Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN3999

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-08-2010
Datum publicatie
13-08-2010
Zaaknummer
200.034.213
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie: behoefte en behoeftigheid welke hypotheeklasten kunnen in aanmerking genomen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 10 augustus 2010

Zaaknummer 200.034.213

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. H.J.M. Janssen, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.B. Rietberg, kantoorhoudende te Groningen.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 21 april 2009 heeft de rechtbank te Groningen de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1], geboren op [1995], [kind 2], geboren op [1998] en [kind 3], geboren op [1999], bepaald op € 430,- per kind per maand. Voorts heeft de rechtbank de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud bepaald op € 1.560,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 2 juni 2009, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 21 april 2009 gedeeltelijk te vernietigen en opnieuw te beslissen als aan het slot van het beroepschrift vermeld.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 6 juli 2009, heeft de man het verzoek bestreden en verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, dan wel het beroep af te wijzen.

Tevens heeft de man bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikking van 21 april 2009 te vernietigen en opnieuw te beslissen zoals in het petitum verzocht.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 juli 2009, heeft de vrouw het verzoek in het incidenteel beroep bestreden.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder

een brief van 16 november 2009 met bijlagen van mr. Janssen en de draagkrachtberekeningen, behorende bij het appelschrift van de vrouw, overgelegd bij faxbericht van 26 november 2009.

Ter zitting van 30 november 2009 is de zaak behandeld. Verschenen zijn partijen vergezeld van hun advocaten. Mr. Janssen en mr. Rietberg hebben pleitnotities overgelegd.

De beoordeling

Nagekomen stukken

1. Op de griffie van het hof is op 26 november 2009 een brief met bijlagen van mr. Rietberg binnengekomen. Artikel 1.4.3 van het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven houdt in dat uiterlijk de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling nog stukken kunnen worden overgelegd. Nu de brief met bijlagen te laat is binnengekomen, zal het hof geen acht slaan op de inhoud hiervan bij de behandeling van de zaak en het geven van de beslissing. Dit is partijen reeds ter zitting meegedeeld.

De vaststaande feiten

2. Partijen zijn op 20 mei 1994 onder het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd.

3. Uit hun huwelijk zijn [kind 1], [kind 2] en [kind 3] geboren. Bij beschikking van 30 september 2008 heeft de rechtbank het hoofdverblijf van de kinderen bij de man bepaald.

4. De rechtbank heeft op 20 mei 2008 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 26 augustus 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Groningen, waardoor hun huwelijk is ontbonden.

5. De rechtbank heeft bij beschikking van 21 april 2009 de kinderalimentatie op € 430,- per kind per maand bepaald en de partneralimentatie op € 1.560,- per maand. De ingangsdatum is vastgesteld op 26 augustus 2008.

6. Het hoger beroep van partijen is gericht tegen de beschikking van 21 april 2009.

De ingangsdatum

7. Partijen hebben geen grief gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de alimentatie. Het hof zal bij het vaststellen van een eventuele partneralimentatie eveneens uitgaan van de datum van de ontbinding van het huwelijk. Deze datum is 26 augustus 2008.

De geschilpunten

8. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

- de behoefte van de man;

- de behoeftigheid van de man;

- de draagkracht van de vrouw en wel op de volgende punten:

* het inkomen;

* de woon/hypotheeklasten;

- de proceskostenveroordeling.

De behoefte van de man

9. Tussen partijen is in geschil op welk bedrag de behoefte van de man, mede gelet op de welstand van partijen ten tijde van de laatste jaren van hun huwelijk, moet worden gesteld.

10. Als uitgangspunt geldt dat de behoefte van een gewezen echtgenoot wordt gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid past, daarbij mede gelet op de welstand van partijen gedurende het huwelijk.

11. Bij het bepalen van de mede aan de welstand gerelateerde behoefte zal zowel in aanmerking moeten worden genomen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als het uitgaven- en bestedingspatroon in diezelfde periode. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven immers een aanwijzing voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na de

beëindiging van het huwelijk wat de kosten van levensonderhoud betreft in redelijkheid aanspraak kan maken.

12. De behoefte zal daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële kosten van levensonderhoud worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en overige, vaak globaal te schatten, uitgaven en reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals op vorenbedoelde wijze vastgesteld.

