Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN4720

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-08-2010
Datum publicatie
23-08-2010
Zaaknummer
200.042.870
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof geeft aan op welke wijze een belanghebbende met een bekende woonplaats in Spanje moet worden opgeroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 19 augustus 2010

Zaaknummer 200.042.870

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.E.I. Bazuin,

kantoorhoudende te Heerenveen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats] (Spanje),

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 3 juni 2009 heeft de rechtbank Leeuwarden de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts, voor zover hier van belang, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [het kind], geboren op [1998] (hierna [het kind]), met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking bepaald op € 150,- per maand.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 3 september 2009, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 3 juni 2009 te vernietigen op het punt van de daarbij vastgestelde kinderalimentatie en opnieuw beslissende de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] te bepalen op € 240,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand, dan wel, subsidiair, een zodanig hogere bijdrage dan € 150,- per maand dan het hof juist acht.

Van de zijde van de man is geen verweerschrift ingediend.

Ter zitting van 3 februari 2010 is de zaak behandeld. De vrouw is, bijgestaan door haar advocaat, verschenen. De man is niet in persoon en evenmin door een gevolmachtigd raadsman verschenen.

De beoordeling

1. Uit het huwelijk van partijen is op 18 februari 1998 [het kind] geboren. Partijen zijn in 1999 met [het kind] in Spanje gaan wonen. In juni 2001 is de relatie tussen partijen feitelijk verbroken door het vertrek van de vrouw met [het kind] naar Nederland.

2. Bij beschikking van 3 juni 2009 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Ten tijde van de mondelinge behandeling was deze echtscheidingsbeschikking nog niet ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

3. Bij de echtscheidingsbeschikking is voorts, op het daartoe strekkende verzoek van de vrouw, de door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [het kind] vastgesteld op € 150,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

4. In hoger beroep stelt de vrouw dat partijen destijds, toen zij acht jaar geleden uit elkaar zijn gegaan, hebben afgesproken dat de man een bijdrage van € 240,- per maand ten behoeve van [het kind] zou voldoen. Hij heeft deze bijdrage sedertdien ook steeds voldaan. Bij het verzoek tot echtscheiding is evenwel abusievelijk verzocht een bijdrage van € 150,- per maand vast te leggen, hetgeen de rechtbank ook heeft gedaan bij de echtscheidingsbeschikking van 3 juni 2009. De man betaalt sindsdien € 150,- per maand.

5. De vrouw is tijdig in hoger beroep gekomen van de beschikking van 3 juni 2009 en vraagt daarin herstel van de gemaakte fout en alsnog vastlegging van de destijds overeengekomen bijdrage van € 240,- per maand.

6. De man is in hoger beroep niet verschenen. Hij heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een schriftelijk verweerschrift in te dienen en was evenmin, in persoon of bij gevolmachtigde, ter zitting van 3 februari 2010 aanwezig om mondeling verweer te voeren. Alvorens een inhoudelijke beoordeling aan de orde kan zijn, zal het hof dan ook eerst beoordelen of de man op de bij wet voorgeschreven wijze in kennis is gesteld van de procedure in hoger beroep en is opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 3 februari 2010.

7. De man heeft geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, maar heeft wel een bekende woon- of verblijfplaats in Spanje, zijnde een staat waar van toepassing is de verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of handelszaken ('de betekening en kennisgeving van stukken') en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1348/2000 (PbEU L 324/79, hierna: de herziene EG-betekeningsverordening).

8. De herziene EG-betekeningsverordening heeft ten doel de verzending van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of handelszaken tussen de lidstaten te verbeteren en te versnellen met het oog de betekening of kennisgeving van deze stukken. Dit heeft onder meer geleid tot aanpassingen van de artikelen betreffende -kort gezegd- de oproeping van belanghebbenden in verzoekschriftprocedures opgenomen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De regels die gelden voor de oproeping van belanghebbenden gelden op grond van artikel 291 Rv -welk artikel in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, ingevolge het bepaalde in artikel 362 Rv- eveneens voor de verzending van processtukken en van andere mededelingen aan de verzoeker en belanghebbenden.

