Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN5762

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-04-2010
Datum publicatie
01-09-2010
Zaaknummer
200.037.597
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtigingskwestie. Sanctie opgelegd aan kentekenhouder. De bestuurder van het voertuig heeft telkens beroep ingesteld. In hoger beroep voert hij aan nooit beoogd te hebben als gemachtigde van de betrokkene op te treden. Hoger beroep niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 6
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.037.597

6 april 2010

CJIB 121137061

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 3 juni 2009

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), gevestigd te [vestigingsplaats],

beroep ingesteld door [de bestuurder van het voertuig], wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

[De bestuurder van het voertuig] heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

[De bestuurder van het voertuig] heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Bij brief van 8 februari 2010 heeft de griffier van het hof [de bestuurder van het voertuig] verzocht om aanvullende informatie.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de aanvullende informatie, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 150,- opgelegd ter zake van “voetganger (voornemens) op voetgangersoversteekplaats (over te steken) niet voor laten gaan”, welke gedraging zou zijn verricht op 16 juli 2008 om 14.10 uur op de Gerrit Verboonstraat te Schiedam met het voertuig met het kenteken [00-AB-AB].

2. [De bestuurder van het voertuig], blijkens het beroepschrift bij de officier van justitie en het beroep bij de kantonrechter de bestuurder van het voertuig ten tijde van de gedraging, heeft tegen voormelde beschikking beroep ingesteld. In hoger beroep voert hij aan: "Tegen uw beslissing (…) dien ik bezwaar in, omdat de gehele rechtspraak is geschied zonder een machtiging door [betrokkene] en de zaak derhalve niet volgens de geldende rechtswegen heeft plaatsgevonden." Voorts geeft hij aan, dat hij een persoonlijk belang heeft bij het beroep, omdat hij degene is die de zekerheid heeft gesteld.

3. In verband met de door de betrokkene in hoger beroep ingenomen stelling heeft de griffier van het hof bij brief van 8 februari 2010 [de bestuurder van het voertuig] erop gewezen dat het vragen van een machtiging niet verplicht is wanneer een ander dan de betrokkene beroep instelt en het ontbreken van een schriftelijke machtiging niet eraan in de weg staat die persoon als gemachtigde aan te merken. Voorts is bij die brief [de bestuurder van het voertuig] gewezen op de gevolgen van het standpunt dat hij in hoger beroep heeft ingenomen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep en de daaruit voortvloeiende onherroepelijkheid van de inleidende sanctie. Bij brief van 10 februari 2010, ingekomen op 12 februari 2010, heeft [de bestuurder van het voertuig] meegedeeld dat hij in de onderhavige procedure niet namens betrokkene is opgetreden en op persoonlijke titel procedeert.

4. Artikel 6, eerste lid, WAHV bepaalt voor zover hier van belang:

"Tegen de oplegging van de administratieve sanctie kan degene tot wie de beschikking is gericht, beroep instellen bij de officier van justitie in het arrondissement waar de gedraging is verricht."

5. Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Het tweede lid van dat artikel houdt in: "Het bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen."

6. In de onderhavige zaak heeft [de bestuurder van het voertuig] een afschrift van de aan de betrokkene gezonden en hem kennelijk ter hand gestelde inleidende beschikking bij zijn beroepschrift tegen die beschikking gevoegd en aangegeven, dat hij ten tijde van de beweerdelijke gedraging de bestuurder van het voertuig is geweest.

7. In een dergelijk geval kan de officier van justitie niet worden tegengeworpen dat geen schriftelijke machtiging is verlangd, nu er geen enkele aanleiding bestaat aan te nemen dat degene die procedeert daartoe niet door de betrokkene zou zijn gemachtigd.

8. In het beroepschrift tegen de beslissing van de kantonrechter presenteert [de bestuurder van het voertuig] zich eveneens als degene die als bestuurder is opgetreden ten tijde van de beweerdelijke gedraging en voert niet aan, dat hij in de administratiefrechtelijke procedure ten onrechte als gemachtigde is aangemerkt.

9. Nu [de bestuurder van het voertuig] in hoger beroep heeft aangegeven dat hij in onderhavige zaak op persoonlijke titel procedeert en nooit heeft beoogd op te treden als gemachtigde van de betrokkene, en dit standpunt heeft gehandhaafd, ook nadat hij gewezen is op de consequenties van zijn opstelling, zal het hof het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.