13. De rechtbank heeft voor de bepaling van het gezinsinkomen aansluiting gezocht bij de berekening van de vrouw, zoals zij die in eerste aanleg heeft overgelegd bij het verweerschrift op het zelfstandig verzoek. De vrouw is daarbij uitgegaan van de jaaropgave 2007. De vrouw heeft het netto gezinsinkomen berekend op € 4.404,- per maand. De daarbij behorende behoefte van de kinderen heeft zij berekend op € 430,- per kind per maand/ € 1.290,- voor de drie kinderen gezamenlijk. Rekeninghoudend met deze bedragen heeft de rechtbank de behoefte van de man gesteld op 60% van (€ 4.404,- - € 1.290,-) € 3.114,-, afgerond

€ 1.868,- netto per maand.

14. De man verzoekt het hof in zijn petitum in incidenteel appel een partneralimentatie van € 4.500,- per maand vast te stellen. Het hof wijst dit verzoek af. De man heeft op geen enkele wijze onderbouwd waarom dit een redelijk bedrag is in verband met zijn vaste lasten, uitgaven en reserveringen voor te verwachten lasten, dit mede beoordeeld naar de mate van welstand van partijen tijdens het huwelijk. De enkele stelling dat hij om een partneralimentatie van

€ 4.500,- verzoekt is daartoe onvoldoende. Het ligt op de weg van de man zijn behoefte te onderbouwen. Uit de vorenstaande overwegingen vloeit voort dat het hof zich voor de bepaling van de behoefte van de man aansluit bij de rechtbank en deze behoefte vaststelt op € 1.868,- netto per maand, nu geen feiten en omstandigheden zijn gesteld die het hof reden geven af te wijken van hetgeen gebruikelijk is. De man heeft het netto gezinsinkomen in de periode dat partijen nog een gezamenlijke huishouding voerden, niet bestreden.

De behoeftigheid van de man

15. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:157 lid 1 BW heeft een gewezen echtgenoot recht op een uitkering tot levensonderhoud, indien deze niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.

16. De werkelijke of fictieve (dit is: in redelijkheid te verwerven) inkomsten van de onderhoudsgerechtigde verminderen de behoefte aan een bijdrage van de onderhoudsplichtige. Dit zal leiden tot een nihilstelling of vermindering van de alimentatie op grond van de omstandigheid dat de onderhoudsgerechtigde geheel of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud voorziet of kan voorzien.

17. Partijen verschillen van mening over de vraag waarom de man in het jaar 2004 definitief met zijn werkzaamheden is gestopt, nadat hij in 1999 zijn onderneming heeft gestaakt. Vast staat wel dat de vrouw vanaf het jaar 1999 de hoofdkostwinner is geweest.

18. Aan het hof ligt de vraag voor of van de man in redelijkheid gevergd kan worden geheel of gedeeltelijk in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Het hof is van oordeel dat de man in ieder geval voor een gedeelte in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Het hof betrekt daarbij in zijn overwegingen dat de man een ruime arbeidservaring heeft en in staat is, zoals de vrouw onweersproken heeft gesteld, twee keer per week te tennissen en onlangs nog een schuur gebouwd heeft naast het clubhuis in [woonplaats]. De leeftijd van de man en de leeftijd van de kinderen vormen voor de man geen beletsel, nu het hof de man slechts een beperkte verdiencapaciteit toerekent.

19. Voor zover de man stelt dat hij op medische gronden niet in staat is te werken, verwerpt het hof zijn stelling. Hij heeft niet aan de hand van medische bescheiden onderbouwd waarom hij niet in staat zou zijn geheel of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud te voorzien.

20. Partijen verschillen verder van mening over de vraag of een eventuele door de vrouw te betalen partneralimentatie in duur moet worden beperkt. De man bestrijdt de overweging van de rechtbank dat van hem verwacht mag worden dat hij alles in het werk moet stellen om er voor te zorgen dat hij binnen afzienbare tijd c.q. binnen een termijn van één tot anderhalf jaar wederom aan het arbeidsproces deelneemt en met inkomen uit arbeid in ieder geval deels in de kosten van zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw is van mening dat de man vanaf de datum dat partijen gescheiden zijn gaan wonen, 2 juli 2007, initiatieven had behoren te ontwikkelen om in eigen levensonderhoud te voorzien, zodat hij op de datum ontbinding van het huwelijk niet meer behoeftig is en daarmee de vrouw niet meer onderhoudsplichtig.

