan door [appellanten] (zowel voor zich als q.q.), zijn evenwel naar 's hofs oordeel zo geredigeerd dat er na de bekrachtiging door de vennootschap nog steeds een verplichting voor [appellanten] resteert, welke nader is uitgewerkt in de artikelen 11.2 en 11.3 van de huurovereenkomst.

De uitleg die [appellanten] aan de aanhef geven, namelijk dat er zou staan "alsmede vóór de-periode-na-oprichting-van-de-vennootschap" erop neerkomende dat de hoofdelijkheid uitsluitend geldt voor de periode gelegen voor de oprichting van de vennootschap, overtuigt het hof geenszins. De rest van de zin, met name de woorden "reeds thans" verdraagt zich niet goed met de deze, overigens in grammaticaal opzicht zeer gekunstelde, interpretatie. Bovendien is de bepaling dan zinledig, nu [appellanten] op grond van artikel 2:203 BW al hoofdelijk aansprakelijk waren voor die periode. Dat behoefde niet apart vastgelegd te worden.

9. [appellanten] hebben voorts gesteld dat het de bedoeling was dat zij persoonlijk van elke aansprakelijkheid ontslagen zouden zijn na de oprichting van en bekrachtiging door [Horecabedrijf] Zij hebben daartoe gewezen op een email-correspondentie van 31 januari 2008 waarin [appellant 2] deze wens neerlegt bij [betrokkene], kennelijk werkzaam bij Heineken B.V. Dat genoemde [betrokkene] met deze wens heeft ingestemd, blijkt evenwel voorshands uit niets, nog daargelaten dat [appellanten] niet hebben aangegeven hoe een eventuele instemming van [betrokkene] Brand zou kunnen binden.

10. Het hof oordeelt dan ook met de kantonrechter dat vooralsnog voldoende aannemelijk is dat uit de huurovereenkomst ook voor [appellanten] verplichtingen voortvloeien, namelijk die tot het nakomen van de verplichtingen van de huurder, waaronder de verplichting tot het betalen van de huurprijs en de verplichting tot ontruiming, welke laatste verplichting is opgenomen in artikel 10.1 van de huurovereenkomst, zodat de vordering bij wege van voorlopige voorziening toewijsbaar is.

11. Voor nadere bewijslevering in de vorm van het horen van getuigen is in deze kort-gedingprocedure geen plaats.

12. De kantonrechter heeft dan ook terecht ook de vorderingen jegens [appellanten] ontvankelijk geoordeeld en mede toegewezen.

13. De grieven falen.

De slotsom.

14. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellanten] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep, voor wat het geliquideerd salaris van de advocaat in hoger beroep betreft te begroten op 1,5 punt naar tarief II.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Brand tot aan deze uitspraak op € 263,-- aan verschotten en € 1.341,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, Kuiper en De Hek, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 31 augustus 2010 in bijzijn van de griffier.