Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN5052

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
107.002.618/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap; overgeslagen goed (art. 3:179 lid 2 BW)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 24 augustus 2010

Zaaknummer 107.002.618/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

advocaat: mr. J.B.F. Soppe, kantoorhoudende te [Assen],

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

toevoeging aangevraagd,

advocaat: mr. P. Stehouwer, kantoorhoudende te Sneek.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 12 januari 2010 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Blijkens daarvan opgemaakt proces-verbaal heeft ingevolge voornoemd tussenarrest op 4 mei 2010 een comparitie van partijen plaatsgevonden.

Vervolgens heeft [appellant] de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Het hof heeft in het tussenarrest reeds overwogen dat het onderhavige geschil gaat om het antwoord op de vraag of de waarde van de levensverzekering, genaamd Spaargarant Verzekering, een overgeslagen goed betreft als bedoeld in artikel 3:179 lid 2 BW en daarom nog dient te worden verdeeld.

Wanneer vorenstaande vraag bevestigend wordt beantwoord verschillen partijen van mening over het antwoord op de vraag of bij de verdeling van de waarde van de levensverzekering rekening dient te worden gehouden met de premies die [appellant] na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap ter zake van die levensverzekering heeft betaald (de grieven 1 tot en met 6).

2. [appellant] stelt dat een gecombineerde hypotheek was afgesloten waarbij de levensverzekering was gekoppeld aan één van de beide afgesloten hypothecaire leningen.

[appellant] is van mening dat, nu sprake was van een gecombineerde hypotheek en gelet op het bepaalde in artikel 2 van de overeenkomst van verdeling, de levensverzekering met instemming van [geïntimeerde] aan hem is toegescheiden. Volgens [appellant] is de levensverzekering geen overgeslagen goed en is voor nadere verdeling van de levensverzekering op de voet van artikel 3:179 lid 2 BW geen plaats meer.

Hij acht een nadere verdeling in strijd met de overeenkomst van verdeling, de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomst, de wederzijdse verwachtingen bij het sluiten van de overeenkomst en de redelijkheid en billijkheid.

3. [geïntimeerde] stelt dat de levensverzekering bij de besprekingen over de verdeling van de huwelijksgemeenschap niet aan de orde is geweest en onverdeeld is gebleven.

4. Partijen zijn in artikel 2 van de overeenkomst van verdeling het volgende overeengekomen.

"De voormalige echtelijke woning (…) wordt toegescheiden aan de man met alle lusten en lasten; de hypothecaire verplichtingen worden toegescheiden aan de man, die al het mogelijke zal doen te trachten de vrouw te doen ontslaan van haar hypothecaire verplichtingen; hij vrijwaart de vrouw terzake van de hypotheken."

4.1. In de offerte van 15 april 1997 betreffende "voorwaarden gecombineerde hypotheek" staat onder meer dat ter aflossing van de hypotheek een Spaargarant Verzekering op het leven van de heer J. [appellant] zal worden meeverbonden.

5. Voorop staat dat de vraag wat partijen in de overeenkomst van verdeling zijn overeengekomen niet enkel kan worden beantwoord op grond van de taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Het komt immers steeds aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

6. Naar het oordeel van het hof blijkt, anders dan [appellant] stelt, niet uit de overeenkomst van verdeling dat onder de aan [appellant] toegedeelde woning 'met alle lusten en lasten' en de aan [appellant] toegedeelde hypothecaire verplichtingen, mede zijn begrepen de baten die zijn opgebouwd in de aan de hypothecaire leningen gekoppelde levensverzekering, nu in artikel 2 van de overeenkomst van verdeling alleen wordt gesproken over de hypothecaire verplichtingen en niet over de ter aflossing van de hypothecaire leningen afgesloten levensverzekering, die een positieve waarde vertegenwoordigde. Voorts blijkt ook uit de overige bepalingen in de overeenkomst van verdeling niet dat partijen de (waarde van de) levensverzekering in de verdeling hebben betrokken.

7. Voorts heeft [appellant], in het licht van de stellingen van [geïntimeerde], niet aannemelijk gemaakt dat partijen de bedoeling hebben gehad om de (tijdens het huwelijk opgebouwde waarde van de) levensverzekering aan hem toe te delen en/of dat een nadere verdeling van de (waarde van de ) levensverzekering in strijd is met de wederzijdse verwachtingen van partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van verdeling.

8. [appellant] heeft in algemene bewoordingen nog bewijs van zijn stellingen aangeboden. Het hof acht dat aanbod echter niet voldoende gespecificeerd en passeert dat.

9. Het hof gaat er, om redenen als voormeld, vanuit dat de (waarde van de) levensverzekering niet is meegenomen in de verdeling die partijen bij overeenkomst van 2 maart 2000 hebben vastgelegd, zodat het hier om een overgeslagen goed gaat als bedoeld in artikel 3:179 lid 2 BW.

Het hof acht het - anders dan [appellant] - niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid om de waarde van de levensverzekering alsnog te verdelen.

