Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN3951

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-08-2010
Datum publicatie
13-08-2010
Zaaknummer
200.068.611/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Verkapt appèl.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 10 augustus 2010

Zaaknummer 200.068.611/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellante],

toevoeging,

advocaat: mr. G.P. Bisschop, kantoorhoudende te Hoogezand,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.M. van Duursen, kantoorhoudende te Roden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 18 mei 2010 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 14 juni 2010 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 22 juni 2010. De grieven zijn in de appeldagvaarding opgenomen. Tevens zijn daarbij producties overgelegd.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"het vonnis bij arrest uitvoerbaar bij voorraad te vernietigen en voorts geïntimeerde oorspronkelijk eiser zijn vorderingen te ontzeggen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Er is van eis geconcludeerd.

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw in haar beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans het beroep van de vrouw ongegrond te verklaren en het vonnis van 18 mei 2010 te bekrachtigen met veroordeling van de vrouw in de kosten van de hoger beroepsprocedure."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft vijftien grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder overweging 2 (2.1 tot en met 2.13) van het beroepen vonnis, waarvan een kopie aan dit arrest is gehecht, is geen grief ontwikkeld, zodat ook in dit hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

2. De grieven leggen het geschil voor het overige in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor. Ze zullen daarom gezamenlijk worden behandeld

3. Het gaat in dit geschil om de vordering van [geïntimeerde] tot schorsing van de executie van een beschikking van de rechtbank Assen van 26 september 2007, waarbij is bepaald dat [geïntimeerde] vanaf de dag van de inschrijving van de tussen partijen uitgesproken echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan [appellante], voor zover het betreft niet verschenen termijnen, telkens maandelijks, bij vooruitbetaling dient te voldoen, een bedrag van € 2.542,-- .

4. [geïntimeerde] heeft zich bij verzoekschrift van 28 februari 2008 gewend tot de rechtbank Assen met het verzoek om - op grond van het feit dat [appellante] beweerdelijk zou samenwonen als ware zij gehuwd - de alimentatieverplichting te beëindigen, dan wel – subsidiair - deze verplichting, op grond van gewijzigde omstandigheden, naar beneden bij te stellen. Bij beschikking d.d. 8 juli 2009 heeft de rechtbank Assen bedoeld verzoek van [geïntimeerde] afgewezen. Tegen die beslissing heeft [geïntimeerde] hoger beroep ingesteld, welk beroep nog bij dit hof aanhangig is.

5. [geïntimeerde] legt aan zijn vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ten grondslag dat – op grond van door hem in deze procedure overgelegd aanvullend bewijs – genoegzaam is aangetoond dat [appellante] in ieder geval vanaf 1 februari 2010 samenwoont met een ander ([huisgenoot appellante]) als waren zij gehuwd, zodat zijn verplichting aan [appellante] een bijdrage in haar levensonderhoud te verschaffen per die datum (op grond van het bepaalde in artikel 1: 160 BW) is geëindigd.

6. Krachtens vaste jurisprudentie (zie met name HR 22 april 1983, NJ 1984, 145) heeft het volgende te gelden.

Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mede dat in een executiegeschil geen inhoudelijke bezwaren tegen een uitspraak aangevoerd kunnen worden, behoudens die, welke nopen tot het oordeel dat sprake is van misbruik van bevoegdheid (art. 3: 13 BW). Dit laatste kan zich voordoen als de te executeren beslissing klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien na de uitspraak opgekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor de geëxecuteerde, zodat onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is. Een executie kort geding kan derhalve geen verkapt hoger beroep zijn.

7. Het hof stelt vast dat hetgeen in dit executiegeschil door [geïntimeerde] aan zijn vordering ten grondslag is gelegd, niet inhoudt dat de beschikking van 8 juli 2009 op een misslag berust ([geïntimeerde] is het er enkel inhoudelijk mee oneens) en evenmin dat er – op grond van nadien opgekomen feiten - bij hem een noodtoestand is ontstaan.

8. [geïntimeerde] stelt zich in feite op het standpunt dat – zeker op grond van nader door hem in hoger beroep te presenteren bewijs (welk bewijs deels ook al in dit kort geding is overgelegd) het hof, in het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Assen d.d. 8 juli 2009, hem alsnog in het gelijk zal stellen. Vooruitlopend op die beslissing – die nog even op zich kan laten wachten – vraagt [geïntimeerde] de kort geding rechter een ordemaatregel te treffen als hiervoor aangegeven.

9. Van de kort geding rechter wordt dus – op basis van het nader aangeleverde bewijs – verlangd een prognose te geven omtrent de afloop van de bodemprocedure in hoger beroep en – tegen de achtergrond van die prognose – in dit kort geding een voorlopige voorziening te treffen. Daarmee is sprake van een verkapt appel als hiervoor bedoeld.

10. De voorzieningenrechter in eerste aanleg is derhalve buiten het beperkte toetsingskader van een executiegeschil getreden, zodat zijn beslissing reeds op die grond dient te worden vernietigd. Ook in dit hoger beroep is – op dezelfde grond – geen ruimte om de gevorderde voorziening toe te wijzen.

11. De grieven treffen in zoverre doel en behoeven voor het overige geen inhoudelijke behandeling.

Slotsom

12. Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd en de gevorderde voorzieningen zullen alsnog worden afgewezen. Nu partijen gewezen echtelieden zijn zal het hof ieder der partijen belasten met de eigen kosten in beide instanties.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis d.d. 18 mei 2010, waarvan beroep;

wijst de door [geïntimeerde] gevorderde voorzieningen alsnog af;

belast ieder der partijen met de eigen kosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, Streppel en Zuidema en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 10 augustus 2010 in bijzijn van de griffier.