Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN5510

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
30-08-2010
Zaaknummer
24-001187-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld ter zake van mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot. Gelet op de omstandigheden van het geval wordt echter geen straf of maatregel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-001187-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-744037-07

Arrest van 27 augustus 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 21 april 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1976] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft op de vorderingen van de benadeelde partijen beslist en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 3 ten laste gelegde zal ontslaan van alle rechtsvervolging en ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een geldboete van € 50,-, subsidiair 1 dag vervangende hechtenis. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 24 november 2006, te [plaats 1], in de gemeente [gemeente 1], opzettelijk mishandelend zijn echtgenoot, althans een persoon, te weten [benadeelde 1], met kracht in een bovenarm heeft geknepen, althans hardhandig bij een (boven)arm heeft vastgepakt en/of meermalen, althans eenmaal, in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2003 tot en met 31 december 2005, te [plaats 2], in de gemeente [gemeente 2], meermalen, althans eenmaal, opzettelijk mishandelend zijn echtgenoot, althans een persoon, (te weten [benadeelde 1]), meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam, heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 24 november 2006, te [plaats 1], in de gemeente [gemeente 1], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde 2]), meermalen, althans eenmaal, in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft gestompt en/of geslagen en/of meermalen, althans eenmaal, bij de keel/hals heeft vastgepakt en/of dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of in een zogenaamde houdgreep heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of een arm op de rug heeft gedraaid/verdraaid, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Vrijspraak (feiten 1 en 3)

Het hof acht niet bewezen hetgeen onder 1 en 3 aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Tegenover de belastende verklaringen van aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] - die op essentiële onderdelen niet (geheel) met elkaar overeenkomen - staat de ontkennende verklaring van verdachte, die wordt ondersteund door de verklaring van de (oog)getuige [getuige]. De twee laatstgenoemden hebben ter zitting van het hof een betrouwbare indruk gemaakt. Het hof heeft derhalve niet de overtuiging bekomen dat verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

Bewijsoverweging (feit 2)

De raadsman heeft ter zitting van het hof bepleit dat verdachte eveneens zal worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachtes bekennende verklaring bij de politie d.d. 13 maart 2007 uitgesloten moet worden van het bewijs, omdat verdachte voorafgaand aan dit verhoor niet is gewezen op zijn recht op bijstand van een advocaat. De raadsman heeft zich hierbij beroepen op het arrest van het EHRM d.d. 27 november 2008 (zaak Salduz). Zonder de bekennende verklaring van verdachte bij de politie blijft er, aldus de raadsman, onvoldoende bewijs over dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

Het hof stelt vast dat uit het dossier inderdaad niet blijkt dat verdachte voorafgaand aan het verhoor van 13 maart 2007 is gewezen op zijn recht op bijstand van een advocaat. Gelet hierop zal het hof de bekennende verklaring van verdachte bij de politie met betrekking tot het incident in 2003 uitsluiten van het bewijs. Het hof zal verdachte echter niet vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit. Uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg d.d. 21 april 2008 blijkt immers dat verdachte bij die gelegenheid met betrekking tot het hem onder 2 ten laste gelegde heeft verklaard dat hij aangeefster [benadeelde 1] op de dag van de verhuizing naar [plaats 2] te [plaats 2] in haar gezicht heeft geslagen. Aangeefster [benadeelde 1] heeft op 28 november 2006 bij de politie verklaard dat verdachte haar in augustus 2003 in het nieuwe huis in [plaats 2] in het gezicht heeft geslagen. Gelet op deze verklaringen acht het hof het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hieronder vermeld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij in augustus 2003, te [plaats 2], in de gemeente [gemeente 2], opzettelijk mishandelend zijn echtgenoot, (te weten [benadeelde 1]), tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht

Bij de keuze van de in deze zaak passende strafrechtelijke afdoening heeft het hof gelet op de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Bewezen is verklaard dat verdachte in augustus 2003 zijn toenmalige echtgenote tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster [benadeelde 1].

Uit het dossier en het verhandelde op de terechtzittingen blijkt dat verdachte en aangeefster [benadeelde 1] reeds in 2006 zijn gescheiden. Verdachte is inmiddels hertrouwd en heeft met zijn huidige echtgenote een zoontje van negen maanden. Met zijn ex-vrouw heeft hij alleen nog contact in verband met de omgangsregeling die is getroffen voor hun gezamenlijke kinderen. Het bewezen verklaarde feit is zeven jaren geleden gepleegd en het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat dit feit bij de politie enkel ter sprake is gekomen in verband met hetgeen zich op 24 november 2006 zou hebben afgespeeld. Van de feiten die verdachte op deze datum zou hebben gepleegd, spreekt het hof verdachte vrij.

Gelet op de relatief geringe ernst van het feit, in samenhang bezien met de hierboven weergegeven omstandigheden van het geval, is het hof van oordeel dat volstaan kan worden met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel. Het hof heeft hierbij eveneens in aanmerking genomen dat verdachte blijkens een uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 26 mei 2010 slechts eenmaal eerder - in 1996 - is veroordeeld ter zake van een (andersoortig) strafbaar feit.

Benadeelde partijen

[benadeelde 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij

[benadeelde 1] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat haar vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De vordering heeft blijkens het voegingsformulier betrekking op het onder 1 ten laste gelegde feit. Nu aan de verdachte ter zake van dit feit geen straf of maatregel wordt opgelegd, terwijl evenmin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, dient de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

[benadeelde 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij

[benadeelde 2] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De vordering heeft betrekking op het onder 3 ten laste gelegde feit. Nu aan de verdachte ter zake van dit feit geen straf of maatregel wordt opgelegd, terwijl evenmin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, dient de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Straf-vordering, in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte als voormeld onder 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat aan [verdachte] geen straf of maatregel wordt opgelegd;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. H. Heins, in tegenwoordigheid van mr. E. Hoekstra als griffier.