Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BN3841

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
200.040.233
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg van de brief die de betrokkene schrijft kort nadat een dwangbevel is uitgevaardigd: beoogd is incasso te voorkomen, geen beroep- of bezwaarschrift. Op grond van beginselen van behoorlijk bestuur moet de zaak worden teruggebracht in de stand ten tijde van de ontvangst van de brief.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.040.233

19 mei 2010

CJIB 114540790

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 5 juni 2009

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

Op 18 september 2009 is, ter aanvulling op het beroepschrift, een brief, met bijlagen, van de betrokkene ontvangen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Op 25 november 2009 is nog een brief van de betrokkene ontvangen. Nu deze na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingekomen, kan op de inhoud hiervan geen acht worden geslagen.

Beoordeling

1. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard omdat, kort gezegd, de betrokkene niet had voldaan aan haar verplichting tot het stellen van zekerheid.

2. De uitvoerige brief van de betrokkene van 15 juli 2009 heeft het karakter van een pleidooi, voor te dragen op de zitting van de kantonrechter. Nu de kantonrechter echter reeds een beslissing had genomen, is de brief terecht aangemerkt als een beroepschrift waarmee de betrokkene hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter van 5 juni 2009.

3. De betrokkene voert onder meer aan dat zij met haar brief van 8 december 2008 aan het CJIB slechts heeft willen laten weten dat zij het bedrag van € 304,87 in twee termijnen zou voldoen, dat dit ook is gebeurd, maar dat zij daar echter nooit enige respons op heeft gehad. De betrokkene merkt daarbij op dat het CJIB deze brief vervolgens heeft doorgezonden naar de CVOM maar dat zij niet de bedoeling heeft gehad om de zaak voor de rechter te brengen, aangezien dit alleen maar nog meer kosten voor haar zou meebrengen. Tot slot merkt de betrokkene op dat zij in een vicieuze cirkel van vorderingen, beslagleggingen en (daardoor) steeds hoger oplopende kosten is geraakt en dat de betreffende overheidsinstanties in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur hebben gehandeld.

4. De advocaat-generaal merkt in zijn verweerschrift op dat het betoog van de betrokkene in haar brief van 8 december 2008, die als beroepschrift aan de kantonrechter is aangemerkt, mogelijk dient te worden opgevat als een draagkrachtverweer, en dat, indien dit het geval is, de kantonrechter ten onrechte geen draagkrachtzitting heeft gehouden. Niettemin zou dit in de visie van de advocaat-generaal niet hoeven te leiden tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter en terugwijzing naar de rechtbank, omdat de betrokkene pas op 8 december 2008, na ontvangst van het dwangbevel, en dus veel te laat beroep op de kantonrechter heeft ingesteld, zodat het hof de beslissing van de kantonrechter tot niet-ontvankelijk verklaring van het beroep om proceseconomische redenen zou kunnen bevestigen.

5. In de brief d.d. 8 december 2008, gericht aan het CJIB, schrijft de betrokkene:

"Tot het moment dat ik uw brief dd 14 oktober 2008 was ik niet op de hoogte, dat ik door middel van schorsing een keuring niet verplicht was en dat ik daardoor een incasso kon voorkomen. Indien ik nu het kenteken laat schorsen kan ik dan nog de incassoprocedure ontlopen?

Indien u vindt, dat ik toch moet betalen mag ik dan betalen in twee of drie termijnen? De dato 20 december 2008 heb ik de beschikking over mijn inkomen. Mogelijk kan ik uw incasso in een éénmalige betaling voldoen. Echter, een deel van mijn collegegeld wordt op die datum geïncasseerd (ik betaal mijn collegegeld in termijnen) en weet niet hoeveel er dan overblijft. Het is waarschijnlijk realistischer, dat ik in twee (of drie) termijnen moet voldoen.(…)."

6. Het CJIB heeft deze brief van de betrokkene opgevat als een beroepschrift (tegen de beslissing van de officier van justitie) en ter behandeling naar de CVOM gezonden. De CVOM heeft eveneens de brief verstaan als gericht tegen de beslissing van de officier van justitie van 4 mei 2008 en bij schrijven van 18 januari 2009 de ontvangst van dit beroep aan de betrokkene bevestigd en de betrokkene gewezen op haar verplichting tot het stellen van zekerheid. Bij schrijven van 2 februari 2009 heeft de officier van justitie de betrokkene nogmaals gewezen op de verplichting tot het stellen van zekerheid.

