Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN4006

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-08-2010
Datum publicatie
13-08-2010
Zaaknummer
24-002016-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW3677, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BW3677
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het in de Algemene plaatselijke verordening Leeuwarden opgenomen messenverbod is verbindend. Het is goed gemotiveerd en niet disproportioneel.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 121
Gemeentewet 147
Gemeentewet 149
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2010, 303
NBSTRAF 2010/303

Uitspraak

Parketnummer: 24-002016-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-515944-07

Arrest van 13 augustus 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Leeuwarden van 24 juli 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte

mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De kantonrechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een overtreding veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 24 juli 2008.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een geldboete van € 50,-, subsidiair 1 dag vervangende hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het in beslag genomen vlindermes zal verbeurdverklaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 2 april 2007 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Zaailand, althans in of bij een voor het publiek toegankelijk gebouw, te weten de arrondissementsrechtbank, gelegen aan deze weg, zijnde een weg gelegen binnen een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gebied, een mes, in elk geval een voorwerp, dat als steekwapen kon worden gebruikt, bij zich heeft gehad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 april 2007 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, in een voor het publiek toe-gankelijk gebouw, te weten de arrondissementsrechtbank, gelegen aan de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Zaailand, zijnde een weg gelegen binnen een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gebied, een mes bij zich heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Strafbaarheid van het feit

De raadsman heeft ter zitting van het hof bepleit dat het aan verdachte ten laste gelegde artikel 2.1.1.4 van de Algemene plaatselijke verordening Leeuwarden (hierna: de APV) - waarin wordt bepaald dat het verboden is op door het college van B&W aangewezen wegen, met inbegrip van daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen, messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt bij zich te hebben - onverbindend zal verklaren.

Strijd met wet in formele zin

De raadsman heeft hiertoe in de eerste plaats aangevoerd dat het illegaal wapenbezit uitputtend is geregeld in de Wet wapens en munitie. Het onder verdachte in beslag genomen mes betreft geen verboden wapen in de zin van deze wet. Het onderhavige verbod uit de APV tast de vrijheid van individuele burgers derhalve in grotere mate aan dan de wet in formele zin. Omdat een (lokale) APV een wet in formele zin niet opzij kan zetten, is het bewuste artikel in de APV onverbindend, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. In artikel 121 van de Gemeentewet is bepaald dat de bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen ten aanzien van onderwerpen waarin door wetten is voorzien, gehandhaafd blijft, voor zover de verordeningen met die wetten niet in strijd zijn. Het doel van de Wet wapens en munitie is beheersing van het legale wapenbezit en bestrijding van illegaal wapenbezit. Het doel van de onderhavige bepaling in de APV is handhaving van de openbare orde. De betreffende APV-bepaling is blijkens het tweede lid niet van toepassing op wapens die vallen onder de Wet wapens en munitie. De Wet wapens en munitie betreft derhalve andere wapens en strekt tot bescherming van andere belangen dan die waarop de bepaling in de APV betrekking heeft. Van strijdigheid met dan wel het 'opzij zetten' van die wet is dan ook geen sprake. Het hof verwerpt het verweer.

Ontbreken van wettelijke grondslag

De raadman heeft betoogd dat er geen wettelijke grondbeslag bestaat voor een algeheel messenverbod en dat de bepaling van de APV om die reden onverbindend is.

Het hof volgt de raadsman niet in zijn betoog. De wettelijke grondslag is gelegen in de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet. Op basis daarvan kon de raad van de gemeente Leeuwarden de Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden vaststellen, hetgeen is gebeurd in de raadsvergadering van 19 februari 2007.

Ontbreken van motivering en disproportionaliteit

De raadsman is van mening dat het besluit tot (verlenging van de) aanwijzing van de Binnenstad van Leeuwarden als veiligheidsrisicogebied een deugdelijke motivering ontbeert. Het besluit is, aldus de raadsman, bovendien disproportioneel te noemen omdat het verder gaat dan vele andere APV's, waarin slechts het openlijk dragen van messen strafbaar wordt gesteld, anderen dan de doelgroep van alcohol- en drugsgebruikers worden getroffen en verruiming tot het gerechtsgebouw niet nodig was omdat dat gebouw een interne veiligheidsdienst kent.

Artikel 2.1.1.4. van de APV Leeuwarden houdt een verbod in op het bij zich hebben van messen of andere voorwerpen, die als steekwapen kunnen worden gebruikt, op voor door het college van B & W aangewezen wegen, met inbegrip van daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen. Het college van B & W heeft in het aanwijzingsbesluit van 20 februari 2007 de Binnenstad van Leeuwarden als zodanig aangewezen. Dit besluit gold voor een periode van 12 maanden en trad in werking op 10 maart 2007.

Uit de toelichting op dat besluit, aangeduid als "Bestuurlijke presentatie veiligheidsrisicogebied in relatie tot preventief fouilleren en messenverbod, maart 2007", blijkt op basis waarvan voornoemd college hiertoe heeft besloten, zakelijk weergegeven:

In 2006 zijn 43 (steek)wapens in beslag genomen. In 2005 betrof dit 55 (steek)wapens en in 2004 47 (steek)wapens. Het betreft hier voorwerpen die als steekwapen kunnen dienen en die niet onder de werking van de WWM vallen. Met het messenverbod kan onder meer een duidelijke doelgroep, drugs- en alcoholgebruikers, worden aangepakt. Het weghalen van wapens onder deze groep personen bevordert de veiligheid op straat.

Alle wapens die in de gemeente Leeuwarden werden ingenomen, zijn aangetroffen in de Binnenstad van Leeuwarden.