21. Gelet op rechtsoverwegingen 17 tot en met 19 is het hof van oordeel dat van de man verwacht mag worden dat hij deels in zijn behoefte kan voorzien. Gelet op het feit dat de man geen betaalde arbeid meer verricht sinds 2004 en de zorg heeft voor drie minderjarige kinderen acht het hof het redelijk dat de man enige tijd wordt gegund om na de ontbinding van het huwelijk deels in zijn behoefte te voorzien. Dit betekent dat het hof ervan uitgaat dat hij met ingang van 1 juli 2010 voor een derde deel van zijn behoefte in eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien. Dit houdt in dat het hof de behoefte van de man voor de periode 26 augustus 2008 – 1 juli 2010 stelt op € 1.868,- netto per maand en vanaf 1 juli 2010 op afgerond € 1.246,- netto per maand. Het hof wijst het verzoek van de vrouw haar onderhoudsverplichting jegens de man in duur te beperken, af.

De draagkracht van de vrouw

Het inkomen

22. Partijen verschillen van mening over de vraag welk inkomen van de vrouw in de berekening van haar draagkracht moet worden betrokken. De rechtbank is uitgegaan van de jaaropgave 2008, die de vrouw heeft overgelegd. De vrouw is van mening dat haar inkomen juist is berekend. De man voert in grief II in incidenteel appel aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de bonus van 2008 die in maart 2009 aan de vrouw is uitgekeerd. Volgens de vrouw is uitgangspunt geweest het inkomen dat zij in het kalenderjaar daadwerkelijk heeft ontvangen. Zij merkt voorts op dat in de jaaropgave 2008 een gedeelte van haar omzetbonus over het jaar 2007 is verwerkt en voorschotten van de omzetbonus 2008. Volgens de vrouw ontstaat het gevaar van dubbeltellingen als aanspraken op een bonus worden aangemerkt als werkelijk genoten inkomsten.

23. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op juiste wijze het inkomen van de vrouw aan haar alimentatieberekening ten grondslag gelegd. Het hof betrekt daarbij het volgende in zijn overwegingen. Uit de door de vrouw overgelegde bonusregeling 2007 blijkt, dat van de door haar ontvangen bonus over dat jaar ten bedrage van € 20.911,14 een bedrag van € 2.083,33 in het jaar 2007 is uitgekeerd en het restant in het jaar 2008. Dit betekent dat de bonus over het jaar 2007 voor het grootste gedeelte is verwerkt in de jaaropgave 2008. In het jaar 2008 zijn voorschotten op de te verwachten bonus in dat jaar uitgekeerd, die verwerkt zijn in de jaaropgave 2008. Het restant wordt wederom uitgekeerd in het jaar 2009.

24. Anders dan de man is het hof van oordeel dat met dat gedeelte van de bonus over het jaar 2008, dat uitgekeerd wordt in het jaar 2009, geen rekening moet worden gehouden, omdat inderdaad het gevaar van dubbeltellingen ontstaat. Het hof ziet geen aanleiding om rekening te houden met een hogere bonus over het jaar 2009, temeer daar in dat jaar bij de vrouw borstkanker is geconstateerd en zij ter zitting van het hof heeft verklaard dat zij de laatste behandeling net achter de rug heeft en hopelijk nu is uitbehandeld. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking het overzicht jaarinkomen van de vrouw over 2008 en 2009 van 11 november 2009, door mr. Janssen overgelegd bij brief van 16 november 2009.

De woon/hypotheeklasten

25. In grief 2 in principaal appel richt de vrouw zich tegen het oordeel van de rechtbank dat met de hypotheeklasten van de woning [adres] geen rekening wordt gehouden. Zij voert aan, dat partijen tijdens het huwelijk gezamenlijk besloten hebben deze woning te kopen, dat deze woning al geruime tijd via een makelaar te koop staat en dat de woning bij verkoop niet de aan deze woning verbonden hypothecaire lening van € 200.000,- zal opbrengen. De man stelt dat de vrouw de woning had kunnen verkopen aan de achterburen en dat de vrouw ook van dit tweede pand van de woonlasten had kunnen worden bevrijd.