10. Tussen partijen staat vast dat de levensverzekering is afgekocht per 1 december 2006 en dat in verband daarmee een bedrag van € 11.895,59 aan [appellant] is uitgekeerd, door storting van dat bedrag op een bankrekening van zijn dochter.

11. [appellant] heeft gesteld dat hij vanaf de ontbinding van de huwelijksgemeenschap in oktober 1999 tot 1 november 2005 in totaal € 8.669,91 aan premie voor de levensverzekering heeft betaald en dat dat bedrag moet worden verrekend met het bedrag van € 11.895,59 dat in verband met de verzekering is uitgekeerd.

12. [geïntimeerde] heeft gesteld dat [appellant] in eerste aanleg niet heeft gereageerd toen zij aangaf dat eventueel door hem betaalde premies verrekend zouden kunnen worden.[geïntimeerde] is daarom van mening dat [appellant] thans te laat is met het verstrekken van gegevens betreffende door hem betaalde premies en dat die gegevens niet kunnen leiden tot vernietiging van de bestreden vonnissen.

12.1. Het hof overweegt als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat het hoger beroep mede ertoe strekt de appellerende partij de gelegenheid te bieden tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen hij zelf bij de procesvoering in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. Het hof is daarom en nu niet is gesteld of gebleken dat [appellant] in eerste aanleg ondubbelzinnig zijn aanspraak op verrekening van door hem betaalde premies heeft laten varen, van oordeel dat [appellant] gerechtigd is om in hoger beroep het onderhavige beroep op verrekening te doen.

13. [geïntimeerde] heeft niet, althans onvoldoende, bestreden dat [appellant] na de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap in oktober 1999, tot de levensverzekering per 1 december 2006 is afgekocht, € 8.669,91 aan premies heeft betaald, die naast de premies die de verzekeraar met de afkoopwaarde heeft verrekend, verschuldigd waren. Het hof is van oordeel dat deze door [appellant] betaalde premies met de afkoopwaarde verrekend moeten worden. Over de wijze waarop dat dient te geschieden verschillen partijen niet van mening.

De te verdelen waarde van de levensverzekering bedraagt dan

(€ 11.895,59 - € 8.669,91 =) € 3.225,68.

[appellant] is de helft daarvan, € 1.612,84, aan [geïntimeerde] verschuldigd.

14. Het voorgaande brengt mee dat de primaire vorderingen van [appellant] moeten worden afgewezen.

15. Het hof overweegt wat betreft de subsidiaire vorderingen als volgt.

15.1. De sub 5 gevorderde verklaringen voor recht zijn toewijsbaar.

16. Het hof gaat wat betreft de overige subsidiaire vorderingen uit van het volgende:

In het vonnis van 27 februari 2008 is voor recht verklaard dat [geïntimeerde] recht heeft op een bedrag ter grootte van ( € 5.289,45 + € 1.134,45 + € 1.071,54 +

€ 5.947,79 =) € 13.443,23.

Tevens is [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 12.371,72, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 7.495,44 vanaf 9 oktober 2007 tot de dag waarop volledige betaling volgt.

16.1. In het herstelvonnis van 19 maart 2008 is voornoemd bedrag van € 5.289,45 gewijzigd in € 5.829,45, een verhoging met € 540,--, en is voor recht verklaard dat [geïntimeerde] recht heeft op een (totaal)bedrag ter grootte van € 13.983,23.

Het bedrag tot betaling waarvan [appellant] in het vonnis van 27 februari 2008 was veroordeeld, alsmede het bedrag waarover wettelijke rente was verschuldigd, is toen echter niet gewijzigd.

17. [appellant] vordert onder 6 een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] recht heeft op een bedrag ter grootte van (€ 5.289,45 + € 1.134,45 + € 1.071,54 + € 1.612,84)

€ 9.108,28.

17.1. Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat in het herstelvonnis van 19 maart 2008 het bedrag van € 5.289,45 is gewijzigd in € 5.829,45. Daartegen heeft [appellant] geen grief gericht, zodat het hof daarvan heeft uit te gaan.

Het hof berekent het bedrag waarop [geïntimeerde] recht heeft daarom op (€ 5.829,45 +

€ 1.134,45 + € 1.071,54 + 1.612,84 =) € 9.648,28.

18. [appellant] berekent voorts in zijn vordering sub 7 het bedrag dat hij onverschuldigd heeft voldaan door van het bedrag van € 13.983,23, waarop [geïntimeerde] ingevolge het herstelvonnis recht heeft, af te trekken voornoemd bedrag van € 9.108,28. Volgens [appellant] is de uitkomst van die aftreksom € 4.334,95, maar dat berust kennelijk op een misslag, nu de uitkomst van die rekensom

€ 4.874,95 is.

Echter wanneer van € 13.983,23 wordt afgetrokken het bedrag waarop [geïntimeerde] volgens de berekening van het hof recht heeft, namelijk € 9.648,28, dan is de uitkomst van de rekensom wel € 4.334,95. Het hof zal de vordering van [appellant] in die zin lezen.