Naast de cijfers inzake inbeslagnames van (steek)wapens heeft de politie de incidenten in de Binnenstad een viertal jaren in kaart gebracht. Uit deze informatie blijkt dat de volgende incidenten plaatsvonden in de binnenstad in 2004, 2005 en 2006:

Openlijke geweldpleging: 12 (2004), 29 (2005), ca. 32 (2006)

Bedreigingen: 92 (2004), 105 (2005), ca. 77 (2006)

Gesteld kan worden dat er nog wel voldoende aanleiding is, qua in beslag genomen (steek) wapens en incidenten, om het messenverbod in de binnenstad van Leeuwarden te handhaven.

Bij de beoordeling van het verweer stelt het hof voorop dat aan de burgemeester bij het nemen van een aanwijzingsbesluit een ruime beoordelingsmarge toekomt. Hij dient daarbij alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen, waaronder enerzijds het belang van handhaving van de openbare orde en anderzijds het recht van eenieder op eerbiediging van zijn privé-leven. De duur van de aanwijzing dient niet langer en de omvang van het gebied niet groter te zijn dan noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde. De gemaakte keuze dient deugdelijk te zijn gemotiveerd en proportioneel te zijn met de dreigende schending van het privé-leven van eenieder in het aangewezen gebied. De rechter zal zich bij de beoordeling van een aanwijzingsbesluit terughoudend moeten opstellen en zal slechts kunnen toetsen of, voor zover in het kader van het nu besproken verweer van belang, de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat gebiedsaanwijzing in verband met dreigende verstoring van de openbare orde noodzakelijk was en of de burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de aanwijzing heeft kunnen komen.

Tegen deze achtergrond de motivering van het aanwijzingsbesluit beoordelend moet worden vastgesteld dat, blijkens die motivering, het aantal openlijke geweldplegingen in 2006 met ongeveer 10% is gestegen ten opzichte van 2005 en het aantal bedreigingen met ongeveer 25% is gedaald. Deze cijfers konden redelijkerwijs aanleiding zijn voor de burgemeester om tot verlenging van het aanwijzingsbesluit te komen omdat het daarmee blijkens de motivering te bereiken doel - de veiligheid op straat bevorderen - nog in onvoldoende mate bereikt kon worden geoordeeld.

Vastgesteld kan worden dat de burgemeester, blijkens de hiervoor weergegeven motivering, 'onder meer' als doelgroep drugs- en alcoholgebruikers op het oog had. De woorden "onder meer" geven aan dat ook andere groepen of personen als bedreigend voor de veiligheid op straat werden geacht. Dat is niet onbegrijpelijk omdat feit van algemene bekendheid is dat incidenten als bedreiging en openlijk geweld wel vaak maar zeker niet altijd gekoppeld zijn aan alcohol- en/of drugsgebruik. Niet ondenkbaar is voorts dat in het aangewezen veiligheidsrisicogebied ook 'onschuldige' burgers getroffen worden door het messenverbod omdat het verbod ziet op alle personen in dat gebied, maar dat maakt de afweging van de burgemeester tussen de betrokken belangen, waaronder die van gemelde burgers, nog niet tot een onredelijke of disproportionele.

Het feit dat sommige openbare gebouwen in het veiligheidsrisicogebied een interne veiligheidsdienst hebben (waaronder het gebouw van de rechtbank) behoefde evenmin in redelijkheid ertoe te leiden dat die gebouwen van het verbod werden uitgezonderd omdat juist in een gebouw als dat van de rechtbank de aanwezigheid van messen, gelet op de veiligheid van alle daar aanwezigen, een risico voor de openbare orde oplevert, zijnde dat risico het risico dat het aanwijzingsbesluit op het oog heeft.

De conclusie luidt dat het verweer faalt.

Ingepakt mes?

Subsidiair heeft de raadsman, met verwijzing naar het derde lid van artikel 2.1.1.4 van de APV Leeuwarden, naar voren gebracht dat verdachte niet strafbaar is, omdat het (inklapbare) mes zich in diens broekzak bevond en dus "ingepakt" was.

Het hof wijst in dit verband op de bedoeling van het derde lid, die tot uiting komt in de woorden: (steekwapens) "die zodanig zijn ingepakt dat deze niet voor dadelijk gebruik kunnen worden aangewend". Hiervan is geen sprake als het wapen zich in een broekzak bevindt, ook niet als het gaat om een steekwapen dat voor gebruik eerst nog moet worden uitgeklapt. Ook dit verweer wordt verworpen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de overtreding:

overtreding van artikel 2.1.1.4 lid 1 Algemene plaatselijke verordening Leeuwarden.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft toen hij de rechtbank te Leeuwarden wilde betreden omdat hij wilde verschijnen in een civiele zaak, zich moeten onderwerpen aan een veiligheids-fouillering. Hij bleek een vlindermes bij zich te hebben en overtrad daarmee de APV Leeuwarden.

Hem zal een geldboete van na te noemen hoogte worden opgelegd. Het hof acht deze straf alle omstandigheden van dit geval in aanmerking nemend passend.

Verbeurdverklaring

Het door het hof verbeurd te verklaren voorwerp is daarvoor vatbaar. Met betrekking tot dit voorwerp is het bewezen verklaarde feit immers begaan, terwijl uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat het toebehoort aan verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op artikel 2.1.1.4 van de Algemene plaatselijke verordening Leeuwarden en de artikelen 23, 24, 24c, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van vijftig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van één dag zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

verklaart verbeurd:

- een vlindermes.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W.P.M. ter Berg, voorzitter, mr. P. Koolschijn en mr. L.T. Wemes, in tegenwoordigheid van mr. E. Hoekstra als griffier, zijnde mr. L.T. Wemes buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.