Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN5517

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-08-2010
Datum publicatie
30-08-2010
Zaaknummer
24-000406-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht verdachte ter zake het onder 1. bewezen verklaarde ontoerekeningsvatbaar en ontslaat verdachte van rechtsvervolging. Het hof gelast de maatregel van plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar. Ter zake de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten bepaalt het hof - met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - dat geen straf of maatregel aan verdachte wordt opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000406-09

Parketnummer eerste aanleg: 18-653907-08

Arrest van 30 augustus 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 4 februari 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

zonder bekend woonadres hier te lande,

thans verblijvende in P.I. Noord - De Grittenborgh te Hoogeveen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M. Wierts, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, heeft maatregelen opgelegd en heeft voorts beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte wegens het onder 1 ten laste gelegde zal ontslaan van alle rechtsvervolging en de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar zal gelasten. Ter zake van de feiten 2 en 3 heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de advocaat-generaal verzocht de vordering, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, tot een bedrag van € 1000,- toe te wijzen en de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de advocaat-generaal verzocht de vordering, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, in het geheel toe te wijzen, te weten tot een bedrag van € 265,-.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 20 augustus 2008, te [plaats], in ieder geval in de gemeente [gemeente], wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een vrouw, te weten [benadeelde 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [benadeelde 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, die [benadeelde 1] aangesproken, en/of meermalen, althans eenmaal, die [benadeelde 1] opgewacht, en/of meermalen, althans eenmaal, die [benadeelde 1] achtervolgd, en/of meermalen, althans eenmaal, zich voor en/of in de omgeving van de woning van die [benadeelde 1] opgesteld en/of opgehouden, en/of meermalen, althans eenmaal, vanuit zijn, verdachtes, woning, die [benadeelde 1] in de gaten gehouden en/of bekeken;

2. hij op of omstreeks 6 juni 2008, in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde 2]), in het gezicht heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3. hij op of omstreeks 8 juli 2008, in de gemeente [gemeente], wederrechtelijk vertoevende in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten een kantoor van de Belastingdienst, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar [naam], aanstonds heeft verwijderd.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1. hij in de periode van 1 februari 2007 tot en met 20 augustus 2008, te [plaats], wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een vrouw, te weten [benadeelde 1], met het oogmerk die [benadeelde 1] te dwingen iets te dulden, immers heeft hij, verdachte, meermalen die [benadeelde 1] aangesproken en meermalen die [benadeelde 1] opgewacht en meermalen die [benadeelde 1] achtervolgd en zich voor en in de omgeving van de woning van die [benadeelde 1] opgesteld en opgehouden en meermalen vanuit zijn, verdachtes, woning, die [benadeelde 1] in de gaten gehouden en bekeken;

2. hij op 6 juni 2008, in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde 2]), in het gezicht heeft geslagen waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3. hij op 8 juli 2008, in de gemeente [gemeente], wederrechtelijk vertoevende in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten een kantoor van de Belastingdienst, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar [naam], aanstonds heeft verwijderd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1. belaging;

2. mishandeling;

3. het wederrechtelijk in een voor de openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen.

Strafbaarheid

Het onder 1 bewezen verklaarde feit ziet op de belaging van [benadeelde 1] en heeft betrekking op de periode van 1 februari 2007 tot en met 20 augustus 2008.

Omtrent verdachtes persoon is door J. Marx, psychiater in opleiding, onder supervisie van R.J.P. Reijnders, psychiater en vast gerechtelijk deskundige, en A.T. Spangenberg, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, na een opname in de psychiatrische observatiekliniek te Utrecht (locatie Pieter Baancentrum) een Pro justitia rapport d.d. 30 december 2009 opgemaakt in de strafzaak tegen verdachte met parketnummer 18-670067-09. De conclusies van dit rapport zien in zeer overwegende mate op belaging van de in de bewezenverklaring genoemde [benadeelde 1] in de periode van 1 september 2008 tot en met 9 februari 2009.

In het rapport van voormelde deskundigen wordt geconcludeerd dat bij verdachte ten tijde van de belaging van [benadeelde 1] in de periode van 1 september 2008 tot en met 9 februari 2009 sprake was van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van een psychotische stoornis met waandenken en akoestische hallucinaties. Zij concluderen dit op basis van de aanwezigheid van het duurzame waandenken in relatie tot de belaging.

Hieromtrent overwegen voornoemde deskundigen - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ten aanzien van de belaging kan worden gesteld dat de erotomane waan - de ziekelijke overtuiging van betrokkene dat hij een verhouding heeft met het slachtoffer - een onlosmakelijk en allesdoordringend onderdeel vormt van zijn psychotische stoornis. Ondergetekenden zien in betrokkenes handelen naar het slachtoffer (indien bewezen) in allesoverheersende mate tekenen van zijn psychotische (erotomane) waandenken, zoals deze ook worden teruggevonden in de verklaringen van betrokkene tijdens politieverhoren en zijn sporadische uitspraken tijdens het onderzoek. Op grond hiervan adviseren de deskundigen betrokkene ten aanzien van de ten laste gelegde belaging (indien bewezen) ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

In de onderhavige zaak hebben de advocaat-generaal en de raadsvrouw van verdachte zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het in de strafzaak tegen verdachte met parketnummer 18-670067-09 opgemaakte Pro justitia rapport ook kan worden gebruikt met betrekking tot het in deze zaak onder 1 bewezen verklaarde.

