Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN5789

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
200.049.368
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Verzetzaak. De betrokkene heeft bij staandehouding als correspondentieadres een postbusnummer opgegeven. Het CJIB stuurt de beschikking en aanmaningen desondanks naar het kentekenadres. Dwangbevel niet rechtsgeldig uitgevaardigd. Verzet gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 4
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.049.368

21 april 2010

CJIB 123372247

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter van de rechtbank Groningen

van 14 september 2009

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 14 mei 2009 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 7 april 2010. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. Meijer.

Beoordeling

1. Een dwangbevel als bedoeld in artikel 26 WAHV kan eerst rechtsgeldig worden uitgevaardigd nadat de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd tot verhaal waarvan het dwangbevel moet dienen, onherroepelijk is geworden.

In een geval als het onderhavige, waarin de betrokkene het verweer voert de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd niet te hebben ontvangen, is voor de beantwoording van de vraag of de beschikking onherroepelijk is, beslissend of op grond van een in het kader van de procedure van artikel 26 WAHV verricht onderzoek, zo nodig aan de hand van door de officier van justitie te verstrekken gegevens, door de kantonrechter wordt vastgesteld dat het verweer van de betrokkene als onjuist moet worden verworpen, omdat blijkt dat deze de beschikking wel heeft ontvangen, dan wel deze niet heeft ontvangen ten gevolge van een hem toe te rekenen omstandigheid. In beginsel is het aan de officier van justitie om aannemelijk te maken dat aan één van de voorwaarden is voldaan, maar van een betrokkene mag worden verwacht dat hij niet volstaat met de enkele ontkenning dat hij de beschikking heeft ontvangen, doch voor zover in zijn vermogen ligt, nadere gegevens verschaft ter staving van dat verweer.

2. De betrokkene voert aan dat hij geen poststukken van het CJIB heeft ontvangen. Hij is woonachtig op de [A-straat te plaats A], maar bij staandehoudingen geeft hij altijd het correspondentieadres op. Dit wordt echter door het CJIB steeds genegeerd, hoewel de verbaliserende agent op de aankondiging van beschikking het correspondentieadres wel vermeldt.

3. Ingevolge artikel 4, tweede lid, WAHV, voor zover hier van belang, geschiedt de bekendmaking van de beschikking waarbij de sanctie is opgelegd door toezending naar het adres dat de betrokkene heeft opgegeven.

4. Uit de door de advocaat-generaal bij het CJIB ingewonnen informatie blijkt het navolgende. De initiële beschikking en de aanmaningen zijn door het CJIB verzonden naar het adres: [A-straat te plaats A]. Dit is het adres zoals het is opgenomen in het kentekenregister alsmede in de gemeentelijke basisadministratie. Alle stukken zijn als onbestelbaar retour ontvangen.

5. Bij de gedingstukken bevindt zich de aankondiging van beschikking. Daaruit blijkt dat de betrokkene bij staandehouding als correspondentieadres heeft opgegeven: [postbusnummer te plaats B]. Ten tijde van de bekendmaking van de beschikking was het correspondentieadres van de betrokkene dus reeds bekend. Het niet ontvangen van de inleidende beschikking en de aanmaningen kan derhalve niet worden aangemerkt als een aan de betrokkene toe te rekenen omstandigheid.

6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan niet gezegd worden dat de inleidende beschikking - gelet op artikel 4, tweede lid, WAHV juncto artikel 3:41 Algemene wet bestuursrecht (Awb) - onherroepelijk is geworden, zodat het dwangbevel niet rechtsgeldig is uitgevaardigd.

7. Gelet hierop zal het hof de beschikking van de kantonrechter vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het verzet gegrond verklaren. Verder zal het hof bepalen dat het door de betrokkene betaalde bedrag aan zekerheidstelling door het CJIB wordt gerestitueerd, dat de door de betrokkene betaalde griffierechten in eerste aanleg en in hoger beroep door de griffier van de rechtbank worden gerestitueerd alsmede dat de toegepaste verhogingen van de sanctie ongedaan worden gemaakt.

8. Voorts komen de door de betrokkene gemaakte reiskosten ten behoeve van het bijwonen van de zitting van de kantonrechter en de zitting van het hof, als waarom door de betrokkene ter zitting is verzocht, voor vergoeding in aanmerking. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge dat artikel wordt in gevallen als de onderhavige een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.

Aan de betrokkene komt derhalve toe een reiskostenvergoeding ter hoogte van € 5,06 ([plaats A] - Winschoten v.v.) en € 25,70 ([woonplaats]-Leeuwarden v.v.).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter;

verklaart het verzet gegrond;

bepaalt dat hetgeen uit door de betrokkene aan zekerheid is betaald, te weten een bedrag van € 305,38 aan de betrokkene wordt gerestitueerd;

bepaalt dat de op de voet van artikel 26 en 26a WAHV betaalde griffierechten, te weten een bedrag van € 110,- en € 262,- door de griffier van de rechtbank aan de betrokkene worden gerestitueerd;

bepaalt dat de toegepaste eerste en tweede verhoging van de sanctie ad € 22,50 respectievelijk € 56,25 door de advocaat-generaal ongedaan worden gemaakt;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 30,76.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Rienstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.