26. De vrouw heeft ter zitting van het hof verklaard dat het hier om een heel eenvoudig casco gaat dat destijds op aanraden van de man is gekocht en dat de vraagprijs inmiddels is verlaagd naar € 179.000,-. Volgens haar is het juist dat de achterburen een bod hebben gedaan van ongeveer € 135.000,-. In verhouding tot de koopprijs van € 200.000,- achtte zij dit bod veel te laag. De man heeft deze verklaring van de vrouw niet bestreden.

27. Tussen partijen is niet in geschil dat de hypotheeklasten van de woning [adres] stammen uit de tijd dat partijen nog gehuwd waren en dat de vrouw deze lasten voldoet. Uit de tijd van het huwelijk stammende verplichtingen worden altijd in aanmerking genomen. Uiteraard kunnen ten tijde van de alimentatievaststelling nog problemen met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap of de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden spelen. Wanneer aannemelijk is dat de uit deze periode stammende verplichtingen uiteindelijk uit het inkomen van de onderhoudsplichtige moeten worden voldaan, wordt hiermee rekening gehouden, ook voordat de vermogensrechtelijke gevolgen van de scheiding zijn afgewikkeld. Zelfs al had de vrouw deze woning aan de achterburen verkocht dan nog was zij met een aanzienlijke restschuld blijven zitten. De vrouw heeft verder nog gesteld dat de woning zich niet in bewoonbare staat bevindt, waardoor verhuur niet mogelijk is. De man heeft deze stelling van de vrouw niet weersproken, zodat het hof geen aanleiding ziet om rekening te houden met inkomsten uit verhuur van deze woning. Dit betekent dat grief 2 van de vrouw slaagt.

28. In grief 3 klaagt de vrouw er over, dat de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden heeft met het feit dat de hypotheekrente van de hypothecaire lening, verbonden aan de echtelijke woning Ludgerstraat 16 in Bedum, na 2 juli 2009 niet meer fiscaal aftrekbaar zal zijn. De man is van mening dat de rechtbank helemaal geen rekening had moeten houden met deze lening.

29. De man heeft niet bestreden dat de vrouw de hypotheeklasten, verbonden aan de echtelijke woning, voldoet. Zolang nog niet definitief beslist is over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden gaat het hof er vanuit dat de vrouw deze lasten voor haar rekening blijft nemen. De man heeft terecht niet weersproken dat twee jaar na het uiteengaan van partijen de door de vrouw betaalde hypotheekrente voor haar niet meer aftrekbaar is, omdat deze woning de vrouw niet meer tot hoofdverblijf dient. Ook deze grief van de vrouw slaagt.

30. De man voert tenslotte nog aan dat sprake is van onredelijke woonlasten met betrekking tot de drie woningen, waarvoor de vrouw hypotheek betaalt.

31. Anders dan de man is het hof van oordeel dat voor de bepaling van onredelijke woonlasten niet moet worden uitgegaan van de lasten die de vrouw betaalt voor de voormalige echtelijke woning en de woning aan de [adres], omdat het hier om de betaling van een schuld gaat die dateert uit het huwelijk van partijen. Bij de beoordeling of er sprake is van een onredelijke woonlast gaat het slechts om de woonlast verbonden aan de [adres], zijnde de woning waar de vrouw woont. De vrouw betaalt voor deze woning een hypotheekrente van € 738,- per maand. In verhouding tot het inkomen van de vrouw is het hof van oordeel dat dit geen onredelijke woonlast is, mede in aanmerking genomen het feit dat de man in een huis woont, waarvan de hypotheeklasten hoger zijn.

32. In grief III in incidenteel appel stelt de man dat de rechtbank ten onrechte een definitief bedrag aan alimentatie heeft vastgesteld. Hij verzoekt het hof bij de vast te stellen alimentatie rekening te houden met de afrekening in het kader van de huwelijkse voorwaarden. De vrouw voert aan dat een alimentatie die wordt vastgesteld nimmer definitief is.

33. Naar het oordeel van het hof kan deze grief van de man niet slagen. De rechtbank heeft een definitieve alimentatie vastgesteld en in hoger beroep zal in een alimentatieprocedure rekening moeten worden gehouden met alle recente wijzigingen van omstandigheden. Verder mogen in een alimentatieprocedure in hoger beroep in elk stadium van de procedure nieuwe grieven worden opgeworpen, voor zover deze niet in het appelschrift hadden kunnen worden opgevoerd. Het hof honoreert het verzoek van de man rekening te houden met de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden niet. Het betreft hier een omstandigheid waarvan niet duidelijk is hoe lang deze nog duurt en of hoger beroep wordt ingesteld. Het bovenstaande neemt niet weg dat de uitkomst van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van invloed kan zijn op de behoefte/behoeftigheid van de man en de draagkracht van de vrouw. Daarvoor is zonodig een wijzigingsprocedure bedoeld.