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van verdachte is het hof, gelet op de omstandigheid dat beide feiten zien op een soortgelijk feitencomplex en de periode waarin de feiten zich hebben afgespeeld nagenoeg op elkaar aansluiten, van oordeel dat de conclusies in voornoemd rapport met betrekking tot de geestesgesteldheid van verdachte ook gelden in de in de onderhavige zaak bewezen verklaarde periode. Derhalve neemt het hof vorenstaande conclusies uit het rapport over en maakt die tot de zijne. Met betrekking tot het bewezen verklaarde feit 1 is verdachte derhalve niet strafbaar, zodat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten is niet aannemelijk geworden dat verdachte niet strafbaar is. Het hof acht verdachte voor die beide feiten dan ook een strafbare dader.

Motivering van de op te leggen maatregel

Het eerder genoemde rapport van Marx en Spangenberg houdt onder meer het volgende in:

"Welke aanbevelingen van gedragskundige en van andere aard zijn te doen voor interventies op deze factoren en condities en hun eventuele onderlinge beïnvloeding en binnen welk juridisch kader zou dit gerealiseerd kunnen worden?

Gegeven de overweging dat de betrokkene wordt geacht ontoerekeningsvatbaar te zijn voor de ten laste gelegde belaging, in combinatie met de overwegingen aangaande een hoog recidiverisico, menen ondergetekenden dat betrokkene in een gedwongen kader dient te worden behandeld teneinde de gevaarzetting vanuit zijn stoornis te reduceren. Door zijn afwezige ziektebesef en ziekte-inzicht - beide voortvloeiend vanuit zijn ziekelijke stoornis - alsmede zijn afwezige motivatie voor behandeling, is het onwaarschijnlijk dat een voorwaardelijk behandelingskader afdoende zal zijn.

Derhalve is een maatregel als terbeschikkingstelling met voorwaarden of een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel gedoemd te mislukken.

Gegeven het voorgaande menen ondergetekenden dat de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een jaar (art. 37 Sr) noodzakelijk is en adviseren Uw College deze aan betrokkene op te leggen."

Het hof onderschrijft deze adviezen. Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het onder 1 bewezen verklaarde feit niet aan verdachte kan worden toegerekend wegens de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het hof acht verdachte gevaarlijk voor anderen.

Het hof zal, overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal, gelasten dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis wordt geplaatst voor een termijn van een jaar. Het opleggen van deze maatregel voor een kortere duur dan een jaar acht het hof niet wenselijk, nu uit voornoemd rapport blijkt dat behandeling van verdachte geruime tijd in beslag zal nemen.

Strafmotivering

In een soortgelijke zaak als de onderhavige heeft de rechtbank Groningen op 8 februari 2010 een onherroepelijk vonnis gewezen (parketnummer 18-670067-09). Deze zaak - aan welke zaak hiervoor reeds is gememoreerd in het kader van de strafbaarheid van verdachte - had eveneens betrekking op belaging van [benadeelde 1]. De rechtbank heeft bij dat vonnis de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis gelast voor de duur van één jaar. Verdachte bevindt zich thans ruim anderhalf jaar in detentie. Op dit moment als passant in afwachting van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis.

Het hof ziet in deze omstandigheid, welke omstandigheid zich na het plegen van de onderhavige feiten heeft voorgedaan, doch ook in de persoonlijkheid van verdachte, aanleiding om geen straf of maatregel op te leggen met betrekking tot de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten.

Het hof heeft bij deze beslissing tevens rekening gehouden met de ad informandum gevoegde feiten, die met de parketnummers 18-652832-08 en 18-652998-08 op de inleidende dagvaarding staan vermeld, welke feiten de verdachte ter terechtzitting heeft erkend en hiermee zijn afgedaan.

Benadeelde partij [benadeelde 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij zich in eerste aanleg heeft gevoegd en dat haar vordering deels is toegewezen en deels niet-ontvankelijk is verklaard. De benadeelde partij heeft zich binnen de grenzen van haar vordering opnieuw gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering in hoger beroep voort.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreekse schade heeft geleden, welke schade aan verdachte kan worden toegerekend. Het hof zal de vordering ter zake van de immateri?le schade als onweersproken toewijzen tot een bedrag van € 1000,00.

Naar het oordeel van het hof is het overige deel van de vordering van de benadeelde partij niet op eenvoudige wijze vast te stellen, zodat zij zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in dit deel van de vordering dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet hierop dient de verdachte, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Het hof zal voormeld bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Benadeelde partij [benadeelde 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat de vordering geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreekse schade heeft geleden, welke schade aan verdachte kan worden toegerekend. Het hof zal de vordering ter zake van de materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 265,00.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Het hof zal voormeld bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a, 36f, 37, 57, 63, 139, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte als voormeld onder 1 ten laste gelegde bewezen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

kwalificeert hetgeen onder 1 is bewezen verklaard als hiervoor vermeld en verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte echter niet strafbaar en ontslaat hem wegens het onder 1 bewezen verklaarde van alle rechtsvervolging;

gelast dat [verdachte] wegens het onder 1 bewezen verklaarde feit in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van één jaar;

verklaart het verdachte als voormeld onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat aan [verdachte] wegens het onder 2 en 3 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], ter zake van belaging tot een bedrag van duizend euro;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1] de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde 1] gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte ter zake van belaging tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van duizend euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], ter zake van mishandeling tot een bedrag van tweehonderdvijfenzestig euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde 2] gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte ter zake van mishandeling tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van tweehonderdvijfenzestig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijf dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedragen, de verplichting om te voldoen aan de vorderingen van de benadeelde partijen komen te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vorderingen van de benadeelde partijen heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P.J.M. van den Bergh, voorzitter, mr. J. Hielkema en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Kuiper als griffier.