[appellant] heeft het bedrag van € 4.334,95 evenwel alleen onverschuldigd betaald indien en voor zover hij het bedrag van € 13.983,23, inclusief de verschuldigde wettelijke rente, aan [geïntimeerde] heeft voldaan.

19. [geïntimeerde] heeft gesteld dat zij recht heeft op een bedrag van € 13.983,23 en dat de notaris aan haar € 11.895,59 uit het depôt heeft uitgekeerd, zodat zij nog recht heeft op € 1.611,51 plus wettelijke rente.

Deze rekensom berust naar het oordeel van het hof echter op een misslag.

Uit de door [geïntimeerde] als productie 1 bij de memorie van antwoord overgelegde berekening van Brakel Journée & Wouters, Netwerk Notarissen, van 9 juni 2008 blijkt dat [geïntimeerde] 'ogv vonnis rechtbank' een bedrag van € 12.371,72 uitgekeerd heeft gekregen.

Wanneer het bedrag van € 12.371,72 in mindering wordt gebracht op het bedrag van € 13.983,23 is de uitkomst van de rekensom wel € 1.611,51.

Het hof begrijpt de stelling van [geïntimeerde] daarom aldus dat zij stelt dat zij uit het in depôt gestelde bedrag een bedrag van € 12.371,72 heeft verkregen en dat zij nog recht heeft op een bedrag van € 1.611,51 vermeerderd met wettelijke rente.

20. [appellant] heeft te dien aanzien gesteld dat de beroepen vonnissen inmiddels zijn geëxecuteerd. Verder heeft hij als productie 8 bij de memorie van grieven overgelegd een brief van Brakel Journée & Wouters, Netwerk Notarissen, van 3 juni 2008, waarin staat dat uit het bij haar in depôt gestelde bedrag ten gunste van [geïntimeerde] zal worden uitgekeerd '€ 12.371,71 + wettelijke rente over € 7.495,44'.

21. In het licht van het voorgaande heeft [appellant] niet aangetoond dat hij het volledige bedrag van € 13.983,23, inclusief verschuldigde wettelijke rente aan [geïntimeerde] heeft voldaan, zodat hij ook niet heeft aangetoond dat hij het door hem gevorderde bedrag van € 4.334,95 (volledig) onverschuldigd heeft betaald.

Het hof is van oordeel dat wel is komen vast te staan dat [appellant] een bedrag van € 12.371,71 aan [geïntimeerde] heeft voldaan. [geïntimeerde] heeft evenwel slechts recht op een bedrag van € 9.648,28.

21.1. Het hof berekent het door [appellant] onverschuldigd betaalde bedrag dan op

(€ 12.371,71 - € 9.648,28 =) € 2.723,43. [geïntimeerde] zal dat bedrag aan [appellant] moeten terugbetalen.

22. Volledigheidshalve overweegt het hof nog als volgt.

Uit voornoemde brieven van het notariskantoor blijkt in voldoende mate dat de op grond van het vonnis van 27 februari 2008 verschuldigde wettelijke rente gelijktijdig met het bedrag van € 12.371,71 aan [geïntimeerde] is uitgekeerd.

[appellant] heeft geen bedrag gevorderd ter zake eventueel teveel betaalde rente, zodat het hof daarover geen beslissing hoeft te nemen.

23. De grieven 1 en 4 falen. De grieven 2, 3 en 5 slagen voor zover dat uit het voorgaande voortvloeit.

23.1. Het hof laat grief 6 onbesproken, nu [appellant] bij de behandeling daarvan geen belang meer heeft.

De slotsom

24. Het hof zal het vonnis van 27 februari 2008, zoals hersteld bij vonnis van 9 maart 2008, vernietigen en opnieuw beslissen als na te melden.

25. Het hof ziet in de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn aanleiding om de kosten van het geding in beide instanties te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof

vernietigt het vonnis van 27 februari 2008, zoals hersteld bij vonnis van 19 maart 2008

en opnieuw beslissende

verklaart voor recht dat de aan de hypothecaire leningen gekoppelde Spaargarant Verzekering in aanmerking komt voor nadere verdeling op de voet van artikel 3:179 lid 2 BW onder verrekening van de door [appellant] na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap betaalde premies voor deze verzekering;

verklaart voor recht dat [geïntimeerde] aanspraak heeft op de helft van de afkoopwaarde van voornoemde verzekering onder verrekening van de door [appellant] na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap betaalde premies;

verklaart voor recht dat [geïntimeerde] recht heeft op een bedrag ter grootte van

(€ 5.829,45 + € 1.134,45 + € 1.071,54 + € 1.612,84 =) € 9.648,28;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 2.723,43, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2008 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure in beide instanties draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. Melssen, Breemhaar en Bosch, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 24 augustus 2010 in bijzijn van de griffier.