De draagkrachtberekeningen

34. De vrouw heeft twee draagkrachtberekeningen overgelegd, waarin zij voor de berekening van haar inkomen is uitgegaan van de jaaropgave 2008. Verder heeft zij in deze berekeningen de door haar betaalde hypotheekrente voor de echtelijke woning meegenomen, fiscaal aftrekbaar tot 2 juli 2009. De hypotheekrente van de door haarzelf bewoonde woning is in beide berekeningen zowel boven als onder de streep meegenomen. De hypotheekschuld op de woning [adres] is als niet fiscaal aftrekbaar opgenomen. De berekening van de ziektekosten en de kosten van de omgangsregeling zijn in beide berekeningen overeenkomstig de berekening van de rechtbank. De man heeft deze beide laatste posten niet bestreden.

35. Het hof zal voor de hoogte van het inkomen van de vrouw uitgaan van de gegevens die zij bij brief van mr. Janssen van 16 november 2009 heeft overgelegd. Het hof gaat daarbij uit van het betaalmoment en niet van het verdienmoment. Dit betekent dat het hof voor het jaar 2008 uitgaat van een inkomen volgens jaaropgave van € 115.320,- en voor het jaar 2009 van een inkomen volgens jaaropgave van € 123.746,-. Het hof ziet geen aanleiding een nieuwe berekening te maken met ingang van het jaar 2010, omdat het inkomen van de vrouw waarvan de bonus een substantieel onderdeel uitmaakt, over dat jaar nog niet bekend is.

36. Gelet op het voorgaande en tevens op de niet betwiste posten komt het hof tot de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening over de periode 26 augustus 2008 tot 1 januari 2009 (periode 1), waaruit blijkt dat de vrouw een draagkracht heeft van € 1.433,- per maand. Rekeninghoudend met de door de vrouw te betalen kinderalimentatie en het fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen, resteert voor partneralimentatie inclusief fiscaal voordeel een bedrag van € 691,- per maand

37. De aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening over de periode 1 januari 2009 tot 2 juli 2009 (periode 2) levert een draagkracht op van € 1.628,- per maand. Rekeninghoudend met de geïndexeerde kinderalimentatie en het fiscaal voordeel kan de vrouw in deze periode inclusief fiscaal voordeel een bedrag van € 1.000,- per maand aan partneralimentatie voldoen.

38. Uit de draagkrachtberekening over de periode vanaf 2 juli 2009 (periode 3) blijkt dat de vrouw een draagkracht heeft van € 1.406,- per maand. Wederom rekeninghoudend met de kinderalimentatie inclusief fiscaal voordeel kan de vrouw een bijdrage leveren in het levensonderhoud van de man van € 535,- per maand.

Slotsom

39. Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep op het punt van de partneralimentatie vernietigen en deze bijdrage vanaf 26 augustus 2008 tot 1 januari 2010 vaststellen op een bedrag van € 691,- per maand, vanaf 1 januari 2009 tot 2 juli 2009 op een bedrag van € 1.000,- per maand en vanaf 2 juli 2009 op een bedrag van € 535,- per maand.

40. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn worden de kosten van het geding in hoger beroep en in eerste aanleg gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Er is geen aanleiding om de vrouw, zoals de man heeft verzocht, te veroordelen in de kosten van beide instanties.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep op het punt van de partneralimentatie;

en opnieuw beslissende:

bepaalt de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud met ingang van 26 augustus 2008 tot 1 januari 2009 op een bedrag van € 691,- per maand, vanaf 1 januari 2009 tot 2 juli 2009 op een bedrag van € 1.000,- per maand en vanaf 2 juli 2009 op een bedrag van € 535,- per maand;

bepaalt dat deze bijdrage, voor zover de termijnen nog niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de man dient te worden voldaan;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

bekrachtigt de beschikking voor het overige.

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten draagt van het geding in beide instanties.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Melssen, voorzitter, Garos en Bosch, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op dinsdag 10 augustus 2010 in bijzijn van de griffier.