7. Uit de stukken is het hof voorts het volgende gebleken.

In een brief van [medewerker], medewerker van [deurwaarderskantoor], gerechtsdeurwaarders te Rotterdam, aan de betrokkene, d.d. 27 juli 2009 staat: "Hierbij delen wij u mede dat wij bericht hebben gehad van het CJIB dat het verzet niet ontvankelijk is verklaard. De vordering is terecht u dient uiterlijk 31 JULI telefonisch contact op te nemen voor een betalingsregeling.(…)".

In een brief van voornoemde [medewerker] aan de betrokkene d.d. 3 augustus 2009 staat: "In bovengenoemde zaak is op 24 november 2008 aan u het dwangbevel betekend. Daarbij is bevel gedaan om tot betaling over te gaan. De wet geeft ons nu de mogelijkheid om beslag te leggen op uw roerende zaken (…). U kunt beslag voorkomen door uiterlijk 10 augustus 2009 te betalen."

8. Het hof stelt vast dat uit de bewoordingen van de brief van de betrokkene van 8 december 2008 blijkt dat het de betrokkene er met name om te doen was om incasso te voorkomen. Voorts constateert het hof dat er, blijkens de brief van de deurwaarder aan de betrokkene d.d. 4 augustus 2009, op 24 november 2008, derhalve kort vóór de brief van de betrokkene d.d. 8 december 2008, een dwangbevel aan de betrokkene is betekend.

9. Nu het CJIB kennelijk geen aanleiding zag om tot beantwoording van de brief van de betrokkene over te gaan en deze het karakter heeft toegeschreven van het aanwenden van een rechtsmiddel, had deze - gelet op de fase waarin de procedure verkeerde -, op grond van het ook in verzetzaken van toepassing zijnde artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (vgl. Hof Leeuwarden 12 december 2001, WAHV 01/00393, LJN AD8935) door het CJIB ingevolge artikel 26, derde lid WAHV moeten zijn doorgezonden naar de rechtbank Rotterdam en niet naar de CVOM.

10. De kantonrechter heeft, nadat de CVOM de brief van 8 december 2008 had aangemerkt als beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 4 mei 2008, het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.

11. Gelet op de inhoud van de brief kan deze echter bezwaarlijk worden aangemerkt als een beroep- of bezwaarschrift. De kantonrechter had dan ook moeten verstaan dat geen beroep tegen de beslissing van de officier van justitie was ingesteld en de brief ter hand moeten stellen van de officier van justitie teneinde de zaak terug te brengen in de stand, waarin deze zich bevond ten tijde van de ontvangst van de brief van de betrokkene van 8 december 2008. Het hof zal dan ook met vernietiging van de beslissing van de kantonrechter doen wat deze had behoren te doen.

12. Het hof merkt op, dat door de deurwaarder ten onrechte aan de betrokkene is medegedeeld dat het verzet niet ontvankelijk is verklaard. Blijkens van de zijde van de advocaat-generaal ingewonnen inlichtingen bij het CJIB is de onderhavige procedure de enige met betrekking tot dit CJIB-nummer en is er geen sprake (geweest) van een verzetprocedure. Derhalve kan de mededeling van de deurwaarder slechts betrekking hebben op de uitspraak van de kantonrechter in de onderhavige zaak. Nu deze procedure niet eerder is beëindigd dan met de uitspraak van dit hof zijn alle maatregelen in het kader van de inning van de sanctie die tussen 8 december 2008 (althans de niet uit het dossier blijkende datum van ontvangst bij het CJIB, die in ieder geval ligt vóór 17 december 2008) en deze uitspraak zijn verricht niet in overeenstemming met de omstandigheid dat de onherroepelijkheid van de inleidende beschikking (alsnog) ter beoordeling is voorgelegd aan de rechter.

13. De advocaat-generaal dient op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur ervoor zorg te dragen dat de betrokkene niet meer hoeft te betalen dan de sanctie inclusief de verhogingen en de bijkomende kosten van inning voor zover deze vóór 17 december 2008 in rekening zijn gebracht en dat hetgeen eventueel meer is betaald of verhaald aan de betrokkene wordt gerestitueerd.

14. De betrokkene heeft in haar beroepschrift verzocht dat de door haar gemaakte kosten zullen worden vergoed. Het hof zal het verzoek afwijzen, aangezien niet gebleken is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verstaat dat geen beroep is ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie en stelt de brief van de betrokkene van 8 december 2008 de advocaat-generaal ter hand ten einde de zaak terug te brengen in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de ontvangst van die brief;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Sekeris en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.