Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN5073

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
200.046.408
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doorbreking appelverbod? De CVOM stelt de gemachtigde een uitnodiging voor een tweede zitting in het vooruitzicht. Kantonrechter doet de zaak schriftelijk af. Betrokkene in zijn verdediging geschaad doordat hem gelegenheid gronden aan te vullen is ontnomen? Deze gang van zaken kan onder omstandigheden aanleiding zijn voor doorbreking appelverbod. I.c. niet.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 12
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 10
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.046.408

2 maart 2010

CJIB 119105429

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 10 juli 2009

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

Beoordeling

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan € 70,-. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt € 60,-. Op grond hiervan dient het hoger beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2. De gemachtigde van de betrokkene heeft aangevoerd dat er grond is voor doorbreking van het appelverbod omdat hem na de tussenbeslissing van de kantonrechter door de CVOM bij schrijven d.d. 27 mei 2009 een uitnodiging voor een tweede zitting in het vooruitzicht is gesteld en hij die uitnodiging niet heeft ontvangen. Door dit verzuim is hij niet in de gelegenheid gesteld om een nadere aanvulling op de inhoudelijke gronden in te dienen.

3. De kantonrechter heeft bij uitspraak van 10 april 2009 het volgende overwogen: "Betrokkene is van mening dat hij staande gehouden had moeten worden. Hoewel de gedraging is geconstateerd op een druk verkeerspunt, blijkt uit de aankondiging van de beschikking onvoldoende dat daar geen reële mogelijkheid toe was. Er zal daarom een aanvullend proces-verbaal opgevraagd worden bij de verbalisant. De officier van justitie zal hiertoe tot 10 juni 2009 (het hof vult aan: in) de gelegenheid worden gesteld. Wanneer het aanvullend proces-verbaal door de kantonrechter is ontvangen, dan wel wanneer de termijn voor het opvragen van het aanvullend proces-verbaal is verstreken, zal bepaald worden op welke wijze de zaak verder behandeld zal worden."

4. Bij brief d.d. 27 mei 2009 heeft de officier van justitie een afschrift van het aanvullend proces-verbaal naar de gemachtigde verzonden. In die brief heeft hij onder meer vermeld: "U zult binnenkort een oproep krijgen van de Rechtbank Rotterdam om opnieuw op zitting te verschijnen."

Blijkens diens uitspraak van 10 juli 2009 heeft de kantonrechter de zaak zonder verdere behandeling ter zitting afgedaan.

5. Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter, in overeenstemming met artikel 12, eerste lid, WAHV, partijen in de gelegenheid heeft gesteld op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. De betrokkene noch de gemachtigde zijn op die zitting verschenen. Nu de kantonrechter slechts op een onderdeel zich onvoldoende voorgelicht achtte en ten aanzien van de verdere wijze van behandeling van de zaak een uitdrukkelijk voorbehoud heeft gemaakt, kon hij na ontvangst van het aanvullend proces-verbaal de zaak afdoen zonder opnieuw een zitting te bepalen.

6. Anders dan de advocaat-generaal in zijn verweerschrift stelt, is het hof echter van oordeel, dat de gemachtigde aan de brief van de CVOM in beginsel de verwachting mocht ontlenen dat de zaak opnieuw ter zitting zou worden aangebracht. Ingevolge artikel 9, 10 en 11 WAHV vervult de officier van justitie een centrale rol in de fase van het beroep bij de kantonrechter, zodat de - aan de toezending van het aanvullend proces-verbaal gekoppelde - aankondiging dat opnieuw een oproeping voor een zitting zal volgen niet zonder meer als een kennelijke vergissing behoefde te worden opgevat. Het betreft immers slechts de aankondiging van een oproeping voor de zitting en niet de oproeping zelf, die uiteraard slechts door de griffier wordt verzonden. De omstandigheid dat de officier van justitie reeds zou weten dat een nieuwe zitting zal volgen en daarvan doet blijken in een brief aan de (gemachtigde van de) betrokkene is niet uitzonderlijk.

7. Onder omstandigheden brengt een degelijke gang van zaken mee, dat geconcludeerd moet worden dat de belangen van de betrokkene zodanig zijn geschonden, dat geen sprake is geweest van een eerlijk proces, zodat het appelverbod dient te worden doorbroken.

8. In het onderhavige geval is daarvan echter geen sprake. De betrokkene noch de gemachtigde zijn op de zitting verschenen. In hoger beroep voert de gemachtigde aan, dat hij nog een aanvulling op de inhoudelijke gronden had willen aanvoeren en dat om die reden de betrokkene in de verdediging is geschaad. In aanmerking nemend, dat de gemachtigde niet op die nadere zitting had willen verschijnen, maar slechts een aanvulling op de inhoudelijke gronden had willen geven, is er geen reden de betrokkene alsnog in zijn hoger beroep te ontvangen. Immers, uit het hoger beroepschrift blijkt niet, dat ter zake van het punt in verband waarmee het aanvullend proces-verbaal is gevraagd, te weten de vraag of geen staandehouding had moeten plaatsvinden, enig bezwaar is geformuleerd, zodat de omstandigheid, dat ten onrechte de indruk zou zijn gewekt dat nog een zitting zou plaatsvinden, geen uitzondering betekent op het onder 5 geformuleerde uitgangspunt.

9. Dat de gemachtigde na ontvangst van het aanvullend proces-verbaal niet dáárop schriftelijk heeft gereageerd en heeft verkozen af te wachten totdat hij een uitnodiging voor een zitting van de kantonrechter zou hebben ontvangen, komt geheel voor zijn rekening en risico. De onvolkomenheid in de procedure is in het licht van het hiervoor overwogene niet van dien aard, dat sprake is van een oneerlijk proces. Het hof zal op die grond het beroep op doorbreking van het appelverbod verwerpen.

Voor toekenning van een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het gerechtshof:

verwerpt het beroep;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.