9. De man is verweerder en daarmee belanghebbende in de onderhavige procedure.

10. Aangezien de man een bekende woon- of verblijfplaats heeft waarin de herziene EG-betekeningsverordening van toepassing is, kan de oproeping op grond van artikel 277 lid 1 Rv geschieden door rechtstreekse toezending daarvan overeenkomstig artikel 14 van de verordening. In plaats daarvan mag ook een vertaling van de oproeping worden verzonden in een taal als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de verordening. Dit is -toegesneden op het onderhavige geval- een taal die de man voor wie de oproeping bestemd is, begrijpt of de officiële taal van de lidstaat Spanje dan wel, indien er verscheidene officiële talen in die lidstaat zijn, de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar de oproeping moet geschieden.

11. Het hof dient in oproeping melding te maken van de verzending zelf alsmede van:

a. de datum van verzending;

b. de wijze van verzending;

c. of een vertaling is verzonden en zo ja, in welke taal;

d. de mededeling (in een van de in artikel 8, eerste lid, van de verordening bedoelde talen) dat degene voor wie het stuk bestemd is, dit mag weigeren als het niet gesteld is in of niet vergezeld gaat van een vertaling in een van de in artikel 8, eerste lid, van de verordening bedoelde talen en dat geweigerde stukken naar het hof moeten worden toegezonden.

12. De rechtstreekse toezending van de oproeping of een vertaling daarvan kan op grond van artikel 14 van de verordening rechtstreeks door de postdiensten worden verricht bij aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging of op gelijkwaardige wijze.

13. De oproeping mag -op grond van het bepaalde in lid 2 van artikel 277 Rv- ook worden verricht door verzending daarvan of van een vertaling daarvan als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de verordening aan een ontvangende instantie als bedoeld als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van die verordening, ter betekening aan degenen voor wie de oproeping bestemd is. Het hof dient in de oproeping melding te maken van de verzending, alsmede van de volgende gegevens:

a. de datum van verzending;

b. de naam en het adres van de ontvangende instantie;

c. de wijze van verzending;

d. of een vertaling is gezonden en zo ja, in welke taal;

e. de taal waarin het formulier als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de verordening is ingevuld;

f. de gevraagde wijze van betekening.

14. Uit de correspondentie in het dossier is gebleken dat aan de man op 16 november 2009 bij aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging een exemplaar van het beroepschrift is toegezonden met mededeling van de termijn waarbinnen een verweerschrift zou kunnen worden ingediend en met mededeling dat nader bericht zal worden gezonden van de datum van de mondelinge behandeling. Het schrijven is op 20 januari 2010 retour gekomen waarna het op die datum opnieuw per gewone post is verzonden met mededeling van de datum van de mondelinge behandeling. Op 12 januari 2010 is eveneens een oproeping aan de man toegezonden bij aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging. Deze oproeping is op 11 maart 2010 retour ontvangen.

16. Het hof constateert dat de wijze waarop het verzoekschrift aan de man is toegezonden en de wijze waarop de oproeping voor de mondelinge behandeling is gedaan, niet in overeenstemming zijn geweest met het bepaalde in artikel 277 Rv en de herziene EG-betekeningsverordening. In het bijzonder is bij het aangetekend schrijven verzuimd om een zogeheten weigeringsformulier mee te zenden, zijnde een kennisgeving (in een van de in artikel 8, eerste lid, van de verordening bedoelde talen) dat degene voor wie het stuk bestemd is, dit mag weigeren als het niet gesteld is in of niet vergezeld gaat van een vertaling in een van de in artikel 8, eerste lid, van de verordening bedoelde talen en dat geweigerde stukken naar het hof moeten worden toegezonden.

