Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN5060

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
200.021.938
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sanctie ten onrechte met toepassing van 5 WAHV opgelegd, want reële mogelijkheid tot staandehouding niet benut. Vernietiging inleidende beschikking. Geen reden om aanvullend prcoes-verbaal buiten beschouwing te laten.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 19
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.021.938

16 februari 2010

CJIB 118141673

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

van 3 december 2008

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 150,- opgelegd ter zake van “voetganger (voornemens) op voetgangersoversteekplaats (over te steken) niet voor laten gaan”, welke gedraging zou zijn verricht op 11 mei 2008 om 17.06 uur op de Goeverneurlaan te 's-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [00-AB-AB].

2. Bij brief van 15 april 2009 heeft de betrokkene er bezwaar tegen gemaakt dat het hof op 14 april 2009 voor de derde maal het verzoek van de advocaat-generaal voor verlenging van de termijn voor het inzenden van een verweerschrift heeft gehonoreerd.

Ook daarna heeft het hof nogmaals ingestemd met een verlengingsverzoek van de advocaat-generaal. De reden daarvoor is gelegen in de door de advocaat-generaal gegeven motivering voor zijn verzoeken. Hij deelde mee dat hij het door hem opgevraagde aanvullend proces-verbaal respectievelijk het antwoord op door hem nader gestelde vragen nog niet had ontvangen van de verbalisant. Achteraf kan gesteld worden dat het beter was geweest indien de advocaat-generaal het op 23 maart 2009 van de verbalisant ontvangen aanvullend proces-verbaal kort daarna had ingezonden en daarbij had verzocht om een nadere termijn voor het indienen van het verweerschrift. Niet gesteld of gebleken is echter dat de betrokkene door het eerst op 9 juni 2009 indienen van verweerschrift en aanvullend proces-verbaal is geschaad in zijn belangen. Er bestaat daarom geen aanleiding om de inhoud van die stukken buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van deze zaak.

3. De betrokkene heeft van meet af aan aangevoerd dat hij voor het zebrapad is gestopt en de voetganger, die al bijna over de oversteekplaats heen was op het moment dat hij die naderde, heeft laten voorgaan. Zijn passagier kan dat bevestigen. De politie die op een afstand van 150 meter achter de betrokkene reed heeft ook gezien dat hij voor de voetgangersoversteekplaats remde. In hoger beroep voegt hij daar het volgende aan toe. De betrokkene begrijpt niet hoe de politie vanaf een afstand van ongeveer 250 meter heeft kunnen zien dat hij een voetganger niet voor zou hebben laten gaan. Een paar honderd meter voorbij de oversteekplaats kwam de politie naast zijn auto rijden, opende het raam en deelde hem mee dat hij de voetganger niet had laten voorgaan en wat dit zou gaan kosten. De politie had hem staande moeten houden en een sanctie moeten opleggen waar de voetganger bij was. De voetganger had aangifte moeten doen en de politie had door middel van bewijsmateriaal, bijvoorbeeld een foto, moeten aantonen dat hij de voetganger niet voor had laten gaan. Er was ook maar één voetganger en er waren er niet meerdere, zoals in de beslissing van de kantonrechter en het zaakoverzicht staat.

4. De advocaat-generaal concludeert op basis van de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht en zijn aanvullend proces-verbaal van 19 maart 2009, dat voldoende vaststaat dat de gedraging is verricht. In het aanvullend proces-verbaal verklaart de verbalisant dat de betrokkene is staande gehouden. In het midden kan blijven of de beschikking ten onrechte aan de kentekenhouder is opgelegd in plaats van aan de bestuurder, omdat uit de verklaring van de betrokkene blijkt dat hij zowel de kentekenhouder als de bestuurder was ten tijde van de gedraging, aldus de advocaat-generaal.

5. De onderhavige gedraging is een overtreding van het bepaalde in artikel 49, tweede lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Die bepaling houdt het volgende in:

"Bestuurders moeten voetgangers (…), die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan."

6. De term "voor laten gaan" houdt in dat de voetgangers ongehinderd hun weg kunnen vervolgen of beginnen.

7. Voor de vaststelling of de gedraging is verricht is slechts van belang dat komt vast te staan dat een voetganger die een voetgangersoversteekplaats oversteekt, dan wel voornemens is deze over te steken, niet ongehinderd zijn weg heeft kunnen vervolgen of beginnen. Daarbij is niet relevant hoe de desbetreffende voetganger het gedrag ervaart van degene aan wie wordt verweten hem niet te hebben laten voorgaan. Anders dan de betrokkene stelt is daarom niet vereist dat de desbetreffende voetganger aangifte doet en dat de verbalisant alleen in diens aanwezigheid een sanctie aan de betrokkene kan opleggen.

