Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN5045

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
200.040.778
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzuim. Het hof gaat om: er is al sprake van verzuim op het moment dat de rechter constateert dat de in zijn ogen vereiste machtiging ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.040.778

9 maart 2010

CJIB 121206292

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

van 4 augustus 2009

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De sanctie met bovengenoemd CJIB-nummer is bij inleidende beschikking opgelegd aan [kentekenhouder] (hierna: [kentekenhouder]). De betrokkene heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie is er, blijkens de stukken, vanuit gegaan dat de betrokkene namens [kentekenhouder] beroep heeft ingesteld, heeft van de betrokkene geen machtiging verlangd en heeft het beroep van [kentekenhouder] ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing is betrokkene bij de kantonrechter in beroep gekomen.

2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, WAHV, kan tegen de beslissing van de officier van justitie beroep worden ingesteld door degene die administratief beroep heeft ingesteld. Nu, blijkens de beslissing van de officier van justitie, administratief beroep is ingesteld door [kentekenhouder], is [kentekenhouder] gerechtigd om beroep in te stellen. De betrokkene heeft in zijn beroepschrift echter niet aangegeven dat hij namens [kentekenhouder] beroep instelde.

3. Indien een ander dan de beroepsgerechtigde beroep instelt, kan kantonrechter overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:1, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) van degene die het heeft ingesteld een schriftelijke machtiging verlangen. Wordt de gevraagde machtiging niet verstrekt, dan kan ingevolge het bepaalde in artikel 6:6 Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4. [kentekenhouder] is bij brief van 6 april 2009 uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter van 14 mei 2009. Daarbij is zij er op gewezen dat zij zich ter zitting kan laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een daartoe schriftelijk gemachtigde. De betrokkene is ter zitting van de kantonrechter van 14 mei 2009 verschenen. De kantonrechter heeft daar geconstateerd dat niet gebleken is dat de betrokkene gemachtigd is om [kentekenhouder] te in rechte te vertegenwoordigen. Vervolgens heeft de kantonrechter de behandeling van de zaak aangehouden voor onbepaalde tijd teneinde de betrokkene in de gelegenheid te stellen een machtiging over te leggen waaruit blijkt dat betrokkene gemachtigd is om [kentekenhouder] in rechte te vertegenwoordigen. Gelet op hetgeen hierboven, onder 2, is overwogen, heeft de kantonrechter op goede gronden van de betrokkene een dergelijke machtiging, waaruit zou blijken dat hij bevoegd was namens [kentekenhouder] beroep in te stellen, verlangd.

5. Anders dan uit eerdere jurisprudentie van het hof -onder meer het arrest van 24 maart 2009, WAHV 200.014.398- kan worden afgeleid, is het hof thans van oordeel dat reeds sprake is van een verzuim, namelijk het niet voldoen aan een vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, op het moment dat de kantonrechter, die oordeelt dat een machtiging is vereist, vaststelt dat een dergelijke machtiging ontbreekt. Dat verzuim ontstaat niet eerst nadat de termijn waarbinnen de machtiging moet worden overgelegd, ongebruikt is verstreken. Met het vervolgens aanhouden van de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd teneinde de betrokkene in de gelegenheid te stellen de machtiging over te leggen, heeft de kantonrechter de betrokkene in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

6. Bij de hervatting van de behandeling ter zitting van 4 augustus 2009 bleek echter dat de betrokkene geen machtiging had overgelegd. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat de betrokkene het verzuim niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld. Een en ander brengt mee dat niet anders kan worden vastgesteld dan dat niet door [kentekenhouder] maar door de betrokkene beroep is ingesteld bij de kantonrechter terwijl de betrokkene niet beroepsgerechtigd is in de zin van artikel 9, eerste lid, WAHV.

7. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, die het hof gelet op het voren overwogene verstaat als beslissing op het beroep van de betrokkene, bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de bestreden beslissing.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Beswerda en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Rienstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.