17. Artikel 19 van de herziene EG-betekeningsverordening schrijft voor dat de rechter -in het onderhavige geval, het hof- de beslissing aanhoudt wanneer een stuk dat het geding inleidt of een daarmee gelijk te stellen stuk -in het onderhavige geval, het beroepschrift van de vrouw- overeenkomstig de bepalingen van deze verordening ter betekening of kennisgeving naar een andere lidstaat moest worden verzonden en de verweerder niet is verschenen. Deze aanhouding dient plaats te vinden totdat is gebleken dat:

a. hetzij van het stuk betekening of kennisgeving is gedaan met inachtneming van de in de wetgeving van de aangezochte lidstaat -in het onderhavige geval, Spanje- voorgeschreven vormen voor de betekening of kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en voor zich op het grondgebied van dat land bevindende personen bestemd zijn, of

b. hetzij het stuk daadwerkelijk is afgegeven aan de verweerder in persoon of aan zijn woonplaats op een andere in deze verordening geregelde wijze, en dat de betekening of kennisgeving respectievelijk de afgifte zo tijdig is geschied dat de verweerder gelegenheid heeft gehad verweer te voeren.

18. Het vorenstaande brengt mee dat een inhoudelijke behandeling op dit moment niet aan de orde kan zijn en dat de man alsnog de mogelijkheid moet worden geboden daadwerkelijk kennis te nemen van de gerechtelijke stukken en hij in staat moet worden gesteld om in rechte op te treden. Dit betekent dat de man nogmaals, en thans op juiste wijze, kennis moet worden gegeven van het door de vrouw ingediende beroepschrift met mededeling van de mogelijkheid om daartegen een verweerschrift in te dienen en met kennisgeving van een nieuwe datum van de mondelinge behandeling.

20. De kennisgeving van de nieuwe datum van de mondelinge behandeling met een exemplaar van het beroepschrift en het geven van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen, zal door het hof worden toegezonden aan het sub-directoraat-generaal voor internationale justitiële samenwerking van het Ministerie van Justitie, de door Spanje aangewezen ontvangende instantie als bedoeld als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de herziene EG-betekeningsverordening. Door middel van het in deze verordening voorgeschreven formulier zal aan deze instantie worden verzocht zorg te dragen voor kennisgeving van deze stukken aan de man overeenkomstig het recht van Spanje. Daarbij zullen de stukken ook worden voorzien van een vertaling in de Spaanse taal.

21. De verdere behandeling zal worden aangehouden tot de zitting van dinsdag 15 maart 2011 om 10.00 uur. Op die zitting zal worden nagegaan of de man alsnog in rechte is verschenen dan wel, indien hij niet zal zijn verschenen, de kennisgevingen omtrent het door de vrouw ingestelde hoger beroep, de mogelijkheid van het indienen van een verweerschrift en de oproeping voor de mondelinge behandeling thans zijn geschied overeenkomstig de bepalingen van artikel 277 Rv en de herziene EG-betekeningsverordening.

21. Het hof zal beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

draagt de griffier op om de man in kennis te stellen van het door de vrouw ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 3 juni 2009 onder toezending van een exemplaar van het beroepschrift, met de mededeling dat de man gelegenheid wordt geboden om daartegen een verweerschrift in te dienen en met de oproeping van de man voor de mondelinge behandeling van dinsdag 15 maart 2011 om 10.00 uur, welke kennisgeving, mededeling en oproeping moet geschieden door toezending daarvan aan:

Subdirección General de Cooperación Jurídica Internacional

Ministerio de Justicia

C/San Bernardo, 62

E-28015 Madrid

met het verzoek zorg te dragen voor kennisgeving van deze stukken aan de man overeenkomstig het recht van Spanje;

bepaalt dat de kennisgevingen, mededelingen en oproepingen aan de man zullen worden toegezonden zowel in de Nederlandse als de Spaanse taal en draagt de griffier op zorg te dragen voor de daartoe benodigde vertalingen;

bepaalt dat de mondelinge behandeling zal worden voortgezet op dinsdag 15 maart 2011 om 10.00 uur in één van de zalen van het Paleis van Justitie, Wilhelminaplein 1 in Leeuwarden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gegeven door mrs. Melssen, voorzitter, De Hek en Dam, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van donderdag 19 augustus 2010 in bijzijn van de griffier.