8. De stelling van de betrokkene dat voor de vaststelling of de gedraging is verricht ander bewijs dan de visuele waarneming van de verbalisant vereist is, vindt evenmin steun in het recht. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

9. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt, naast de in de beschikking vermelde datum, tijd, plaats en het kenteken van het voertuig, onder meer het volgende in:

"soort constatering: kenteken. (…)

Ik zag dat betrokken voertuig de voetganger die voornemens waren oversteken niet voor liet gaan. "

10. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in zijn aanvullend proces-verbaal van 19 maart 2009 houdt voor zover hier van belang in:

"Ik als politieambtenaar constateerde een verkeersovertreding welke gepleegd werd door betrokkene. Ik zag deze verkeersovertreding van korte afstand vanuit mijn surveillancewagen. Vervolgens is betrokkene staande gehouden en is hem een proces verbaal aangezegd. In dit soort situaties wordt nooit contact gezocht met de betrokken voetganger. Feit blijft dat ik geconstateerd heb als politieambtenaar dat betrokkene een voetganger bij een oversteekplaats niet voor heeft laten gaan. "

11. De verklaring van de betrokkene dat hij is geremd voor een voetganger die de oversteekplaats al bijna over was, sluit niet uit dat hij een (andere) voetganger bij de oversteekplaats niet voor heeft laten gaan, zoals de verbalisant stelt. Naar het oordeel van het hof is daarom komen vast te staan dat de gedraging is verricht door de betrokkene.

12. Met betrekking tot het argument van de betrokkene dat hij ten onrechte niet is staande gehouden, overweegt het hof het volgende.

13. Artikel 5 WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd. De rechter zal, indien de gedraging met toepassing van artikel 5 WAHV is opgelegd, zoals in dezen het geval, in het algemeen - dus ook zonder dat dat met zoveel woorden uit het dossier blijkt - ervan mogen uitgaan dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Ingeval dienaangaande een verweer wordt gevoerd, zal de rechter daarop een uitdrukkelijke beslissing dienen te geven en zal hij zonodig aan de verbalisant een nadere toelichting dienen te vragen (HR 14 maart 2000, VR 2000,148).

14. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat in het midden kan blijven of de beschikking ten onrechte aan de kentekenhouder is opgelegd in plaats van aan de bestuurder. Zelfs indien zou komen vast te staan dat dat het geval is, hoeven daaraan in dit geval geen consequenties te worden verbonden omdat uit de verklaring van de betrokkene blijkt dat hij zowel de kentekenhouder als de bestuurder was ten tijde van de gedraging. Het hof deelt die visie in dit geval niet.

15. De verbalisant verklaart in zijn aanvullend proces-verbaal dat hij de betrokkene heeft staande gehouden. Dat strookt niet met de verklaring van de betrokkene dat de politie naast zijn auto kwam rijden, het raam opende en hem meedeelde dat hij de voetganger niet had laten voorgaan en wat dit zou gaan kosten. Dat strookt echter ook niet met hetgeen op de inleidende beschikking en het zaakoverzicht is vermeld. Het hof houdt het er daarom voor dat de betrokkene niet is staande gehouden, maar dat de verbalisant en de betrokkene meteen na de gedraging wel verbaal contact met elkaar hebben gehad. De verbalisant heeft de gedraging waargenomen vanuit een surveillanceauto en de betrokkene verklaart dat de politie naast hem kwam rijden. Derhalve moet worden aangenomen dat de verbalisant reed in een als zodanig herkenbaar politievoertuig, waarin middelen aanwezig waren om een stopteken te geven aan de bestuurder die de gedraging had verricht. Naar het oordeel van het hof heeft zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder voorgedaan. De sanctie is daarom ten onrechte met toepassing van artikel 5 WAHV opgelegd aan de betrokkene als kentekenhouder. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter, de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen.

16. Niet gesteld of gebleken is dat de betrokkene kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 6 juli 2008, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 118141673 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van € 150,- door de advocaat-generaal aan hem/haar wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Van der Heide als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.